Jozua 7:6-9
Wij zien hier in hoe grote bekommernis Jozua was om deze treurige zaak. Als openbaar persoon ging hem het verlies meer dan aan iemand anders ter harte, en hierin is hij een voorbeeld voor vorsten en grote mannen en leert hun de rampen ter harte te nemen door welke hun volk wordt getroffen, hij is ook een type van Christus, wie het bloed van Zijn onderdanen dierbaar is, Psalm 72:14.
Merk op:
1. Hoe hij treurde, hij verscheurde zijn kleren, vers 6, ten teken van grote smart om deze openbare ramp, en inzonderheid van vrees voor Gods misnoegen, dat er gewis de oorzaak van was. Ware het slechts de gewone krijgskans geweest (zoals wij maar al te zeer geneigd zijn het te noemen) het zou een generaal niet betaamd hebben om zo het hoofd te laten hangen, maar als God toornig was, dan was het zijn plicht en zijn eer om die gevoelens te koesteren. Een van de dapperste krijgslieden, die ooit bestaan hebben, erkende dat het haar van zijn hoofd te berge was gerezen van verschrikking voor God, en "dat hij gevreesd heeft voor Zijn oordelen," Psalm 119:120. Als één, die zich vernedert onder de krachtige hand Gods, viel hij op zijn aangezicht ter aarde, het geen verkleining voor zich achtende, om aldus laag neer te liggen voor de grote God, tot wie hij dit teken van eerbied richtte door zijn ogen op de ark des Heeren te houden. De oudsten van Israël, belang hebbende bij de zaak en onder de invloed zijnde van zijn voorbeeld, hebben zich met hem nedergebogen en, ten teken van diepe verootmoediging, stof op hun hoofd geworpen, niet slechts als treurenden, maar als boetelingen, niet twijfelende of het was om de een of andere zonde dat God met hen streed, (hoewel zij niet wisten welke zonde het was) verootmoedigden zij zich voor God, en smeekten aldus dat Zijn toorn afgewend zou worden. Dat bleven zij doen tot de avond toe, om te tonen dat het niet door een plotselinge opwelling van smart was, maar voortkwam uit een diepe overtuiging van hun ellende en gevaar, indien God er toe gebracht werd hen te verlaten. Jozua is niet heftig uitgevaren tegen zijn verspieders wegens hun verkeerde inlichting omtrent de sterkte des vijands, noch tegen de krijgslieden om hun lafhartigheid, hoewel beide misschien wel te laken waren, maar zijn oog was op God, want, zal er een kwaad in het leger zijn, dat de Heere niet doet? Zijn oog is op God als zijnde misnoegd, en dat is het wat hem beroert.
II. Hoe hij bad, of liever pleitte, ootmoedig de zaak met God besprekende, niet gemelijk, zoals David, toen de Heere een scheur gescheurd had aan Uzza, maar diep ternedergeslagen, zijn geest scheen ontroerd en verward, maar toch niet zo, of hij kon nog bidden, en door lucht te geven aan zijn smart in een ootmoedig gebed tot God bleef hij bedaard, en zo heeft de zaak een goede keer genomen.
1. Nu wenst hij dat zij maar allen tevreden waren geweest met het erfdeel van de twee stammen aan de overzijde van de Jordaan vers 7. Hij denkt dat het beter ware geweest om daar maar te blijven, weinig te hebben dan niets te hebben. Dit riekt te veel naar ontevredenheid en een wantrouwen van God, en kan niet gerechtvaardigd worden, hoewel de verrassing en teleurstelling voor iemand aan wie het openbare welzijn zozeer ter harte ging, het ten dele kan verontschuldigen. Die woorden: "Waarom hebt Gij dit volk ooit door de Jordaan doen gaan, om ons te verderven?" gelijken maar al te veel op hetgeen de murmureerders zo dikwijls gezegd hebben, Exodus 14:11, 12, 16:3, 17:3, , Numeri 14:2, 3. Maar Hij, die het hart doorgrondt, wist dat zij uit een andere gezindheid voortkwamen, en daarom heeft Hij niet met de uiterste gestrengheid op het verkeerde van de woorden gelet. Indien Jozua bedacht had dat de wanorde, waarin hun zaken nu gekomen waren, ongetwijfeld uit iets verkeerds in hen is voortgekomen, dat echter gemakkelijk hersteld kon worden, en alles dan weer in de rechten toestand zou komen, (zoals dit zo dikwijls in de tijd van zijn voorganger geweest is) dan zou hij niet gesproken hebben alsof het nu al vaststond dat zij in de hand van de Amorieten overgegeven zijn om door hen verdorven te worden. God weet wat Hij doet, al weten wij het niet, maar hiervan kunnen wij zeker zijn: nooit heeft Hij ons onrecht gedaan, en nooit zal Hij ons onrecht doen.
2. Hij spreekt als iemand, die volstrekt niet weet of begrijpt wat de betekenis en bedoeling is van dit voorval, vers 8. "Wat zal ik zeggen, welke verklaring kan ik er van geven dat Israël, Uw eigen volk, waarvoor Gij nu onlangs zulke grote dingen gedaan hebt, en aan hetwelk Gij het volle bezit van dit land beloofd hebt, voor het aangezicht van zijn vijanden de nek gekeerd heeft, niet slechts voor hen vliedt, maar valt en hun ten prooi wordt? Wat zullen wij denken van de Goddelijke macht, is de arm des Heeren verkort? Van de Goddelijke belofte, is Zijn woord ja en neen? Van hetgeen God voor ons gedaan heeft, zal dit alles ongedaan gemaakt worden, tevergeefs zijn geschied?" Gods wijze van handelen is dikwijls ingewikkeld en raadselachtig, zodat de wijsten en besten van de mensen niet weten wat er van te zeggen, maar zij zullen het na deze verstaan, Johannes 1-3:7.
3. Hij pleit op het gevaar, waarin Israël nu was om in het verderf te worden gestort, hij acht alles reeds verloren. "De Kanaänieten zullen ons omsingelen, daar zij tot de gevolgtrekking zijn gekomen, dat onze schaduw, dat is onze bescherming, van ons is geweken, en dat nu de schaal naar hun zijde overhelt. Nu zullen wij even verachtelijk zijn in hun ogen als wij tevoren geducht voor hen waren, en zij zullen onze naam uitroeien van de aarde, vers 9. Zo zijn zelfs Godvruchtigen, als zij een weinig tegenspoed hebben, geneigd om het ergste te vrezen en tot harder gevolgtrekkingen te komen, dan waarvoor zij reden hebben. Maar dit wordt hier aangevoerd als een pleitgrond een smeking: "Heere, laat Israëls naam, die U zo dierbaar is geweest, en die zo groot was in de wereld, niet uitgeroeid worden."
Hij wijst op de smaad, die op God zal geworpen worden, indien Israël ten ondergang wordt gebracht, dan zullen Zijn eer en heerlijkheid er onder lijden. Zij zullen onze naam uitroeien, zegt hij, maar zich bezinnende, daar hij begrijpt, dat het er weinig toe doet wat er van onze geringer naam wordt (de uitroeiing daarvan zal een weinig betekenend verlies zijn) verbetert hij zijn rede en zegt: Wat zult Gij dan Uw grote naam doen? Dit beschouwt en betreurt hij als het zwaarste in de ramp, hij vreesde dat er ongunstig door gesproken zou worden van God, van Zijn wijsheid en macht, Zijn goedheid en getrouwheid, wat zullen de Egyptenaren zeggen? Niets is voor een Godvruchtige ziel smartelijker, dan dat Gods naam onteerd wordt. Ook hierop pleit hij ter afwending van hetgeen hij vreest en ter vernieuwing van Gods gunst over hen. Het is het enige woord in zien spreken met God, waarin enige bemoediging is opgesloten, en hij besluit er mede: "Vader, verheerlijk Uwen naam." De naam van God is een grote naam, boven iederen naam, en wat er ook moge gebeuren wij moeten geloven dat Hij de smaad er van zal afwenden, en daar moeten wij ook om bidden. Dat moet ons meer dan iets anders ter harte gaan, hierop moeten wij het oog gericht hebben, als het doel van al onze begeerten, en daarom moeten wij onze bemoediging ontlenen, als de grond van al onze hoop. Geen beteren pleitgrond kunnen wij aanvoeren dan dezen: Heere, wat zult Gij dan Uw grote naam doen? Laat God in alles verheerlijkt worden, en dan zal geheel Zijn wil ons welkom zijn.