Leviticus 16:20-28
Nadat de hogepriester de Heere de zoenoffers had voorgesteld door het sprengen van hun bloed, waarvan hij het overige waarschijnlijk aan de voet van het altaar heeft uitgestort, gaat hij nu:
1. Met zijn beide handen op het hoofd van de weggaanden bok Israëls zonde belijden, vers 20, 21, en telkenmale als handen gelegd werden op het hoofd van een offer, ging dit altijd gepaard met belijdenis naar dat de aard van het offer was, en dit een zondoffer zijnde, moet het een belijdenis zijn van zonde. In de latere en meer ontaarde tijden van de Joodse kerk hadden zij een bepaald formulier van belijdenis voor de hogepriester, maar God heeft er hier geen voorgeschreven, want er werd verondersteld, dat de hogepriester zó wel bekend was met de toestand van het volk en dat hij zo'n tere zorg voor hen droeg, dat hij geen formulier nodig had. De belijdenis moet zo omstandig zijn als hij haar maken kon, niet alleen al de ongerechtigheden van de kinderen Israëls belijden, maar ook al hun overtredingen. In een zonde kunnen vele ongerechtigheden zijn vanwege allerlei verzwarende omstandigheden, waarmee zij gepaard ging, en in onze belijdenis behoren wij daar nota van te nemen, en niet slechts te zeggen: Ik heb gezondigd, maar met Achan: "Zo en zo heb ik gedaan." Door deze belijdenis zal hij de zonden van Israël op het kop van de bok leggen, dat is: hij moest in geloof en gehoorzaamheid aan de Goddelijke instelling, waardoor zo'n in-de-plaats-stelling bepaald was, de straf van de zondaar overdragen op het offer, hetgeen slechts scherts, ja een belediging van God zou geweest zijn, indien Hij zelf het niet verordineerd had.
2. Dan moest de bok terstond door een daartoe bekwaam man, die men daartoe verkozen had, weggezonden worden naar een woestijn, een afgezonderd of onbewoond land, en God vergunde hun er de betekenis in te zien, dat het wegzenden van de bok het weg doen was van hun zonden door een vrije en volkomen vergeving, vers 22. Het zal al hun ongerechtigheden wegdragen. Het loslaten van de bok was hun een teken, dat de ongerechtigheid van Israël gezocht zal worden, maar er niet zijn zal en de zonden van Juda, maar niet gevonden zullen worden, Jeremia 50:20. De latere Joden plachten een lapje van scharlaken stof aan de hoornen van de bok te bevestigen, en een ander aan de poort van de tempel, of aan de top van een rots waar de bok was losgelaten en als die lap dan wit werd, zoals zij dit gewoonlijk zagen geschieden dan was dit voor hen een teken, dat Israels zonden vergeven waren, gelijk geschreven is: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. En zij voegen er bij, dat gedurende veertig jaren vóór de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen, de scharlaken stof in het geheel niet van kleur veranderde, hetgeen een openhartige belijdenis is, dat zij, het wezen hebbende verworpen, van het type, de afschaduwing, geen nut meer hadden.
3. De hogepriester moest dan zijn linnen klederen in de tabernakel afleggen, en ze daar laten, de Joden zeggen: om daarna nooit meer door hemzelf of door iemand anders gedragen te worden, want zij maakten ieder jaar nieuwe, en hij moet zich in water baden zijn kostbare klederen aandoen, om dan zijn eigen en de brandoffers van het volk te offeren, vers 23, 24. Als wij de vertroosting smaken van onze vergeving, dan moet er Gode de eer voor worden toegebracht. Als wij het voordeel hebben van het zoenoffer, dan moeten wij niet ongaarne het offer van de dankerkentenis brengen. En het verbranden van het vet van het zondoffer schijnt tot dat ogenblik verschoven te zijn, vers 25, opdat het tegelijk met de brandoffers verteerd zou worden. 4. Het vlees van deze beide zondoffers, waarvan het bloed binnen de voorhang was gebracht, moest geheel verbrand worden, niet op het altaar, maar op een afstand buiten het leger, om aan te duiden beide ons wegdoen van de zonde door oprecht berouw en bekering en de Geest van de uitbranding, en Gods wegdoen er vandoor een volkomen kwijtschelding, zodat zij nimmer in het gericht tegen ons zal opstaan.
5. Hij, die de weggaande bok naar de woestijn bracht, en zij, die het zondoffer verbrandden, moesten beschouwd worden als ceremoniëel onrein, en zij mochten niet in het leger komen, vóór zij hun klederen hadden gewassen, en hun vlees in water hadden gebaad. Hetgeen de verontreinigende natuur aanduidde van de zonde, zelfs het offer, dat slechts tot zonde was gemaakt, was verontreinigend, alsmede de onvolkomenheid van de wettische offeranden, zó weinig hebben zij de zonde weggenomen, dat zij zelfs een smet achterlieten op hen, die ze aanraakten.
Eindelijk. Nadat dit alles geschied was ging de priester opnieuw in het heilige der heiligen, om zijn wierookvat te halen, en dan keerde hij met blijdschap terug naar zijn eigen huis, omdat hij zijn plicht gedaan had, en niet gestorven was.