Jozua 6:1-5
Wij hebben hier een strijd tussen God en de mannen van Jericho, en hun verschillende besluiten, en het is gemakkelijk te zeggen, wiens woord de overhand zal hebben.
I. Jericho besluit dat Israël buiten haar vesting zal blijven, vers 1. Zij sloot de poorten toe voor het aangezicht van de kinderen Israëls, zij sloot toe, en bleef gesloten, zoals de lezing is in de kanttekening op de Engelse overzetting van de Bijbel, daar zij beide door de kunst en door de natuur wèl versterkt was, en zij was gesloten door de hardnekkigheid van de inwoners, die overeengekomen waren zich nooit over te geven, ja niet eens een onderhandeling er over te openen. Niemand ging er van uit als deserteur, of overloper, of om over de vrede te onderhandelen, en er werd ook niemand toegelaten om over de vrede te komen spreken. Zo waren zij dan verdwaasd, en waren hun harten verhard tot hun eigen verderf-de treurige toestand en aard van allen die tegen God hun handen uitstrekken, en zich geweldiglijk aanstellen tegen de Almachtige Job 15:25.
II. God besluit dat Israël er in zal komen, en dat wel spoedig. De Vorst van het leger des Heeren, hier JAHWEH genoemd, er nota van nemende hoe wèl versterkt Jericho was, hoe streng bewaakt, en Jozua's gedachten kennende, en zijn zorg om haar tenonder te brengen, en misschien ook wel zijn vrees voor een nederlaag, van reeds op de drempel te zullen struikelen, gaf Hij hem hier de stelligste verzekering van voorspoed en overwinning, die hij kon wensen, vers 2. Zie Ik heb Jericho in uw hand gegeven. Niet: "Ik zal het doen," maar "Ik heb het gedaan, het is geheel het uwe, even zeker alsof gij het reeds in uw bezit had." Er was bepaald dat deze stad, de eersteling zijnde van Kanaän, geheel en al Gode gewijd meest worden, en dat noch Jozua, noch Israël er ooit ook maar een penning rijker door zouden worden, en toch wordt hier gezegd, dat zij in hun hand is gegeven, want wij moeten datgene het meest als het onze beschouwen hetwelk ons de gelegenheid geeft om er God mee te eren, en het in Zijn dienst te gebruiken.
1. Nu geeft de Vorst van het leger des Heeren aanwijzingen, hoe met de belegering te werk moet worden gegaan. Er moeten geen loopgraven worden geopend, geen batterijen worden opgeworpen, geen stormrammen in werking worden gesteld, maar de ark Gods moet door de priesters rondom de stad worden gedragen, eenmaal per dag, gedurende zes op elkaar volgende dagen, en op de zevenden dag zeven malen, stilzwijgend vergezeld door de krijgslieden, terwijl de priesters met de ramsbazuinen bliezen, vers 3, 4. Dat was alles wat zij te doen hadden.
2. Hij verzekert hun dat zij voor de avond van de zevende dag zonder mankeren meesters zouden zijn van de stad. Op een gegeven teken moeten zij allen juichen, en dan zal terstond de stadsmuur vallen, hetgeen niet slechts de inwoners zal blootgeven, maar hen zó zal ontmoedigen, dat zij niet instaat zullen zijn weerstand te bieden, vers 5. God heeft dit aldus bepaald:
a. Om Zijn macht te verheerlijken, opdat "Hij zich zal verhogen in Zijn sterkte," Psalm 21:14 niet in de sterkte van werktuigen. God wilde aldus nog verder Zijn almachtige arm ontbloten ter bemoediging van Israël, en ter verschrikking en verwarring van de Kanaänieten.
b. Om eer te leggen op Zijn ark, het ingestelde teken van Zijn tegenwoordigheid, en om een reden te geven van de wetten, die hen verplichtten om er met de grootste eerbied en ontzag op te zien. Toen: lang daarna de ark zonder orders van God in het leger werd gebracht, werd dit als een ontheiliging beschouwd, en het volk heeft die verwatenheid duur moeten betalen, 1 Samuël 4:3 en verv. Maar nu het op Gods bevel geschiedde was het een eer voor de ark van God en een grote bemoediging voor het geloof van Israël.
c. Het was ook een eer voor de priesters die voor deze gelegenheid aangewezen waren om de ark te dragen en de bazuinen te blazen. Gewoonlijk werden de priesters vrijgesteld van de krijgsdienst, maar opdat dit voorrecht en de eer en macht, hun door de wet toegekend, hun niet misgund zouden worden, zijn zij voornamelijk in deze dienst gebruikt geworden, en zo werd het aan het volk duidelijk gemaakt welke zegeningen zij waren voor het publiek, en hoe waardig zij de gunsten en voorrechten waren, die hun verleend zijn.
d. Het was om het geloof, de gehoorzaamheid en het geduld op de proef te stellen van het volk, om te zien of zij een bevel zouden opvolgen, dat aan de menselijke wijsheid zou kunnen toeschijnen te dwaas te wezen om er aan te gehoorzamen, en een belofte zouden geloven, die naar menselijke waarschijnlijkheid onmogelijk vervuld kon worden. Zij werden ook beproefd, om te zien of zij het smaden en smalen hunner vijanden met geduld zouden kunnen dragen, en geduldig de verlossing des Heeren zullen kunnen verbeiden. Aldus zijn de muren van Jericho gevallen door het geloof, niet door kracht of geweld.
e. Het was om de hoop van Israël aan te moedigen met betrekking tot de moeilijkheden, die nog voor hen lagen. Het zeggen van de boze verspieders, dat Kanaän nooit veroverd zou kunnen worden, omdat de steden gesterkt zijn tot de hemel toe, Deuteronomium 1:28, is nu voor goed gelogenstraft. De hoogste en sterkste muren zijn niet bestand tegen de almacht Gods. Zij behoefden niet te strijden, en daarom behoefden zij ook niet te vrezen, want God streed voor hen.