Leviticus 19:30-37
Hier is:
I. Een wet voor de bewaring van de eer van de tijd en de plaats, die aan de dienst van God gewijd zijn, vers 30. Dit zal een middel wezen om hen te beveiligen tegen de afgoderij en het bijgeloof van de heidenen, en voor alle onzedelijkheid van wandel.
1. Sabbaten moeten zij streng en nauwgezet onderhouden, en niet op tijden letten, zoals het laatste lid van vers 26 in de Engelse vertaling luidt: dat is zij moesten niet naar het bijgeloof van de heidenen, de éne tijd gelukkig houden voor het doen van het een of ander, en de andere tijd als onheilspellend beschouwen.
2. Het heiligdom moet geëerbiedigd worden en grote zorg moeten zij hebben om de tabernakel te naderen met de reinheid en voorbereiding, welke door de wet werden vereist om er de dienst bij te wonen met de ootmoed en de betamelijkheid en ernstige aandacht die hun voegde in de tegenwoordigheid van die ontzaglijke majesteit. Hoewel thans door Goddelijke inzetting geen plaats heilig is, zoals de tabernakel en tempel toen waren, legt deze wet ons toch de plicht op om de plechtige vergaderingen van de Christenen ter Godsverering te eren, als gehouden wordende onder de belofte van Christus' bijzondere tegenwoordigheid onder hen, als wij in die vergaderingen de heilige Godsdienstoefeningen bijwonen, Prediker 5:1.
II. Een waarschuwing tegen alle gemeenschap met tovenaars en met hen, die in verbond waren met onreine geesten. "Zoekt ze niet, u met hen verontreinigende, vreest geen kwaad van hen, en hoopt geen goed van hen. Geeft geen acht op hun dreigingen, noch op hun beloften of voorzeggingen, zoekt ze niet om iets door hen te ontdekken, of om raad van hen te vragen, want zo gij dit doet, zijt gij er door verontreinigd, beide voor God en uw eigen geweten." Dat was de zonde, die Sauls ongerechtigheid vervulde, en om welke hij door God werd verworpen, 1 Kronieken 10:13.
III. Een gebod aan jonge lieden om de ouderdom te eren, vers 32. Voor het grijze haar zult gij opstaan. Ouderdom is eerbaar, en Hij, die de Oude van dagen is, eist dat er eer aan bewezen wordt. De grijsheid is een sierlijke kroon. Hen, die door God geëerd werden met de algemene zegen van een lang leven, behoren wij te eren met bijzondere uitdrukkingen van beleefdheid, en zij, die op hoge leeftijd gekomen zijnde wijs en goed zijn, zijn dubbele eer waardig, aan zulke oude lieden zijn wij meer eerbied schuldig dan alleen maar voor hen op te staan. Met hun eer en gerieflijkheid moet te rade gegaan, van hun ervaring en waarneming gebruik gemaakt worden, naar hun raad moet gevraagd en geluisterd worden Job 32:6, 7. Sommigen verstaan onder de oude man, wiens aangezicht of tegenwoordigheid geëerd moet worden, de oudste in het ambt, zoals door het grijze haar de oude van jaren, beide moeten geëerbiedigd worden als vaders, en in de vreze Gods, die op beide eer gelegd heeft. De Godsdienst leert ons goede manieren en verplicht ons hen te eren, aan wie ere toekomt. Het is een voorbeeld van grote ontaarding en wanorde in een land, als de jongeling stout is tegen de oude, de verachte tegen de geëerde, Jesaja 3:5, Job 30:1, 12. Het betaamt de ouden deze eer te ontvangen, en de jongere haar te geven want het is het sieraad, zowel als de plicht van de jeugdige, om zich nederig en eerbiedig te gedragen jegens hun meerderen.
IV. Een bevel aan de Israëlieten om vriendelijke zorg te hebben voor vreemdelingen, vers 33, 34. Beide door Gods wet en Gods voorzienigheid was Israël verwaardigd ver boven ieder ander volk, maar zij moeten hierom niet denken dat dit hen machtigde om geheel het mensdom met hun voeten te vertreden, behalve hen, die van hun eigen volk waren, en hen naar hun believen te beledigen, neen, "gij zult de vreemdeling niet verdrukken, maar gij zult hem liefhebben als uzelf, als één van uw eigen volk." Er wordt verondersteld dat die vreemdeling geen afgodendienaar was maar een aanbidder van de God Israëls, al was hij ook niet besneden, een proseliet van de poort tenminste, al was hij dan ook geen proseliet van de gerechtigheid. Indien zo iemand onder hen woonde, dan moesten zij hem niet verdrukken, hem niet bedriegen of misleiden bij koop en verkoop, hun voordeel doende met zijn onbekendheid met hun wetten en gewoonten, zij moeten het een even grote zonde achten een vreemdeling te bedriegen als een Israëliet te bedriegen. "Zij moeten", zeggen de Joodse wetgeleerden," het hem niet verwijten, dat hij een vreemdeling is en tevoren een afgodendienaar is geweest." God draagt een bijzondere zorg over vreemdelingen evenals over weduwen en wezen omdat het Zijn eer is de hulpelozen te helpen, Psalm 146:9. Het is dus op ons gevaar, zo wij hun onrecht doen of hen met hardheid behandelen. Vreemdelingen zullen welkom zijn aan Gods genade, en daarom moeten wij doen wat wij kunnen om hen tot die genade te nodigen, en de Godsdienst in hun goede mening aan te bevelen. Het toont een edelmoedige gezindheid, en een vroom opzien tot God, als aller Vader, om vriendelijk te zijn voor vreemdelingen, want die van verschillende landen zijn, andere zeden en gewoonten hebben, een andere taal spreken, zijn toch allen uit één bloed gemaakt. Maar hier wordt er voor de Joden inzonderheid nog een reden bijgevoegd: "want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland." God heeft u toen begunstigd, daarom moet gij nu aan vreemdelingen gunst betonen, en hun doen wat gij toen gewenst hebt dat u gedaan zou worden. Gij waart vreemdelingen, en toch zijt gij nu zo hoog bevorderd, en daarom weet gij niet waartoe deze vreemdelingen nog komen kunnen, die gij geneigd zijt te verachten."
V. Er wordt hier rechtvaardigheid geboden in maten en gewichten. Dat zij niet bedrieglijk moeten zijn, vers 35. Dat zij zeer nauwkeurig moeten zijn, vers 36. Door wegen en meten geven wij te kennen, om aan allen, met wie wij zaken doen, het hun te geven, maar indien de maten en gewichten vals zijn, dan is dit als een verderven van het recht, het is bedrog, onder schijn van recht, zodat het een bedriegen is tot iemands nadeel, en dat is nog erger dan iemands zakken te rollen, of hem op de weg te beroven. De verkoper is verplicht de waar, die hij verkoopt, ten volle te geven, en de koper is verplicht om de volle prijs te betalen van hetgeen hij koopt, hetgeen niet geschieden kan, zo er geen betrouwbare weegschaal, maten en gewichten zijn. Dat niemand zijn broeder vertrede, noch bedriege in zijn handeling, want hoewel dit verborgen is voor de mens, zal toch bevonden worden dat God een wreker is over dit alles.
Eindelijk. Het hoofdstuk besluit met een algemeen gebod, vers 37. Gij zult al Mijn inzettingen en al Mijn rechten onderhouden, en zult ze doen. Wij zullen Gods inzettingen waarschijnlijk niet doen, tenzij wij ze nauwkeurig en met zorg onderhouden of waarnemen. Maar het is niet genoeg Gods inzettingen alleen maar waar te nemen, wij moeten er een gewetenszaak van maken ze te gehoorzamen. Wat zal het ons baten stipt en nauwkeurig te zijn in onze begrippen indien wij niet nauwgezet zijn in onze wandel? Een oprecht hart merkt op al Gods geboden. Psalm 119:6. Hoewel de hand menigmaal faalt in het doen van hetgeen gedaan moest worden, merkt toch het oog op al Gods inzettingen. Het is ons niet geoorloofd te kiezen welke plichten wij willen doen, wij moeten staan volmaakt en volkomen in al de wil van God.