Leviticus 11:20-42
1. Hier is de wet over vliegende insecten, zoals vliegen, wespen, bijen, enz. Deze mochten zij niet eten, vers 20, en zij zijn inderdaad ook niet geschikt om gegeten te worden, maar er waren verscheidene soorten van sprinkhanen, welke in die landen goed tot spijs waren, en ook veel als zodanig gebruikt werden, Johannes de Doper leefde er van in de woestijn, en hier worden zij hun ook tot spijze veroorloofd, vers 21, 22.
2. Wat betreft de dieren, die op aarde kruipen, die alle waren hun verboden, vers 29,30, en wederom in vers 40, 42, want het was de vloek over de slang, dat zij op haar buik gaan zou, en daarom was er tussen haar en de mens vijandschap gesteld, Genesis 3:15, welke door deze wet in stand werd gehouden. Stof is de spijs van kruipende dieren, en daarom zijn zij niet geschikt tot spijs voor de mens.
3. Betreffende het dood aas van al deze onreine dieren.
a. Ieder die ze aanraakte moest onrein zijn tot aan de avond, vers 21-28. Deze wet wordt dikwijls herhaald, teneinde hun vrees in te boezemen voor alles wat verboden was, hoewel geen bijzondere reden voor het verbod gegeven wordt, dan alleen de wil van de wetgever. Niet dat zij beschouwd moesten worden als verontreinigende het geweten, of dat het zonde was tegen God om ze aan te raken-tenzij dit gedaan werd in minachting van de wet. In sommige gevallen moest iemand ze noodzakelijkerwijs wel aanraken, om ze te verwijderen maar het was een ceremoniële onreinheid die zij er door opdeden, en die hen voor het ogenblik verbood in de tabernakel te komen, of iets van het heilige te eten, of zelfs om gemeenzaam met hun naburen te spreken of om te gaan. Maar die onreinheid duurde slechts tot aan de avond, om te kennen te geven dat alle ceremoniële verontreiniging aan de avond van de wereld door de dood van Christus tot een einde zou komen. En wij moeten leren door dagelijks aan de avond onze bekering te vernieuwen en ons berouw over de zonde van de dag, ons te reinigen van de besmetting die wij er van opgedaan hebben, zodat wij niet in onze onreinheid neerliggen. Zelfs onreine dieren mochten zij aanraken, als zij nog leefden, zonder er ceremoniële verontreiniging door op te doen, zoals paarden en honden, omdat het hun vergund was ze voor werk te gebruiken, maar zij mochten ze niet aanraken als zij dood waren, omdat zij hun vlees niet mochten eten, en wat niet mag gegeten worden, mag niet worden aangeraakt, Genesis 3:3.
b. Zelfs de vaten en andere voorwerpen, waarop zij vielen, werden er onrein door tot aan de avond, vers 32, en als het een aarden vat was, moest het gebroken worden, vers 33. Dit leerde hun zelfs in hun gewone, dagelijkse bezigheden alles te vermijden wat verontreinigend was. Niet slechts de vaten van het heiligdom, maar al de potten in Jeruzalem en Juda, moesten de Heere van de heirscharen heilig zijn, Zacheria 14:20, 21. De wetten voor deze gevallen waren zeer netelig en het nakomen er van moet wel zeer moeilijk geweest zijn, als elk voorwerp, waarop een dode muis, of rat valt, onrein moet wezen. Indien het een oven was, of een inrichting voor potten en pannen, dan moesten zij alle afgebroken worden, vers 35. De uitzonderingen zijn ook zeer nauwkeurig en moeilijk, vers 36, enz. Dit alles was bedoeld om hen te oefenen en op te leiden tot voortdurende zorg en stiptheid in hun gehoorzaamheid, en ons die door Christus bevrijd zijn van al die lastige voorschriften, te leren, niet minder omzichtig te zijn in de gewichtiger zaken van de wet. Wij behoren even naarstig en oplettend te zijn om onze kostelijke ziel te bewaren voor de besmetting van de zonde, en even vaardig om haar er van te reinigen, indien zij er door besmet is, als zij waren, om hun lichaam en hun huisraad te bewaren voor, en te reinigen van de verontreiniging naar de ceremoniële wet.