Leviticus 15:1-18
Wij hebben hier de wet betreffende de ceremoniële onreinheid veroorzaakt door een vloeiing bij mannen. In de kanttekening op vers 2 wordt dit "het vloeien van de lenden" genoemd, een zeer smartelijke en walglijke kwaal, die gewoonlijk:
1. Het gevolg was van wulpsheid en onreinheid, en een ongebonden levenswijze, waardoor het gebeente van de mensen vervuld werd met de zonden van hun jeugd, en hen ten laatste, als de genietingen van hun goddeloosheid voorbij zijn en niets overblijft dan de smart en benauwdheid van een verrot lichaam en een gewonde consciëntie, overlaat om te treuren. En wat vrucht heeft de zondaar dan van die dingen, waarover hij zoveel reden heeft zich te schamen? Gelijk wijsheid een aangenaam toevoegsel geeft aan het hoofd en ketenen aan de hals, zo is kuisheid medicijn voor de navel en een bevochtiging voor de beenderen maar onkuisheid is een plaag en schande, de vertering van het vlees, en een zonde, die dikwijls meer dan iedere andere haar eigen straf met zich brengt.
2. Dat zij soms door de rechtvaardige hand Gods opgelegd werd voor andere zonden, zoals blijkt uit Davids inroepen van een vloek op het geslacht van Joab wegens de moord op Abner, 2 Samuël 3:29. "Daar worde van het ganse huis Joabs niet afgesneden die een vloed hebbe en melaats zij", een boze ziekte voor boze daden.
Al nu wie deze kwaal had was:
a. Zelf onrein, vers 2. Hij moet het niet wagen in het heiligdom te komen, het was op zijn risico als hij het wel deed, ook mocht hij van het heilige niet eten. Dit duidde de vuilheid van de zonde aan en van al de voortbrengselen van onze verdorven natuur, die ons verfoeilijk maakt voor Gods heiligheid en ten enenmale ongeschikt om gemeenschap met Hem te hebben. "Uit een rein hart zijn de uitgangen des levens", Spreuken 4:23, "maar uit een onrein hart komt voort hetgeen verontreinigt", Mattheus 12:34, 35.
b. Hij maakt ieder en alles wat hij aanraakt onrein evenals ieder en alles dat hem aanraakte vers 4-12. Zijn bed en zijn stoel en zijn zadel en alles wat hem behoorde, konden niet aangeraakt worden zonder ceremoniële onreinheid te veroorzaken, waarvan een mens zich bewust moest blijven tot aan zonsondergang, en waarvan hij niet gereinigd kon worden zonder zijn kleren te wassen en zijn lichaam in water te baden. Dit betekende de besmettelijkheid van de zonde, en het gevaar waarin wij verkeren om verontreinigd te worden door de omgang met hen, die onrein zijn, en hoe nodig het ons is, om ons met de uiterste omzichtigheid te behouden van dit verkeerd geslacht.
c. Als hij van de kwaal genezen was, kon hij van de onreinheid toch niet gereinigd worden zonder offerande, waarvoor hij zich door zeven dagen wachten had voor te bereiden, nadat de kwaal volkomen van hem geweken was, en door zich in levend water te baden, vers 13-15. Dit wees op de grote Evangelieplichten van geloof en bekering, en de grote Evangelievoorrechten van de toepassing van Christus' bloed op onze ziel tot onze rechtvaardigmaking, en van Zijn genade tot onze heiligmaking. God heeft beloofd rein water op ons te sprengen en ons van al onze onreinheid te reinigen en ons bevolen om ons te wassen en rein te maken door bekering. Hij heeft ook voorzien in een offer ter verzoening, en wil, dat wij door het geloof deel zullen hebben aan dat offer, want het is het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon dat ons reinigt van alle zonden, en waardoor verzoening voor ons gedaan is, opdat wij toegang mogen hebben tot Gods tegenwoordigheid, en mogen delen in Zijn gunst.