Leviticus 25:39-55
Wij hebben hier de wetten betreffende dienstbaarheid, bestemd om de eer op te houden van de Joodse natie als een vrij volk, door Goddelijke macht bevrijd uit het diensthuis tot de heerlijke vrijheid van Gods kinderen, Zijn eerstgeborenen. De wet nu is:
I. Dat een geboren Israëliet nooit levenslang tot slaaf gemaakt mocht worden. Als hij verkocht was voor schuld, of om een misdaad door het gericht, dan mocht hij slechte zes jaren dienen, en in het zevende vrij uitgaan, dit was bepaald in Exodus 21:2. Maar als hij, door uiterste armoede gedreven, zichzelf verkocht, daar hij niets meer heeft om van te leven, en zo het iemand van zijn eigen volk was, aan wie hij zich verkocht, dan is voor zo'n geval hier voorzien:
1. Dat hij niet mocht dienen als slaaf, vers 39, noch verkocht worden gelijk men een slaaf verkoopt, vers 42, dat is: "Het moet niet zo beschouwd worden, dat zijn meester, die hem gekocht heeft, een even volstrekt eigendomsrecht op hem heeft, als op iemand, die in de oorlog tot gevangene werd gemaakt, die hij naar willekeur kon gebruiken, verkopen, of legateren, zoals hij met zijn vee zou doen, neen hij zal u dienen als een dagloner, van wie zijn meester wel het gebruik heeft, maar over wie hij geen despotische macht heeft." En de reden is: Zij zijn Mijn dienstknechten, vers 42. God maakt Zijn dienstknechten niet tot slaven en daarom moeten hun broederen het ook niet doen. God had hen verlost uit Egypte, en daarom moeten zij nooit te koop worden aangeboden als slaven. Dit wordt door de apostel geestelijk toegepast, 1 Corinthiërs 7:23. "Gij zijt duur gekocht, wordt geen dienstknechten van" "mensen" dat is: "van de lusten van de mensen, neen, en ook niet van uw eigen lusten, want, "dienstknechten Gods geworden zijnde," moet "de zonde niet heersen in ons sterflijk lichaam," Romeinen 6:12-22.
2. Dat er, terwijl hij diende, geen heerschappij over hem gevoerd moest worden met wreedheid, zoals over de Israëlieten in Egypte vers 43. Beide zijn werk en de behandeling die hem wordt aangedaan, moeten wezen zoals het voor een zoon Abrahams voegt. Er wordt ook nu van meesters geëist, dat zij "hun dienstknechten recht" "en gelijk moeten doen," Colossenzen 4:1. Zij mogen gebruikt, maar niet misbruikt worden. Die heren, welke altijd dreigen, altijd een gebiedende toon voeren, bitse verwijtingen doen aan hun dienstknechten, hen schelden met strengheid over hen heersen, onredelijk zijn in het werk dat zij van hen eisen, vergeten dat hun Heer in de hemel is, en wat zullen zij doen als Hij opstaat? Zoals Job met zichzelf redeneert, Job 31:13, 14.
3. Dat hij in het jubeljaar vrij zal uitgaan, hij en zijn kinderen, en tot zijn geslacht zal wederkeren, vers 41. Dit was een type van onze verlossing uit de dienst van de zonde en van de satan door de genade Gods in Christus wiens "waarheid ons vrijmaakt," Johannes 8:32. De Joodse schrijvers zeggen, dat gedurende tien dagen voordat de bazuin van het jubeljaar geblazen werd, de dienstknechten, die er hun vrijheid door verkregen, hun grote vreugde te kennen gaven door feestvieren, en kransen te dragen op hun hoofd, daarom het een blij geklank of gejuich wordt genoemd, Psalm 89:16. Evenzo hebben wij ons te verblijden in de vrijheid, welke wij genieten in en door Christus.
II. Dat zij slaven mochten kopen van de heidense volken, die rondom hen woonden, of van de vreemdelingen, die in hun midden woonden (behalve van de zeven volken, die uitgeroeid moesten worden). Over deze mochten zij heerschappij voeren, hen als erfgoed nalaten aan hun familie, want het jubeljaar deed deze niet vrij uitgaan, vers 44-46. Zo worden in onze Engelse plantages alleen negers als slaven geduld, in hoeverre tot eer van het Christendom waag ik niet te zeggen. Nu was:
1. Dit gezag, hetwelk zij hadden over de slaven, die zij van de naburige volken kochten, ingevolge de zegen van Jakob, Genesis 27:29 :"Volken zullen u dienen."
2. Het was een type van de toebrenging van de heidenen tot de dienst van Christus en Zijn kerk. "Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot" "uw erfdeel," Psalm 2:8. En in Jesaja 61:5 luidt de belofte: "Uitlanders zullen staan en uw kudden weiden, en" "vreemden zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn, " zie Openbaring 2:26, 27. "De oprechten zullen over hen" "heersen in die morgenstond," Psalm 40:15.
3. Het geeft te kennen, dat niemand het nut en voordeel van het Evangeliejubileum zal genieten, dan diegenen, die waarlijk Israëlieten zijn, kinderen Abrahams door het geloof, maar zij, die heidens blijven, blijven slaven. Zie hoe dit op de ongelovige Joden zelf slaat, Galaten 4:25, waar gezegd wordt van Jeruzalem, toen zij Christus had verworpen, dat zij dienstbaar is met haar kinderen. Laat mij hier nog slechts bijvoegen, dat, hoewel hun niet verboden is met strengheid of wreedheid over hun slaven te heersen, de Joodse wetgeleerden echter zeggen: "Het is de eigenschap van de barmhartigheid en de weg van de wijsheid dat de mens medelijdend zal zijn, en zijn juk op geen van zijn dienstknechten zwaar zal maken."
III. Dat zo'n Israëliet zich verkocht aan een rijke proseliet, die in hun midden woonde er zorg gedragen moest worden, dat hij dezelfde voorrechten zal genieten, als die hij zou hebben indien hij zich aan een Israëliet had verkocht, en in sommige opzichten zelfs nog grotere.
1. Dat hij bijvoorbeeld dezelfde voorrechten zou hebben van niet als slaaf te dienen, maar als een dagloner, en dat er geen heerschappij over hem zal gevoerd worden met wreedheid, vers 53, voor uw ogen, hetgeen te kennen geeft, dat de Joodse magistraten zeer bijzonder het oog op hem moesten hebben, en, zo hij mishandeld werd, er kennis van moesten nemen, zijn grieven moesten herstellen al zou ook de verongelijkte dienstknecht zelf geen klacht indienen. Ook moest hij in het jubeljaar vrij uitgaan, vers 54. Hoewel de zonen van vreemdelingen hen in eeuwigheid mochten dienen, mochten de zonen Israëls geen vreemdelingen in eeuwigheid dienen. Evenwel deze dienstknecht, die zich door zijn eigen daad tot een slaaf had gemaakt, moest niet uitgaan in het zevende jaar van de vrijlating, maar alleen in het jubeljaar.
2. Dat hij daarenboven nog dit voorrecht zou hebben, dat hij voor het jubeljaar gelost mocht worden, vers 48, 49. Hij, die zich aan een Israëliet had verkocht, mocht, als hij er ooit toe instaat was, zichzelf lossen, maar zijn bloedverwanten hadden het recht daartoe niet. "Maar als iemand zich aan een vreemdeling had verkocht," zeggen de Joden, "dan werden zijn bloedverwanten aangespoord om hem te lossen, en zo zij het niet deden, dan paste het dat hij op kosten van het algemeen gelost werd", hetgeen wij bevinden geschied te zijn in Nehemia 5:8. De prijs van zijn rantsoen moest berekend worden naar het uitzicht op het jubeljaar, vers 50-52, zoals voor de lossing van land, vers 15, 16. De geleerde bisschop Patrick haalt één van de Joodse rabbijnen aan voor een Evangelische verklaring van deze bepaling, vers 48, één van zijn broeders zal hem lossen. "Deze losser", zegt de rabbi, "is de Messias, de Zoon van David." Zij verwachtten dat deze Messias hun verlosser zou zijn uit hun gevangenschap, en hen wederom zou herstellen in hun land, maar wij heten Hem welkom als de Verlosser, die tot Zion zal komen, en de goddeloosheden zal afwenden van Jakob, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden, en in dit denkbeeld zijn er geweest, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.