Jozua 6:6-16
Wij hebben hier een bericht van de statelijke optocht van de Israëlieten rondom Jericho, de orders, die Jozua er voor gaf, gelijk hij ze van de Heere had ontvangen, en hun stipt opvolgen van deze orders. Wij bevinden niet dat hij aan het volk de uitdrukkelijke verzekeringen gaf, die God hem gegeven had, dat Hij de stad in hun handen zou overleveren, hij wilde zien of zij aan de orders zouden gehoorzamen in het algemene vertrouwen dat alles wel zou wezen, en wij zien hen zeer gehoorzaam beide aan God en aan Jozua.
1. Overal waar de ark ging, ging het volk mee, vers 9. De gewapende mannen gingen vooruit om de weg open te houden, niet achtende dat het voor hen, die krijgslieden waren, een verkleining was, om de pioniers van de arke Gods te zijn. Indien er zich een hindernis voordeed op de wegen, die naar de stad voerden (welke wegen zij moesten overtrekken bij hun tocht rondom de stad) dan moesten zij die uit de weg ruimen, indien er enigerlei tegenstand zou geboden worden door de vijand, dan moesten zij die tegemoet treden, opdat de priesters met de ark veilig en gerust konden voortgaan. Het is voor de aanzienlijkste mannen een eer om enigerlei goede dienst te bewijzen aan de ark, en de belangen van de Godsdienst te bevorderen in hun land. De achterhoede, bestaande, hetzij uit een ander corps van gewapende manschappen, of uit Dans legerafdeling, die in de woestijn de achterhoede uitmaakte of, zoals sommigen denken, uit de menigte des volks, dat niet gewapend of geoefend was tot de krijg (zovelen hunner als dit begeerden) volgde de ark, om er hun eerbied voor te betuigen, nog meer statigheid bij te zetten aan de plechtigheid, en getuigen te zijn van hetgeen geschieden zou. Ieder getrouw ijverig Israëliet zal gaarne dezelfde vermoeienissen willen verduren en zich aan hetzelfde gevaar willen blootstellen als de priesters, die de ark droegen.
II. Zeven priesters gingen onmiddellijk voor de ark uit, met bazuinen in hun hand, waarop zij voortdurend bliezen. vers 4, 5, 9, 13, De priesters waren de dienaren Gods, en zo hebben zij in Zijn naam:
1. De oorlog verklaard aan de Kanaänieten en aldus verschrikking over hen doen komen, want het was door hun geest te verschrikken dat zij overwonnen en tenondergebracht zullen worden. Zo moeten Gods dienstknechten door de plechtige aankondiging van Zijn toorn tegen alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen de bazuin blazen in Zion, luide roepen op de berg van Zijn heiligheid, opdat de zondaren in Zion beroerd zijn. Zij zijn Gods herauten om oorlog te verklaren aan allen, die in hun schuld wandelen en zeggen: Wij zullen vrede hebben, al gaan wij ook voort op de weg van de zonde
2. Zij verkondigden Gods genaderijke tegenwoordigheid onder Israël, en bezielden hen alzo met hoop en moed. Er was bevolen dat, als zij ten oorlog gingen, de priesters hen moesten bemoedigen met de verzekering dat God met hen zijn zou Deuteronomium 20:2-4. Inzonderheid moest hun blazen op de bazuin voor het volk een teken wezen, dat aan hun gedacht zal worden voor het aangezicht des Heeren, hun God, ten dage van de strijd Numeri 10:9. Het heeft Abia bemoedigd, 2 Krol, . 13:12. Zo moeten Gods dienstknechten, door de jubelbazuin te blazen van het eeuwig Evangelie, die vrijheid verkondigt en overwinning, de goede krijgsknechten van Jezus Christus aanmoedigen in hun geestelijke strijd. III. De bazuinen, die zij gebruikten, waren niet de zilveren bazuinen, die voor de gewone dienst waren verordineerd, maar bazuinen van ramshoornen, die, naar sommigen denken, voor dat doel waren uitgehold. Deze bazuinen waren van het geringste materiaal, doffer van klank en van het minste aanzien, opdat de uitnemendheid van de kracht zou blijken Godes te zijn. Zo is door de dwaasheid van de prediking, gepast vergeleken bij het blazen op deze ramshoorn bazuinen, het rijk des duivels nedergeworpen, en zo zijn de wapenen van onze strijd, hoewel zij niet vleselijk zijn, noch voor het vleselijk oog enigerlei waarschijnlijkheid bieden om iets tot stand te brengen, toch "krachtig door God tot nederwerping van de sterkten," 2 Corinthiers 10:4, 5 . Het Hebreeuwse woord is hier bazuinen van jubel, dat is, zulke bazuinen als waarop zij bliezen in het jubeljaar, vele uitleggers verstaan het zo als betekenende de volkomen vrijheid, waartoe Israël nu gebracht was, en het stellen van het land Kanaän in de handen van zijn rechtmatige eigenaars.
IV. Aan al het volk was geboden te zwijgen, geen woord te spreken, noch enigerlei gedruis te maken, vers 10, opdat zij te meer zouden kunnen letten op het geklank van de heilige bazuinen, dat zij nu moesten beschouwen als de stem Gods onder hen, en het betaamt ons niet te spreken als God spreekt. Het duidt ook op hun eerbiedig verwachten van de gebeurtenis, Zacheria 2:1-3. "Zwijg, alle vlees, voor het aangezicht des Heeren, Exodus 14:14. De Heere zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn."
V. Zij moeten dit eenmaal per dag doen op zes achtereenvolgende dagen, en op de zevende dag zeven maal, vers 14, 15. God zou de muren van Jericho bij het eerste omtrekken er van hebben kunnen doen vallen, maar zij moeten er dertien maal om heengaan eer zij vallen, opdat zij geduldig de Heere zouden blijven verbeiden. Hoewel zij pas in Kanaän waren gekomen, en hun tijd zeer kostbaar was (want er lag nog zeer veel werk voor hen) moeten zij toch zoveel dagen rondom Jericho verblijven, schijnende niets te doen, noch enigerlei voortgang te maken met hun werk. Gelijk beloofde uitreddingen verwacht moeten worden op Gods wijze, zo moeten zij ook verwacht worden op Gods tijd. Die gelooft, zal niet haasten, niet meer haasten dan God wil. "Ga weer heen zevenmaal eer iets gezien wordt, dat hoop geeft", 1 Koningen 18:43.
Vl. Eén van deze dagen moest een sabbatdag wezen, en de Joden zeggen, dat het de laatste was, hetgeen echter niet zeker is, maar indien Hij, die hun gebood op de andere sabbatdagen te rusten, hun nu gebood op deze te lopen, dan was dit voldoende om er hen in te rechtvaardigen. Hij heeft nooit bedoeld zich aan Zijn eigen wetten te binden, als het Hem goeddacht kon Hij er ontheffing van geven. De geraakte volgde dit beginsel toen hij aldus redeneerde: "Die mij gezond gemaakt heeft (en dus Goddelijke macht had) die heeft mij gezegd: Neem uw bed op en wandel". En in dit geval was het een eer, op de sabbatdag door welke onze tijd verdeeld is in weken dat juist zeven dagen op dit werk werden doorgebracht, en dat zeven priesters gebruikt werden om op zeven bazuinen te blazen, evenals bij vele andere gelegenheden werd ook bij deze gelegenheid dit getal tot een merkwaardig getal gemaakt, ter gedachtenis aan het zesdaagse werk van de schepping en op de zevende dag rusten er van. En daarenboven: de wet van de sabbatdag verbiedt ons eigen werk, dat dienstwerk en wereldlijk werk is, maar het werk, dat zij nu deden, was een Godsdienstige daad. Het is voorzeker geen verbreken van de sabbatsrust, om het sabbatswerk te doen, om de wille waarvan de sabbatsrust was ingesteld. En wat is het sabbatswerk anders dan een volgen van de ark in al haar bewegingen? VII. Zij bleven dit doen gedurende de daarvoor bepaalde tijd, en op de zevende dag zevenmaal, hoewel zij er generlei uitwerking van zagen, gelovende dat Hij het gezicht op het einde zal voortbrengen en niet liegen, Habakuk 2:3. Wij zullen er op de lange duur niets bij verliezen, als wij volharden in onze plicht. Zij liepen waarschijnlijk op zo'n afstand van de muren, dat zij buiten het bereik waren van de pijlen van de vijanden en buiten het gehoor van hun smalen en spotten. Wij kunnen veronderstellen dat het vreemde van de zaak de belegerden in het eerst in spanning heeft gehouden, maar op de zevende dag waren zij gerust, daar zij er niets kwaads van ondervonden, en het wellicht als een soort van toverij aanzagen. Waarschijnlijk lachten zij om de belegeraars, en vroegen zij spottend: Wat doen deze amechtige Joden? Nehemia 4:2. "Is dit nu het volk, dat wij zo geducht waanden? Is dit hun methode van aanval?" Zo riepen zij: "vrede en geen gevaar!" opdat het verderf toen het kwam, zoveel verschrikkelijker zou zijn. Goddelozen, zegt bisschop Hall, denken dat God schertst als Hij het oordeel bereidt, maar zij zullen hun vergissing inzien, als het te laat Is.
VIII. Eindelijk moesten zij een juichtoon aanheffen, en zij deden het, en onmiddellijk zijn de muren ingestort, vers 16. Dit was een juichen om de heerschappij, een kreet van triomf, het geklank des konings is bij hen, Numeri 23:21. Dit was een juichen des geloofs, zij geloofden dat de muren van Jericho zullen vallen, en door dat geloof werden zij neergeworpen. Het was een gejuich van gebed, een echo op het geklank van de bazuinen, die de belofte kond deden, dat God hunner zou gedenken, eenstemmig ging hun geroep op tot de hemel om hulp, en de hulp kwam. Sommigen zinspelen hierop om te tonen dat wij nooit de volkomen overwinning over ons bederf moeten verwachten voor de avond van onze laatste dag, en dan zullen wij de triomfkreet er over aanheffen, als wij tot het getal en de mate van onze volkomenheid zullen gekomen zijn, zoals bisschop Hall het uitdrukt. Een Godvruchtige ziel, zegt hij, zucht onder het bederf van haar zwakheden, gaarne zou zij er van verlost willen zijn, zij strijdt en bidt, maar als alles geschied is, kan het toch niet voor het einde van de zevende dag wezen, dat het oordeel zal uitgaan ter overwinning. En aan het einde van de tijd wanneer onze Heere nederdalen zal van de hemel met een geroep en met de stem van de bazuin, dan zal Satans koninkrijk volkomen verwoest en terneergeworpen zijn, dan, en niet eerder, wanneer alle tegenstand van macht en heerschappij, volkomen en voor eeuwig terneer zal geworpen zijn.