Jozua 2:1-7
In deze verzen hebben wij:
1. De wijsheid van Jozua in zijn zenden van verspieders om deze gewichtige pas te verkennen, die aan Israël waarschijnlijk bij hun binnentrekken van Kanaän betwist zal worden vers 1. Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Mozes had verspieders gezonden Numeri 13 (Jozua zelf was een hunner) en het bleek kwade gevolgen te hebben, toch zendt Jozua nu ook verspieders uit, niet zoals de vorige gezonden waren, om het gehele land te bezichtigen, doch alleen Jericho, niet om er verslag van te doen aan de gehele vergadering, maar alleen aan Jozua, die, als een waakzaam veldoverste, steeds op het algemene welzijn bedacht was, en inzonderheid zorg droeg om de eerste stap goed te doen ten einde niet reeds op de drempel te struikelen. Het voegde niet dat Jozua zelf zich over de Jordaan zou wagen om incognito-of vermomd zijn waarnemingen te doen, maar hij zendt twee mannen, jonge mannen, (zeggen de LXX) om het land te bezichtigen, ten einde naar het rapport, dat zij hem brengen zouden zijn maatregelen te nemen voor de aanval op Jericho.
Merk op:
1. Het is niet te verhelpen: grote mannen moeten door andere ogen zien, waardoor het zeer noodzakelijk is dat zij zeer omzichtig zijn in de keus van hen, die zij gebruiken, daarvan hun trouw zoveel afhangt.
2. Het geloof in Gods belofte moet onze ijver in het gebruik van de gepaste middelen niet vervangen, maar aanmoedigen. Jozua is er zeker van dat God met hem is, en toch zendt hij mannen, verspieders, uit. Wij vertrouwen niet op God, maar verzoeken Hem, indien onze hoop ons pogen verslapt. Zie hoe bereid deze mannen waren om op deze hachelijke onderneming uit te gaan. Hoewel zij hun ziel, dat is hun leven, in hun hand gezet hebben, hebben zij zich toch, in gehoorzaamheid aan hun generaal, in ijver voor de dienst van het leger en steunende op de macht van die God, die de Bewaarder Israëls is in het algemeen en de Beschermer van iedere Israëliet op de weg zijns plichts, op de gevaarlijke tocht begeven.
II. Gods voorzienigheid leidde de verspieders naar het huis van Rachab. Hoe zij over de Jordaan kwamen, wordt ons niet gezegd, maar in Jericho kwamen zij, dat op een afstand van ruim twee uren van de rivier lag. Naar een geschikte herberg zoekende, wees men hun het huis van Rachab, hier een hoer genoemd een vrouw, die vroeger als slecht bekend stond, waarvan de versmaadheid haar naam bleef aankleven, hoewel zij in de laatste tijd tot een betere levenswijze was teruggekeerd. Simon de melaatse, Mattheus 26:6, droeg, hoewel hij van de melaatsheid genezen was, er de smaad van in zijn naam, zolang als hij leefde, zo ook Rachab, de hoer, en zij wordt ook aldus genoemd in het Nieuwe Testament waarin beide haar geloof en haar goede werken geprezen worden, om ons te leren:
1. Dat de grootheid van de zonde geen hinderpaal is voor vergevende genade, indien er bijtijds oprecht berouw over wordt getoond. Wij lezen van tollenaren en hoeren ingaande in het koninkrijk van de Messias, en er welkom geheten wordende aan al de voorrechten van dat koninkrijk, Mattheus 21:31. 2. Dat er velen zijn, die vóór hun bekering zeer slecht en goddeloos waren, maar later tot grote uitnemendheid zijn gekomen in geloof en heiligheid.
3. Zelfs zij, die door genade bekeerd zijn van de zonden hunner jeugd, moeten verwachten er de smaad van te dragen, en als zij horen van hun oude zonden en gebreken dan moeten zij hun berouw er over vernieuwen en als blijk daarvan er van horen met geduld.
Voor zover blijkt, was er in geheel Jericho slechts een persoon, die vriendelijk gezind was voor Gods Israël, en dat was Rachab, een hoer. God heeft dikwijls Zijn eigen doeleinden tot stand gebracht en de belangen van Zijn kerk bevorderd door mensen, wier zedelijk karakter veel te wensen overliet. Waren de verspieders in een ander huis gekomen, zij zouden zeker verraden zijn geworden, en onbarmhartig ter dood gebracht. Maar God wist waar een persoon woonde, die hun genegen was en hun trouw zou zijn, en geleidde hen daarheen. Zo is hetgeen ons het meest toevallig schijnt, door God beschikt en bestierd om Zijn grote doeleinden te dienen. En zij, die getrouw God erkennen in hun wegen, zullen bevinden dat Zijn oog op hen is. Zie Jeremia 36:19-26.
III. De vroomheid van Rachab in het ontvangen en beschermen van deze Israëlieten. Zij, die herbergen houden, ontvangen allen, die komen, en achten zich verplicht beleefd te zijn jegens hun gasten. Maar Rachab betoonde nu aan haar gasten meer dan gewone beleefdheid, zij handelde naar een geheel niet gewoon beginsel in hetgeen zij deed, het was door het geloof dat zij diegenen met vrede ontving, tegen wie haar koning en haar vaderland oorlog hadden verklaard, Hebreeën 11:31.
1. Zij heette hen welkom in haar huis, zij overnachtten er, hoewel uit hetgeen zij tot hen zei, vers 9, blijkt dat zij wist, vanwaar zij kwamen en wat zij kwamen doen.
2. Bespeurende dat zij bij hun komst in de stad opgemerkt waren en achterdocht hadden opgewekt, verborg zij hen op het dak van haar huis, dat plat was, en bedekte hen met vlasstoppelen, vers 6, opdat zij, zo de beambten kwamen om hen te zoeken, er onontdekt konden neerliggen. Deze vlasstoppelen die zij zelf op het dak had gelegd om ze in de zon te laten drogen, teneinde ze later te kunnen kloppen en gereedmaken voor het spinnewiel, tonen, dat zij een van de goede hoedanigheden had van de deugdzame vrouw, al kwam zij ook in andere opzichten tekort er aan, namelijk dat zij wol en vlas zocht en werkte met lust harer handen, Spreuken 31:13. Uit welk voorbeeld van haar eerlijke vlijt men de hoop kan koesteren, dat zij, wat zij vroeger ook moge geweest zijn, nu geen hoer was.
3. Toen zij hun aangaande ondervraagd werd, ontkende zij dat zij in haar huis waren, en leidde de beambten, die gekomen waren om hen te zoeken, door bedrog op een verkeerd spoor, en heeft hen, de verspieders, aldus beveiligd. Het is niet te verwonderen, dat de koning van Jericho hen liet zoeken, vers 2, 3, hij had reden om bevreesd te zijn, toen de vijand aan zijn deur was, en zijn vrees maakte hem achterdochtig en waakzaam ten opzichte van vreemdelingen. Hij had reden om van Rachab te eisen, dat zij de mannen zou uitbrengen, opdat er met hen als spionnen gehandeld zou worden, maar Rachab ontkende niet slechts dat zij hen kende of wist waar zij waren, maar, opdat er in de stad niet verder naar hen gezocht zou worden, zei zij aan de vervolgers, dat zij de stad weer verlaten hadden, en naar alle waarschijnlijkheid achterhaald zouden kunnen worden, vers 4,5. A. Nu zijn wij er zeker van dat dit een goed werk was, het is voor heilig verklaard door de apostel, Jakobus 2:25, waar zij gezegd wordt uit de werken gerechtvaardigd te zijn, omdat zij de gezondenen heeft ontvangen en door een andere weg uitgelaten en zij deed het door het geloof, een geloof, dat haar verhief boven mensenvrees, zelfs boven vrees voor de toorn des konings. Op het gerucht, dat zij gehoord had van de wonderen, gewrocht voor Israël, geloofde zij dat hun God de enige ware God was, en dat daarom hun voornemen ten opzichte van Kanaän ongetwijfeld ten uitvoer zou worden gebracht, en in dit geloof schaarde zij zich aan hun zijde, beschermde zij hen, en trachtte zij hun gunst te winnen. Indien zij gezegd had: "Ik geloof dat God uw God is en dat Kanaän het uw is, maar ik durf u geen vriendelijkheid bewijzen", dan zou haar geloof werkeloos, dood geweest zijn, en het zou haar niet hebben gerechtvaardigd. Maar hieruit bleek het beide levend en levendig te zijn, dat zij in gehoorzaamheid aan haar geloof zich aan het grootste gevaar, ja zelfs aan levensgevaar, blootgesteld heeft. Diegenen alleen zijn ware gelovigen, die het van zich kunnen verkrijgen om voor God alles te wagen, en zij die door het geloof de Heere tot hun God nemen, nemen Zijn volk aan als hun volk, en willen lotgemeen met hen zijn. Zij, die God voor hun toevlucht en schuilplaats hebben, moeten hun dankbaarheid tonen door hun bereidwilligheid om Zijn volk te beschutten, als zij beschutting nodig hebben, laat Mijn verdrevenen onder u verkeren, Jesaja 16:3,4. Wij moeten blij zijn met een gelegenheid om de oprechtheid en de ijver te tonen van onze liefde tot God door gevaarlijke diensten te bewijzen aan Zijn kerk en Zijn koninkrijk onder de mensen.
B. Maar er is ook iets in, dat niet gemakkelijk te rechtvaardigen is, en dat toch gerechtvaardigd moet worden, daar het anders toch niet zo goed een werk geweest kon zijn, dat zij er door gerechtvaardigd werd.
a. Het is duidelijk dat zij haar land heeft verraden door een schuilplaats te verlenen aan de vijanden er van, en diegenen behulpzaam te zijn, die zijn verderf beoogden, hetgeen niet bestaanbaar was met haar trouw aan haar vorst, en haar liefde voor en plicht jegens de gemeenschap, waartoe zij behoorde. Maar hetgeen haar hierin rechtvaardigt, is: dat zij wist dat de Heere hun dit land gegeven heeft, vers 9 het wist door de onbetwistbare wonderen, die God voor hen had gewrocht, waardoor die schenking bevestigd werd, en haar verplichtingen jegens God waren hoger dan haar verplichtingen jegens wie het ook zij. Indien zij wist dat God hun dit land gegeven heeft, dan zou het zonde in haar zijn geweest om zich te voegen bij degenen, die hen wilden verhinderen om het te bezitten.. Daar echter thans zodanige schenking van enigerlei land aan enigerlei volk niet bewezen kan worden, zal dit zodanige verraderlijke praktijken tegen het openbare welzijn geenszins rechtvaardigen.
b. Het is duidelijk dat zij de beambten, die haar ondervraagd hebben, heeft bedrogen door hun een onwaarheid te zeggen, namelijk dat zij niet wist vanwaar die mannen waren, dat zij uitgegaan waren, maar dat zij niet wist waar zij waren heengegaan. Wat zullen wij hiervan zeggen? Indien zij of de waarheid had gezegd of had gezwegen, dan zou zij de verspieders hebben verraden, en dat zou voorzeker een grote zonde zijn geweest, en het blijkt niet dat zij andere middelen had om hen te verbergen dan door deze ironische raad aan de beambten om hen op een andere weg te vervolgen, en zo zij zich hierdoor willen laten bedriegen, zo laat hen dan bedrogen zijn. Niemand is verplicht zichzelf of zijn vrienden te beschuldigen van iets, dat men weet een deugd te zijn, hoewel er naar onderzocht wordt als naar een misdaad. Dit was hier een geheel buitengewoon geval, en kan dus niet als precedent gesteld worden, en wat hier gerechtvaardigd wordt, zou in een gewoon geval volstrekt niet geoorloofd zijn. Naar hetgeen reeds aan de overzijde van de Jordaan geschied was, wist Rachab dat aan de Kanaänieten geen lijfsgenade zou worden verleend, en hieruit maakte zij de gevolgtrekking dat, indien hun geen barmhartigheid verschuldigd was, zij die verdelgd mochten worden, ook mochten worden bedrogen. Toch zijn de Godgeleerden over het algemeen van gevoelen, dat het een zonde was, waarvoor echter de verzachtende omstandigheid kon toegelaten worden, dat zij een Kanaänietische was, aan wie niet geleerd was dat het kwaad was te liegen, maar God nam haar geloof aan, en vergaf haar de zwakheid. Maar hoe dit nu ook moge geweest zijn in dit gevel hiervan zijn wij zeker, dat het onze plicht is om de waarheid te spreken een ieder met zijn naaste, de leugen te verfoeien en te vrezen en nooit kwaad te doen, dat kwaad te doen, opdat er het goede uit zou voortkomen, Romeinen 3:8. Maar God neemt aan wat eerlijk en oprecht bedoeld is, al is er ook nog een bijmengsel in van zwakheid en dwaasheid, en bezoekt niet met de uiterste strengheid hetgeen waarin wij tekortkomen. Sommigen opperen het denkbeeld dat hetgeen zij zei waar kon geweest zijn ten opzichte van andere mannen.