Leviticus 16:15-19
Als de priester naar buiten kwam van het sprengen van het bloed van de var voor het verzoendeksel:
1. Dan moest hij vervolgens de geitebok slachten, die het zondoffer van het volk was, vers 15, en voor de derde maal in het heilige van de heiligen gaan om er het bloed van de geitenbok te sprengen, zoals hij er het bloed van de var gesprengd heeft, en aldus moest hij verzoening doen voor het heilige, vers 16, dat is: naardien het volk door zijn zonde God tot toorn had verwekt, zodat Hij de tekenen van Zijn gunstrijke tegenwoordigheid zou kunnen wegnemen, en zelfs die heilige plaats ongeschikt had gemaakt voor de woning van een heiligen God, werd hierdoor nu verzoening gedaan voor de zonde, opdat God, verzoend zijnde met hen, onder hen zou blijven wonen.
2. Daarna moest hij hetzelfde doen voor het uitwendige deel van de tabernakel, wat hij voor het inwendige er van gedaan heeft, door eerst het bloed van de var te sprengen, en dan dat van de bok, buiten de voorhang, daar, waar de tafel en het reukaltaar stonden, telkens zeven maal, zoals tevoren. De reden, die er voor aangeduid wordt, is dat de tent van de samenkomst met hen woont in het midden van hun onreinigheden, vers 16. Hiermede wilde God hun tonen hoe hun hart het nodig had om gereinigd te worden, als zelfs de tabernakel, alleen maar omdat hij in het midden stond van zo'n onrein en zondig volk, deze verzoening nodig had, en ook, dat er zelfs in hun Godsdienstige handelingen veel verkeerds was, waarvoor het nodig was verzoening te doen. Gedurende deze plechtigheid mocht geen van de mindere priesters in de tabernakel komen, vers 17, maar door buiten te staan zich onwaardig erkennen en ongeschikt om er te dienen, vanwege hun dwaasheden en gebreken en menigvuldige onreinheden in hun bediening, die deze verzoening van de tabernakel nodig hadden gemaakt.
3. Dan moet hij van het bloed van de var en van de bok, door elkaar gemengd op de hoornen van het altaar doen dat voor het aangezicht des Heeren is, vers 18, 19. Het is zeker, dat het het reukaltaar was, waarop dit bloed gedaan werd, want aldus is het uitdrukkelijk geboden, Exodus 30:10, maar sommigen denken dat dit de hogepriester naar het brandofferaltaar verwijst, want ook dat wordt hier het altaar voor het aangezicht des Heeren genoemd, vers 12, omdat hij gezegd wordt er naar uit te gaan, en omdat men kan veronderstellen, dat ook dit verzoening nodig had, want daarop werden al de gaven en offeranden van de kinderen Israëls gebracht, van wier onreinheid het altaar hier gezegd wordt geheiligd te worden.