1 Kronieken 10:8-14
1. Uit de triomf van de Filistijnen over het lichaam van Saul kunnen wij leren:
a. Dat hoe hoger de waardigheid is, waartoe de mensen bevorderd worden, hoe groter de smaad en schande is, waartoe zij kunnen vervallen. Omdat Saul een koning was, werd zijn dood lichaam meer mishandeld dan dat van de andere verslagenen. Bevordering maakt de mensen tot een doelwit voor boosaardigheid.
b. Dat zo wij Gode de eer niet geven van onze voorspoed, zelfs de Filistijnen in het gericht tegens ons zullen opstaan en ons zullen veroordelen, want toen zij een overwinning hadden behaald over Saul, zonden zij om dit te boodschappen aan hen afgoden. Arme afgoden, die niet wisten, wat er op enige mijlen afstands voorviel, voordat er hun de tijding van gebracht werd, en toen ook evenmin! Zij legden ook Sauls wapenen in het huis huns gods, vers 10. Zal Dagon zo groot een plaats hebben in hun triomf, en de ware en levende God vergeten worden in de onze?
2. Uit de triomf van de mannen van Jabes in Gilead in hun reading van de dode lichamen van Saul en zijn zonen leren wij, dat men eerbied verschuldigd is aan de overblijfselen van hen, die gestorven zijn, inzonderheid aan die van overleden vorsten. Wij hebben niet te vragen naar hun eeuwigen staat, dat moet aan God worden overgelaten, maar het dode lichaam moeten wij behandelen als degenen, die gedenken dat het met een onsterflijke ziel was verenigd en weer verenigd moet worden.
3. Uit de triomf van de Goddelijke gerechtigheid over Saul kunnen wij leren:
a. Dat de zonde van de zondaren hen gewis vroeg of laat vinden zal, Saul is gestorven om zijn misdaden, vers 13.
b. Dat niemands grootheid hem kan vrijwaren tegen de oordelen Gods.
c. Dat ongehoorzaamheid een verderflijke zonde is. Saul stierf omdat hij het woord des Heeren niet gehouden heeft, door hetwelk hem bevolen was de Amalekieten uit te roeien. Het raadplegen van waarzegsters is een zonde, die de mate van de ongerechtigheid even spoedig vult als iedere andere. Saul had een gevraagd, die een waarzegster was.
En de Heere heeft hij niet gevraagd, daarom doodde Hij hem, vers 13, 14. Saul heeft zichzelf gedood, en toch wordt gezegd: God doodde hem. Wat door goddeloze handen gedaan wordt, wordt toch gedaan door de bepaalde raad en voorkennis Gods. Zij, die zich overgeven aan de duivel, zullen aan hem overgelaten worden, zo zal hun oordeel wezen.
In 1 Samuël 28:6 wordt gezegd dat Saul de Heere vraagde, maar de Heere antwoordde hem niet, maar hier wordt gezegd dat hij de Heere niet vraagde, want hij deed het niet voordat hij tot het uiterste was gebracht, en toen was het te laat.