Leviticus 9:1-7
Hier worden bevelen geven voor nog een plechtigheid op de achtste dag, want de pas gewijde priesters werden, nadat de dagen van hun wijding voltooid waren, terstond aan het werk gezet, om hun te doen weten dat zij niet gewijd waren om lui en ledig te zijn. Zo iemand tot een opzienersambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk, dat met meer lust en verlangen beschouwd moet worden dan de eer en het voordeel er van. Aan de priesters werd geen enkele dag verlof gegeven van de dienst, om zich te vermaken en de gelukwensen van hun vrienden met hun bevordering in ontvangst te nemen, maar reeds de volgende dag werden zij druk aan het werk gezet, want hun wijding was het vullen van hun handen. Voor Gods geestelijke priesters is voortdurend werk bereid, naar de plicht van elke dag het vereist, en zij, die met vreugde hun rekenschap wensen af te leggen, moeten de tijd uitkopen, zie Ezechiël 43:26, 27.
1. Mozes wekt verwachting bij hen van een heerlijke verschijning van God aan hen op deze dag, vers 4. Heden zal de Heere u verschijnen, dat is: aan u, die priesters zijn. En als de gehele vergadering samengeroepen is, en voor het aangezicht van de Heere staat, zegt hij hun vers 6, de heerlijkheid van de Heere zal u verschijnen. Ofschoon zij, volgens de algemene verzekering, die ons gegeven is, dat Hij een beloner is dergenen, die Hem zoeken, reden genoeg hadden om te geloven in Gods welgevallen aan al hetgeen zij naar Zijn wil en voorschrift gedaan hadden (al had Hij er hun geen zichtbaar teken van gegeven) is toch, opdat zij en de hunnen krachtdadig verplicht en gehouden zouden zijn tot de dienst en de aanbidding Gods en zich nooit zouden afwenden tot de afgoden, de heerlijkheid Gods hun verschenen, en heeft Hij hun een zichtbaar teken gegeven van Zijn goedkeuring van hetgeen zij gedaan hadden. Thans hebben wij zodanige verschijningen niet te verwachten, wij, Christenen, wandelen meer door geloof, en minder door aanschouwen, dan zij gedaan hebben. Maar wij kunnen er van verzekerd zijn, dat God nadert tot hen, die tot Hem naderen en dat de offeranden van geloof Hem wezenlijk welbehaaglijk zijn, ofschoon, daar die offeranden geestelijk zijn, de tekenen van Zijn welbehagen ook geestelijk zijn. Aan hen, die wezenlijk Gode gewijd zijn, zal Hij zich ongetwijfeld openbaren.
2. Hij bereidde beide priesters en volk voor om de gunst te ontvangen, die God hun wilde verlenen. Aaron en zijn zonen benevens de oudsten Israëls worden opgeroepen, vers 1. God zal zich openbaren in de plechtige vergaderingen van Zijn volk en van Zijn dienstknechten en zij, die de vertroosting en het voordeel willen genieten van Gods verschijningen, moeten die vergaderingen bijwonen.
a. Aan Aaron wordt bevolen om zijn offeranden te bereiden vers 2. Een kalf, een jong rund, ten zondoffer. De Joodse schrijvers opperen de mening, dat een kalf was voorgeschreven ten zondoffer, om hem te doen gedenken aan zijn zonde in het maken van het gouden kalf, waardoor hij zich voor altijd de eer van het priesterschap onwaardig had gemaakt, en waaraan hij alle reden had om met schaamte en droefheid te denken bij al de verzoening, die hij deed.
b. Aaron moet het volk bevelen het hun gereed te maken. Tot nu toe had Mozes aan het volk gezegd wat zij moesten doen, maar nu moet Aaron, als de hogepriester over het huis Gods, hun leraar zijn in de dingen, die bij God te doen zijn. Spreekt tot de kinderen Israëls, vers 3. Nu hij voor hen tot God moest spreken in de offers, (welke taal wel verstaan werd door Hem, die ze voorgeschreven had) moet hij van God tot hen spreken in de wetten op de offers. Aldus wilde Mozes hem de eerbied en de gehoorzaamheid van het volk verzekeren, als die hen voorstander was in de Heere, om hen te vermanen. c. Aaron moet eerst zijn offerande offeren, en daarna die van het volk, vers 7. Aaron moet nu tot het altaar naderen, daar Mozes hem getoond had hoe hij moest naderen, en daar moet hij:
a.a. Voor zich verzoening doen, want daar de hogepriester met zwakheid omvangen is, moet hij, gelijk voor het volk, alzo ook voor zichzelf offeren voor de zonden, Hebreeën 5:2, 3, en voor zichzelf het eerst, want hoe kunnen wij verwachten in onze gebeden voor anderen welbehaaglijk te zijn, als wij zelf niet met God verzoend zijn? Ook is voor God generlei dienst welbehaaglijk voordat de schuld weggenomen is door ons deel in de grote verzoening. Zij, die de zorg hebben over de zielen van anderen, moeten hier ook uit leren, in de eerste plaats wèl acht te geven op hun eigen ziel. Deze liefdadigheid moet bij onszelf beginnen, hoewel zij er niet mag eindigen. Het is de opdracht aan Timotheus: acht te hebben op zichzelf, eerst zichzelf te behouden en dan hen, die hem horen 1 Timotheus 4:16. De hogepriester deed verzoening voor zichzelf, als behorende tot de zondaars maar wij hebben een Hogepriester, die afgescheiden was van de zondaren, en het niet behoefde. Toen Messias, de Vorst, uitgeroeid werd als een offer, was het niet voor Hemzelf, want Hij heeft geen zonde gekend.
b.b. Hij moet verzoening doen voor het volk door hun offeranden te offeren. Nu hij tot hogepriester was gemaakt, moet hij de belangen van het volk op het hart dragen, en wel als hun groot belang: hun verzoening met God en het wegnemen van de zonde, die tussen hen en God scheiding had gemaakt. Hij moet verzoening doen gelijk als de Heere geboden heeft. Zie hier de wondervolle neerbuigende genade Gods, dat Hij niet slechts vergunt dat er verzoening gedaan wordt, maar het gebiedt, niet slechts toelaat dat wij met Hem verzoend zijn, maar het eist. Er is dus geen plaats gelaten voor twijfel of de verzoening, die geboden is, wel aangenomen zal worden.