Numeri 13:1-20
1. Wij hebben hier orders gegeven, om verspieders te zenden om het land Kanaän te onderzoeken. Hier wordt gezegd dat God Mozes bevolen heeft om hen te zenden vers 1, 2, maar het blijkt uit de herhaling van de geschiedenis daarna Deuteronomium 1:22, dat het voorstel er toe van liet volk is uitgegaan. Zij kwamen tot Mozes, zeggende: "Laat ons mannen voor ons aangezicht" "henenzenden, die ons het land uitspeuren," Deuteronomium 1:22, enhet was de vrucht van hun ongeloof. Zij wilden er Gods woord niet voor aannemen, dat het een goed land was, en dat Hij hen ongetwijfeld in het bezit er van zou stellen. Zij konden geen vertrouwen stellen in de wolk- en vuurkolom om hun de weg er heen te wijzen, en hadden een betere dunk van hun eigen beleid dan van Gods wijsheid. Hoe ongerijmd was het dat zij heen zonden om een land uit te speuren, dat God zelf reeds voor hen uitgespeurd had, naar de weg er heen te vragen, als God zelf het op zich had genomen, om hun de weg er heen te wijzen! Maar aldus storten wij ons in het verderf door meer geloof te schenken aan de voorstellingen van de zinnen dan aan de Goddelijke openbaring, wij wandelen door aanschouwen, niet door geloof, terwijl toch, indien wij de getuigenis van de mensen aannemen, de getuigenis van God ongetwijfeld meerder is. Toen het volk met dit voorstel bij Mozes kwam, heeft hij (wellicht het ongeloof niet bespeurende, dat er in lag opgesloten) God er over geraadpleegd, die hem zei het volk hierin ter wille te zijn, en verspieders voor hen heen te zenden. "Laat hen wandelen in hun raadslagen." Toch was God op generlei wijze medeplichtig aan de zonde, die volgde, want het zenden van deze verspieders was zo weinig de oorzaak van de zonde, dat, indien de verspieders hun plicht hadden gedaan, en het volk hun plicht, het tot bevestiging en versterking van hun geloof zou gestrekt hebben, en hun goede dienst zou hebben bewezen.
2. De personen benoemd, om in die dienst te worden gebruikt, vers 4 en verv. Één uit iedere stam, opdat het zou blijken de daad des volks in het algemeen te wezen, en oversten, personen van aanzien in hun stam, sommigen van de oversten over duizenden of honderden, ten einde aan het gezantschap meer geloofwaardigheid bij te zetten. Dit was bedoeld ten beste, maar het bleek die slechte uitwerking te hebben, dat de hoedanigheid van de personen maakte, dat aan hun slecht rapport des te meer geloof werd geschonken, en dat het groter invloed uitoefende op het volk. Sommigen denken dat zij allen genoemd worden om de wille van de twee goeden onder hen Kaleb en Jozua. Er wordt hier nota genomen van de naamsverandering van Jozua bij deze gelegenheid, vers 16. Hij was Mozes' dienaar, maar hoewel hij van de stam van Efraïm was was hij aangesteld als overste van de krijgsmacht, die tegen Amalek was uitgezonden. De naam, waarmee hij gewoonlijk genoemd en bekend was in zijn stam, was Hosea, maar Mozes noemde hem Jozua ten teken van zijn genegenheid voor hem en macht over hem, en nu scheen hij bevolen te hebben, dat ook anderen hem aldus zullen noemen, en bepaald te hebben dat dit van nu voortaan zijn naam zou zijn. Hosea betekent een bede om heil: Behoud Gij, Jozua betekent een belofte van heil: Hij zal behouden, als antwoord op dat gebed, zo nauw is de verwantschap tussen gebeden en beloften. Gebeden overmogen voor beloften en beloften leiden en moedigen aan tot gebed. Sommigen denken dat Mozes, door de eerste lettergreep van de naam JHWH vóór zijn naam te plaatsen, waardoor Hosea in Jehoshua veranderd wordt, bedoeld heeft hem te eren en hem voor deze en volgende diensten aan te moedigen met de verzekering van Gods tegenwoordigheid. Toch wordt hij later nog Hosea genoemd, Deuteronomium 32:44. Jezus is dezelfde naam als Jozua, en het is de naam van onze Heere Christus, van wie Jozua een type was als opvolger van Mozes, Israëls overste en veroveraar van Kanaän. Er was nog een ander van die naam, die ook een type van Christus is geweest, Zacheria 6:11. Jozua was de verlosser van Gods volk van de machten van Kanaän, maar Christus is hun Verlosser van de machten van de hel. 3. De instructies, welke aan deze verspieders gegeven werden. Zij werden langs de kortste weg naar Kanaän gezonden, om het land te doorreizen en van zijn tegenwoordige toestand bericht te brengen, vers 17. Er worden hun twee punten van onderzoek opgedragen:
a. Betreffende het land zelf: Beziet het land vers 18, en in vers 19, hoedanig het land zij, ziet, of het goed zij, of kwaad, vers 20, en of het vet zij of mager. Alle delen van de aarde delen niet gelijkelijk in de zegen van haar vruchtbaarheid, sommige landen zijn gezegend met een rijker grond dan anderen. Mozes zelf was wèl overtuigd, dat Kanaän een zeer goed land was, maar hij zond deze verspieders om een bericht er van te brengen ter overtuiging van het volk, zoals Johannes de Doper tot Jezus gezonden heeft, om te vragen of Hij de Christus was, niet ter inlichting van hemzelf, maar van hen die hij zond. Zij moeten er op letten of de lucht er al of niet gezond was, waaruit de grond bestond en welke voortbrengselen hij opleverde, en ter meerdere voldoening en overtuiging van het volk, moeten zij enige vruchten van het land medebrengen.
b. Betreffende de inwoners: hun aantal, velen of weinigen, hun grootte, of het krachtige, gezonde lieden zijn, of zwakke, hun woningen: of zij in tenten woonden of in huizen, in open dorpen, of in ommuurde steden, of de bomen er in het wild stonden, zoals in landen, die door de onkunde en traagheid van de bewoners niet bebouwd zijn, of dat zij afgehouwen waren, zodat er vlak en open land is, geschikt om beploegd en bezaaid te worden.
Dat waren de dingen, waarnaar zij een onderzoek moesten instellen. Er was misschien in de laatste tijd niet zoveel verkeer tussen Egypte en Kanaän als in Jakob's tijd, want anders hadden zij omtrent deze dingen wel inlichtingen kunnen inwinnen, zonder mannen uit te zenden om er onderzoek naar te doen. Let op het nut en voordeel, dat wij kunnen ontlenen aan boeken en geleerdheid, die hen, welke er belang in stellen, bekend kunnen maken met de staat en toestand van vreemde landen, die op veel grotere afstand zijn, dan Kanaän nu van Israël was, zonder deze moeite en onkosten.
Mozes zendt de verspieders heen met dit woord: versterkt u, te kennen gevende dat zij niet alleen zelf bemoedigd moeten zijn onder de moeilijkheden van deze reis, maar dat zij ook met een bemoedigend bericht tot het volk moeten komen, en de zaken in het beste licht moesten voorstellen. Zij werden niet slechts op een grote onderneming uitgezonden, waarvoor vastberadenheid en overleg nodig waren, maar er was hun ook een belangrijke zaak opgedragen, die zij getrouwelijk moesten behartigen.