Leviticus 22:10-16
1. De heilige dingen moesten gegeten worden door de priesters en hun gezin, dat is door niemand anders dan door de priesters, en die tot hen behoorden. vers 10. Aan de priesters wordt deze zorg opgedragen om de heilige dingen niet te ontheiligen door aan vreemdelingen te vergunnen er van te eten, vers 15, of hen de ongerechtigheid te laten dragen van de schuld, vers 16, dat is hun toe te laten schuld over zich te brengen door zich in te laten met dingen, waartoe zij geen recht hebben. Aldus wordt dit gewoonlijk verstaan. Wij moeten niet slechts zorgzaam zijn om zelf geen ongerechtigheid te dragen, maar ook doen wat wij kunnen om te voorkomen, dat anderen ongerechtigheid dragen. Wij moeten niet alleen geen zonde op onze broeder laten liggen, maar, zo wij het kunnen beletten, moeten wij geen zonde op hem laten komen. Maar er is misschien nog een andere betekenis van deze woorden. Het eten door de priesters van het zondoffer wordt gezegd te betekenen hun dragen van de ongerechtigheid van de vergadering, om over hen verzoening te doen, Hoofdstuk 10:17. Laat dus geen vreemdeling inzonderheid van dat heilige eten, en alzo voorwenden de ongerechtigheid van de schuld te dragen, want het is voor ieder een vermetele aanmatiging om te doen, behalve voor hen, die er toe aangesteld zijn. Zij, die andere middelaars stellen dan Christus, onze Priester, om de ongerechtigheid van de schuld te dragen, beroven Godslasterlijk Christus van Zijn eer en randen Zijn recht aan. Als wij de mensen zeggen, dat zij niet op hun eigen gerechtigheid moeten vertrouwen, noch het moeten wagen om er voor God mee te verschijnen, maar alleen moeten steunen op de gerechtigheid van Christus, teneinde vrede en vergeving te verkrijgen, dan is het omdat wij niet durven hen de ongerechtigheid van de schuld te laten dragen, want wij weten, dat zij te zwaar voor hen is.
2. Hier is een uitlegging van de wet, aantonende wie geacht moeten worden als tot het gezin van een priester te horen en wie niet.
a. Bijwoners en dagloners verbleven niet altijd in het huis, zij waren in het gezin, maar niet van het gezin, en daarom mochten zij van de heilige dingen niet eten, vers 10, maar de dienstknecht, die in het huis geboren of voor geld gekocht was, een erfstuk zijnde in de familie, hoewel slechts een dienstknecht, mocht toch van de heilige dingen eten, vers 11. Alleen diegenen hebben recht op de voorrechten en vertroostingen van Gods huis die het tot hun rust maken tot in eeuwigheid, en besloten zijn er al de dagen van hun leven in te blijven. Maar zij, die slechts voor een tijd geloven, worden beschouwd als slechts bijwoners en huurlingen te zijn, zij hebben deel noch lot in deze zaak.
b. Wat betreft de kinderen van het gezin, omtrent de zonen kon er geen vraag of twist zijn, zij waren zelf priesters, maar ten opzichte van de dochters was er onderscheid. Zolang zij in haars vaders huis verbleven, mochten zij van de heilige dingen eten, maar als zij trouwden met iemand, die geen priester was, dan verloren zij haar recht er op, vers 12, want dan waren zij van het gezin des priesters afgesneden. Maar als de dochter de weduwe van een priester werd, en geen kinderen had, in wie zij een afzonderlijk gezin kon ophouden, en weer tot haars veders huis terugkeerde, huisvrouw noch moeder zijnde dan moest zij als een dochter worden beschouwd, en dan zal zij van de heilige dingen eten. Als zij, die door de leiding van Gods voorzienigheid treurende weduwen zijn geworden, verdreven zijn uit de rustplaats, die zij in het huis van haar echtgenote hebben gehad, maar die rust weervinden in het huis van haar vader dan hebben zij reden om dankbaar te zijn aan de God van de weduwen, die haar niet troosteloos laat. c. Hier wordt een eis gedaan tot schadevergoeding aan hem, die geen recht had om van de heilige dingen te eten, en er toch onbewust van gegeten heeft, vers 14. Indien hij het had gedaan met opgeheven hand in minachting van de Goddelijke inzetting, dan was hij er aan onderhevig om door de hand Gods uitgeroeid te worden en te worden geslagen door de magistraat, maar zo hij het deed uit zwakheid of onnadenkendheid, dan moest hij de waarde teruggeven, met nog een vijfde deel er van, en daarenboven moest hij nog een offer brengen om de schuld te verzoenen, zie Hoofdstuk 5:15, 16.
Van deze wet kon vrijstelling worden verleend in een geval van nood, zoals waarin David en zijn mannen waren, toen zij van de toonbroden hebben gegeten, 1 Samuël 21:6. En onze Heiland rechtvaardigt hen hierin, en geeft er een reden voor, die ons voorziet van een vasten regel voor zulke gevallen, namelijk dat "God barmhartigheid wil, en niet offerande," Mattheus 12:3, 4, 7. Ceremoniëele wetten moeten wijken voor de wet van barmhartigheid en liefde.
Het is een instructie aan Evangeliedienaren, die uitdelers zijn van de verborgenheden Gods om niet allen, zonder onderscheid, toe te laten om van de heilige dingen te eten, maar het kostelijke van het snode uit te trekken. Zij, die ergerlijk onwetend of onheilig zijn, zijn vreemdelingen voor de priesters des Heeren, en het is niet betamelijk om het brood van de kinderen te nemen, om het denzulken te geven. Heilige dingen zijn voor heilige personen, of die het tenminste zijn in belijdenis, Mattheus 7:6.