Jozua 9:22-27
Hier zien wij de zaak geregeld tussen Jozua en de Gibeonieten. Wij kunnen veronderstellen dat nu niet de boden, die tot Jozua waren afgezonden, tegenwoordig waren, maar de oudsten van Gibeon en de onderhorige steden, en met hen werd nu overeengekomen omtrent een verklaring van het verbond.
I. Jozua bestraft hen wegens hun bedrog vers 22..En zij verontschuldigen zich zo goed zij kunnen, vers 24.
1. Jozua is zeer zacht in zijn bestraffing. Waarom hebt gijlieden ons bedrogen? Hij overlaadt hen niet met scheldnamen, voert geen ruwe, tergende taal tegen hen noemt hen niet-zoals zij wèl verdiend hadden "laaghartige leugenaars," maar vraagt hun slechts: Waarom hebt gij ons bedrogen? Het is onze wijsheid en onze plicht, om ook onder de grootste prikkeling of terging kalm en bedaard te blijven, onze hartstocht in toom te houden, een rechtvaardige zaak behoeft geen toorn om haar te verdedigen, en een slechte zaak zal er nooit beter om worden.
2. Zij bieden de beste verontschuldiging aan, die voor de zaak mogelijk is, vers 24. Zij hadden door het woord Gods bevonden, dat zij ter dood veroordeeld waren, (het gebod luidde: dat al de inwoners des lands, zonder uitzondering, verdelgd moesten worden) en door de werken Gods, die alreeds gewrocht waren, bevonden zij dat er aan de uitvoering van dat vonnis geen tegenstand kon worden geboden. Zij achtten Gods vrijmacht onbetwistbaar, Zijn gerechtigheid onverbiddelijk, en daarom hadden zij besloten om te zien en te beproeven wat Zijn barmhartigheid was, en zij hadden bevonden, dat zij er niet tevergeefs op gerekend hadden. Zij beproeven het niet hun leugen te rechtvaardigen, maar vragen er eigenlijk vergeving voor, pleitende dat zij die leugen gezegd hadden om hun leven te redden, en ieder die de kracht kent van de wet van het zelfbehoud in de mens, zal hiervoor veel verschoning aannemen, inzonderheid in een geval als dit, waar de vrees niet slechts de macht gold van de mens (indien dit alles ware men zou van deze toevlucht kunnen nemen tot de bescherming Gods) maar de macht van God zelf, die zij tegen zich zagen.
II. Tot straf van hun bedrog veroordeelt Jozua hen tot dienstbaarheid, vers 23, en zij onderwerpen zich aan het vonnis, vers 25, en, voorzoveel blijkt, zijn nu beide partijen tevreden.
1. Jozua verklaart hen tot slaven, en dat wel voor altijd. Zij hadden hun leven gekocht met een leugen, maar nu verplicht hij hen om voor dit hun leven te betalen met hun voortdurenden arbeid in hakken van hout en putten van water het geringste en tevens het zwaarste werk. Aldus was de leugen gestraft. Hadden zij open en eerlijk met Israël gehandeld, er zouden hun wellicht meer eervolle voorwaarden zijn toegestaan, maar nu zij hun leven verkregen hadden door haveloze klederen en bevlekte schoenen, de kentekenen van dienstbaarheid zijn zij veroordeeld om die voor altijd te dragen. En aldus is het rantsoen voor hun leven betaald, zijn zij hun diensten verschuldigd aan hen, aan wie zij hun leven verschuldigd zijn.
Merk op hoe het oordeel tegen hen gegeven wordt:
A. Hun dienstbaarheid is hun tot een vloek gemaakt. "Nu dan, vervloekt zijt gijlieden met de aloude vloek van Kanaän", van wie deze Levieten afstamden, "een knecht van de knechten zij hij zijn broederen," Genesis 9:25. Wat anders dan dit zal aan de bedrieglijke tong gedaan worden? Ze zij vervloekt.
B. Toch wordt die vloek nog in een zegen verkeerd. Zij moeten knechten zijn, maar in het huis mijns Gods. De oversten wilden hen tot slaven maken van de gehele vergadering vers 21, tenminste hebben zij zich aldus willen uitdrukken, om het misnoegde volk tevreden te stellen, maar Jozua verzacht het vonnis, beide tot eer van God en ten gunste van de Gibeonieten. Het zou te hard voor hen geweest zijn om hen tot slaven te maken van iedereen, als zij houthakkers en waterputters moeten zijn-en erger verkleining kon er niet wezen, inzonderheid voor hen, die burgers waren van een koninklijke stad, en die "allen sterke mannen" waren, Hoofdstuk 10:2 dan zullen zij het zijn ten huize van mijn God, en-groter bevordering bestaat er niet, David zelf kon wel wensen er een dorpelwachter van te zijn. Dienstwerk zelfs wordt eerbaar als het verricht wordt voor "het huis van mijn God."
a. Hiermede waren zij buitengesloten van de vrijheden en voorrechten van ware, geboren Israëlieten, en was een teken van onderscheiding gelegd op hen en hun nakomelingen tot in alle geslachten.
b. Zij werden hierdoor gebruikt voor diensten, die hun persoonlijke tegenwoordigheid bij Gods altaar nodig maakten, in de plaats, die Hij zou verkiezen, vers 27, hetgeen hen zou bekendmaken met de wet Gods, hen dicht aan de heilige Godsdienst zou houden, waarvan zij proselieten waren, en hun wederkeren tot de afgoderijen hunner vaderen zou beletten.
c. Het zou een groot voordeel wezen voor de priesters en Levieten om zoveel en zo sterke mannen tot hun voortdurende dienst te hebben, die verplicht waren om al het zware, mindere werk van de tabernakel te doen. Er moest zeer veel hout gehakt worden voor brandstof van Gods huis, niet alleen om het vuur op het altaar altoos brandende te houden, maar ook om het vlees van de dankoffers te koken, enz. En zeer veel water moest geput worden voor de verschillende wassingen door de wet voorgeschreven, dit, en ander dienstwerk, zoals het reinigen van de vaten, het wegbrengen van de as, het vegen van de voorhoven enz, hetgeen anders de Levieten zelf hadden moeten doen, werd nu aan deze Gibeonieten te doen gegeven.
d. Zij waren hierin echter ook dienstknechten van de vergadering, want al wat een hulp en bevordering is van de eredienst Gods, is een wezenlijk dienen van het algemeen. Ieder Israëliet heeft er belang bij, dat het altaar Gods goed gediend wordt. Ook de vergadering werd hierdoor vrijgesteld van veel dienstwerk, dat anders wellicht van sommigen uit haar verwacht zou zijn. God had een wet gemaakt, waarbij het de Israëlieten verboden was om iemand uit hun broederen tot een slaaf te maken, als zij slaven hadden, dan moesten die van de volkeren zijn, die rondom hen woonden, Leviticus 25:44. Ter ere nu van deze wet en van Israël, dat er door geëerd werd, wilde God niet dat er zwaar werk verricht zou worden door Israëlieten, ja zelfs niet voor de tabernakel, maar door Gibeonieten, die later "Nethinim" genoemd werden, mannen, gegeven aan de Levieten, zoals zij-de Levieten-aan de priesters gegeven waren, Numeri 3:9, om hen te dienen in de dienst Gods. e. Dit kan beschouwd worden als een afschaduwing van de toelating van de heidenen in de Evangeliekerk. Thans waren zij, na hun onderwerping, opgenomen als onderdienaren, maar later belooft God dat Hij uit hem "enige tot priesters en tot Levieten zal nemen," Jesaja 66:21.
2. Zij onderwerpen zich aan deze voorwaarde. Zich bewust zijnde van schuld in het smeden van een leugen om de Israëlieten te bedriegen, en er zich ook van bewust zijnde hoe ternauwernood zij aan de dood ontkomen waren, en welk een goedertierenheid het was, dat hun het leven gespaard werd, berusten zij in het voorstel. Doe gelijk het goed is in uw ogen. Beter is het in dienstbaarheid te leven, inzonderheid in zulk een dienstbaarheid, dan in het geheel niet te leven. De personen, die van de geringste conditie zijn, worden aangeduid als "houthakkers en waterputters," Deuteronomium 29:11. Maar, huid voor huid, vrijheid en arbeid, en "al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven," en dan heeft hij nog geheel geen slechte koop gedaan. Dienovereenkomstig werd de zaak beslist. Jozua verloste hen van de hand van de kinderen Israëls, dat zij hen niet doodsloegen, vers 26. Het schijnt, dat er nog waren, die op hen wilden aanvallen met het zwaard, maar Jozua trad met zijn gezag tussenbeiden en verhinderde het, wijze generaals weten het zwaard in de schede te doen blijven zowel als het te trekken.
3. En toen leverde hij hen over in de handen van de Israëlieten om hun dienstbaar te zijn, vers 27. Zij moeten niet in het bezit blijven van hun steden, want later zullen wij bevinden dat drie er van Benjamin ten erfdeel vielen, en een aan Juda. Ook behielden zij niet de beschikking over zichzelf, maar werden-denkt bisschop Patrick verspreid in de steden van de priesters en Levieten, die zij vergezelden in hun beurten om aan het altaar te dienen, uit de opbrengst waarvan zij waarschijnlijk onderhouden werden. En zo zijn Israëls dienstknechten de bevrijden des Heeren geworden, want Hem te dienen in het geringste werk is vrijheid, en Zijn werk brengt zijn loon mede. En dit hebben zij verkregen door hun spoedige, vrijwillige onderwerping. Laat ons evenzo ons aan onze Heere Jezus onderwerpen en ons aan Hem overgeven, zeggende: "Wij zijn in Uw hand, doe met ons gelijk het goed en recht is in Uw ogen, behoud slechts onze ziel, en wij zullen het niet berouwen." Als Hij ons beveelt Zijn kruis te dragen, en Zijn juk op ons te nemen, en te dienen aan Zijn altaar, dan zal ons dit later noch tot schande noch tot smart zijn, daar ook het geringste ambt in de dienst van God ons aanspraak geeft om "in het huis des Heeren te wonen alle dagen van ons leven."