Klaagliederen 4:1-12
De elegie in dit hoofdstuk begint met een klacht over de droeve en treurige veranderingen, die de oordelen Gods in Jeruzalem bewerkt hadden. De stad, die vroeger van goud, van het fijnste goud, zo rijk en prachtig, volkomen van schoonheid, en de vreugde van de gehele aarde was, is dof geworden, is veranderd, heeft haar luister verloren, heeft haar waarde verloren, is niet meer wat het geweest is, zij is schuim geworden. Helaas, welk een verandering is hier!
I. De tempel, die de heerlijkheid van Jeruzalem en zijn bescherming was, lag in puinhopen. Hij is in de hand des vijands gegeven. En sommigen menen, dat het goud, waarvan gesproken wordt, vers 1, het goud van de tempel was, het gesloten goud, waarmee het huis van binnen bekleed was, 1 Koningen 6:21, toen de tempel verbrand werd, werd het goud er van berookt en bezoedeld, alsof het geen waarde had. Het werd bij de rommel geworpen, het was veranderd, voor dagelijks gebruik bestemd, en niemand hechtte er meer aan. De stenen des heiligdoms, die eigenaardig bewerkt waren, werden door de Chaldeën neergeworpen, toen zij het afbraken, of werden door de kracht van het vuur van hun plaats geworpen, en verworpen, en rondgestrooid vooraan op alle straten, zij lagen zonder onderscheid, met de andere puinhopen vermengd. Als de God des heiligdoms door zonde getergd was Zich terug te trekken, dan is het geen wonder, dat de stenen des heiligdoms aldus ontheiligd werden.
II. De vorsten en priesters, die in bijzondere zin kinderen Zions waren, werden vertreden en mishandeld, vers 2. Beide, het huis van God en het huis van David, waren in Zion. De kinderen van beide deze huizen waren in dit opzicht kostelijk, dat zij erfgenamen waren van deze beide verbonden, dat des priesterschaps en dat des koninkrijks. Zij waren tegen fijn goud geschat. Maar nu zijn zij gelijk gerekend aan de aarden flessen, zij zijn gebroken als aarden flessen, weggeworpen als een vat, waaraan men genen lust heeft. Zij zijn arm geworden, in gevangenschap gevoerd en daardoor min en verachtelijk geworden, en iedereen vertreedt hen en lacht over hen. De verachting van Gods volk moet voor ons een oorzaak tot klachte zijn.
III. Kleine kinderen stierven bij gebrek aan brood en water, vers 3, 4. De moeders, die zelf niet te eten hadden, hadden ook geen melk voor de zuigelingen aan haar borst, zodat zij, hoewel hun hart werkelijk medelijden had, naar de uiterlijke schijn hardvochtig waren, als de struisvogel in de woestijn, die haar eieren in de aarde laat, Job 39:16, 17, daar zij geen voedsel voor haar kinderen hadden, waren zij wel gedwongen hen zonder te laten, en haar best te doen ze te vergeten, omdat het pijnlijk voor haar was aan hen te denken, terwijl zij niets voor hen hadden, hierin stonden zij achter bij de zeehonden, of zeemonsters, of walvissen, of zeekalveren, want die laten de borsten neer, en zogen haar welpen, wat de dochter mijns volks niet doet. Kinderen kunnen niet voor zichzelf zorgen, zoals volwassenen, en daarom was het te pijnlijker om aan te zien, hoe de tong van het zoogkind aan zijn gehemelte kleeft van dorst, omdat er geen droppel water was om het te bevochtigen, en kleine kinderen, die nauwelijks spreken konden, brood te horen eisen van hun ouders, die ze niets konden geven, en het ook niet konden krijgen van een van hun vrienden. Zo treurig als zij dit alles vinden, zo dankbaar behoren wij te zijn voor de overvloed, waarin wij ons verheugen kunnen, en het voldoende voedsel, dat wij voor ons zelf en onze kinderen, en die van ons huis hebben.
IV. Personen van aanzien waren tot de bedelstaf gebracht, vers 5. Die van goede geboorte en wel opgevoed waren, en aan het beste gewoon, beide van voedsel en kleding, die lekkernijen aten, die alles hadden, wat fijn en lekker is (zij noemen dat: goed eten, maar alleen zij eten goed, die ter ere Gods eten) en iedere dag vrolijk en prachtig leefden, zij waren niet alleen met karmozijn bekleed, maar zij waren er ook in groot gebracht en hadden nooit kennis gemaakt met wat gemeen of alledaags was. Zij waren groot gebracht op karmozijn, zo staat er, hun beenbekleding, en de tapijten, waarop zij liepen, waren karmozijn, toch versmachten zij op de straten, van alles beroofd, zij hebben geen dak boven hun hoofd, geen bed om op te slapen, geen klederen om aan te trekken, geen vuur om hen te verwarmen. Zij omhelzen de drek, zij waren al blij, als zij daarin konden liggen om te rusten, en wroeten er misschien in om iets eetbaars te vinden, zoals de verloren zoon, die zijn buik begeerde te vullen met de draf van de zwijnen. Die in de grootste pracht en overvloed leven, weten niet hoe benauwd zij het nog kunnen krijgen voordat zij sterven, zoals soms "de nooddruftige uit de drek verhoogd wordt", Psalm 113:7, zo zijn er voorbeelden van rijken, die tot de drek afgedaald zijn. "Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood," 1 Samuël 2:5. Daarom is het wijs van hen, die overvloed hebben zich niet al te zeer te verwennen, want dan zullen de tegenspoeden dubbel zwaar zijn, als zij komen, Deuteronomium 28:56.
V. Personen, uitnemend om hun waardigheid ja, misschien om hun heiligheid, deelden met anderen in het algemene onheil, vers 7, 8. Haar bijzondersten waren volkomen veranderd. Sommigen verstaan dit als van degenen, die eer ontvingen, de jonge edelen, die zeer rein, en net, en welgekleed waren, gewassen en geparfumeerd, maar ik zie niet in, waarom wij het niet zouden toepassen op die gewijden onder hen, die zich de Heere afzonderden door de gelofte eens Nazireërs, Numeri 6:2. Dat er onder hen waren, zelfs in de meest ontaarde tijden blijkt uit Amos 2:11 :"Ik heb sommigen uit uw jongelingen tot Nazireërs verwekt." Hoewel deze Nazireërs hun haar niet mochten scheren, toch waren zij, vanwege hun sober dieet, hun veelvuldige wassingen en in `t bijzonder om het vermaak, waarmee zij zich aan God wijdden en met Hem spraken, wat hun aangezichten deed schijnen als dat van Mozes, reiner dan sneeuw en witter dan melk, daar zij geen wijn noch sterken drank dronken, hadden zij een gezonder uiterlijk en vrolijker gelaat dan hen, die zich dagelijks onthaalden op druivebloed, zoals Daniël en zijn makkers van het gezaaide en water. Het kan ook de grote achting en verering betekenen, die het volk voor hen had, hoewel zij misschien voor het oog "geen gedaante noch heerlijkheid" hadden, maar, daar zij de Heere afgezonderd waren, werden zij geschat alsof zij "roder dan robijnen en gladder dan een saffier waren. Maar nu is hun gedaante verduisterd, verdorven", zoals in Jesaja 52:14 van Christus gezegd wordt, "zij is verduisterd van zwartigheid, " zij zien er ellendig uit, ten dele van de honger, ten dele door smart en radeloosheid. "Men kent ze niet op de straten," die hen achtten, letten nu niet meer op hen, en die hun vertrouwde kennissen waren, kennen hen nu ternauwernood meer, zozeer was hun uiterlijk veranderd, door de ellende, die door de lange duur van het beleg veroorzaakt werd. Hun huid kleeft aan hun beenderen, daar het vlees verteerd en vergaan is, zij is verdord, zij is geworden als een stuk hout, zo droog en hard als een stok. Het is iets betreurenswaardig, dat ook zij, die Gode afgezonderd zijn, toch bij de komst van de oordelen, dikwijls meegesleept worden met de anderen in het algemene onheil.
Vl. Jeruzalem kwam langzaam omlaag, en had een lange doodsstrijd, want de honger bracht meer tot haar verwoesting bij dan enig ander oordeel. In dit opzicht was de verwoesting van Jeruzalem groter dan die van Sodom, vers 6, want dat was als in een ogenblik omgekeerd, een enkele regen van vuur en zwavel deed het verdwijnen, "geen handen hadden daarover arbeid, het had geen lang beleg te verduren, zoals Jeruzalem het viel onmiddellijk in de hand des Heeren, die met een slag doodt, en viel niet in de hand van mensen, die, daar zij zwak zijn, lang werk hebben met hun strafgerichten", Richteren 8:21. Jeruzalem ligt vele maanden lang op de pijnbank, in pijn en ellende, en sterft als `t ware bij stukjes en beetjes, zodat zij voelt, dat zij sterft. En, als de ongerechtigheid van Jeruzalem zwaarder is dan die van Sodom, dan is het geen wonder, dat de straf het evenzeer is. Sodom bezat nooit de genademiddelen, die Jeruzalem had, de woorden van God en Zijn profeten, en daarom zal het oordeel van Jeruzalem onverdragelijker zijn dan dat van Sodom, Mattheus 11:23, 24. Hoe vreselijk de honger was, blijkt uit de twee volgende voorbeelden:
1. De pijnlijke dood, die er door veroorzaakt werd, vers 9, velen werden gedood door de honger, stierven de hongerdood, daar hun voorraden uitgeput en de publieke voorraadschuren zo goed als uitgeput waren, zodat zij daaruit niet geholpen kunnen worden. Zij waren als doorstoken, omdat er geen vruchten van de velden waren, zij, die verhongerden, waren even zeker van hun dood, als die doorstoken en gedood waren, alleen was hun lot vreselijker. "De verslagenen van het zwaard zijn spoedig van pijn verlost, in een ogenblik dalen zij in het graf," Job 21:13. Zij hebben niet het ongeluk te zien, hoe de dood hen nadert en voelen het nauwelijks als de slag gegeven wordt, een korte doodsstrijd en alles is afgelopen. En als wij gereed zijn voor de andere wereld, behoeven wij zo'n korten overgang niet te vrezen, hoe vlugger hoe beter. Maar die van honger sterven, vergaan van de pijn, de honger vernietigt hun geestkracht en doodt hen trapsgewijze, hij knaagt aan hun moed en is een altijddurende kwelling, hij is een even grote marteling voor de geest als voor het lichaam. "Het zijn banden tot de dood," Psalm 13:4.
2. De barbaarse moorden, waartoe hij aanleiding gaf, vers 10. De handen van de barmhartige vrouwen hebben haar kinderen eerst gedood en dan gekookt. Deze klacht komt reeds vroeger voor, Hoofdstuk 2:20, en het was grotelijks te betreuren, dat iemand zo goddeloos kon zijn, om dat te doen en dat zij tot zo'n uiterste gebracht werden, dat zij er toe verleid werden. Maar met dit schrikkelijk gevolg van langdurige belegeringen was in `t algemeen gedreigd in Leviticus 26:29 en Deuteronomium 28:53, en in `t bijzonder tegen Jeruzalem gedurende het beleg van de Chaldeën, Jeremia 19:9, Ezechiël 5:10. Het geval was treurig genoeg, dat zij niets hadden om hun kinderen mee te voeden, vers 4, maar nog veel erger was het, dat zij het over hun hart konden krijgen zichzelf met hun kinderen te voeden. Ik weet niet of ik het een voorbeeld van de macht van de noodzakelijkheid moet noemen, of van de macht van de ongerechtigheid, maar evenals de heidense afgodendienaars rechtvaardiglijk werden "overgegeven tot onterende bewegingen," Romeinen 1:26, zo werden deze Joodse afgodendienaars, en de vrouwen in `t bijzonder, die koeken hadden gemaakt voor Melecheth des hemels, en het haar kinderen geleerd hadden, beroofd van haar natuurlijke liefde, en dat jegens hun eigen kinderen. Dat zij aldus werden overgegeven om haar eigen natuur schande aan te doen, was een rechtvaardig oordeel over haar, om de schande, die zij God hadden aangedaan.
VII. Jeruzalem daalt volkomen en wonderbaarlijk omlaag.
1. De verwoesting van Jeruzalem is een volkomen verwoesting, vers 11. De Heere heeft Zijn grimmigheid volbracht, Hij heeft het werk niet ten halve gedaan, Hij heeft alles uitgevoerd, wat Hij in Zijn toorn tegen Jeruzalem Zich voorgenomen had, en heeft geen enkel deel van het vonnis onuitgevoerd gelaten. Hij heeft de fiolen van Zijn grimmigheid uitgestort, Hij heeft ze tot de bodem geleegd, zelfs het grondsop. Hij heeft te Zion een vuur aangestoken, dat niet alleen de huizen verteerd en ze met de grond gelijk gemaakt heeft, maar, wat andere vuren niet doen, het heeft ook haar fundamenten verteerd, alsof er niet meer op gebouwd mocht worden.
2. Het was een wonderbare verwoesting, vers 12. Het was een verrassing voor de koningen van de aarde, die bekend zijn met en zich op de hoogte houden van de toestand hunner naburen, ja, dat was het voor alle inwoners van de wereld, die Jeruzalem kenden, of er ooit van gehoord of gelezen hadden, zij zouden het niet geloofd hebben, dat de tegenpartij en vijand ooit tot de poorten van Jeruzalem zouden ingaan, want,
a. Zij wisten, dat Jeruzalem krachtig versterkt was, niet alleen door muren en bolwerken, maar door het aantal en de kracht van zijn inwoners, de sterkte van Zion werd voor onneembaar gehouden.
b. Zij wisten, dat het de stad des groten konings was, waar de Heere van de gehele aarde op een meer bijzondere wijze Zijn woning had, het was de heilige stad, en daarom dachten zij, dat zij zozeer onder goddelijke bescherming stond, dat het vergeefse moeite zou zijn voor de vijand, de aanval te wagen.
c. Zij wisten, dat menige aanval er op mislukt was, getuige die van Sanherib. Daarom waren zij verbaasd, toen zij hoorden, dat de Chaldeën ze oververmeesterd hadden, en besloten dat het zeker rechtstreeks de hand van God was, die Jeruzalem aan hen had overgegeven, het was op Zijn last, dat de vijand doorbrak en de poorten van Jeruzalem binnenkwam.