Jozua 1:1-9
Hier wordt eer gelegd op Jozua en hem grote macht in handen gegeven, door Hem die de fontein is van de eer en macht, en door wie de koningen regeren; van de oneindige Wijsheid ontvangt hij instructies en bemoediging van de God aller vertroostingen. God had tevoren van hem tot Mozes gesproken, Numeri 27:18; maar nu spreekt Hij tot hem, vers 1, waarschijnlijk zoals Hij tot Mozes had gesproken, Leviticus 1:l, uit de tent van de samenkomst, waar Jozua zich met Mozes gesteld had Deuteronomium 31:14, om te leren, hoe hij aldaar op de Heere moest wachten. Eleazar had de borstlap van de gerechtigheid, en aan Jozua wordt bevolen die te raadplegen, als de gelegenheid dit vereiste, Numeri 27:21, maar tot zijn meerdere bemoediging spreekt God hier onmiddellijk tot hem, sommigen denken in een droom of visioen (zoals Job 33:15) want God heeft ons wel gebonden aan de verordineerde inzettingen, om daarin tot Hem te naderen en op Hem te wachten, maar zichzelf heeft Hij er niet aan gebonden, zodat Hij ook zonder deze zich aan Zijn volk kan bekendmaken, en tot hun hart kan spreken op nog andere wijze dan door hun oren.
Betreffende Jozua's roeping tot de regering valt hier op te merken:
1. De tijd, wanneer die roeping tot hem kwam. Na de dood van Mozes. Zodra Mozes gestorven was, nam Jozua het bestuur op zich, krachtens zijn plechtige ordening nog bij Mozes leven. Een tussenregering, al zou het slechts enkele dagen geduurd hebben, zou slechte gevolgen gehad kunnen hebben, maar het is waarschijnlijk dat God niet tot hem gezegd heeft voorwaarts te gaan naar Kanaän voordat de dertig dagen van rouw over Mozes voleindigd waren; niet omdat, zoals de Joden zeggen, de droefheid van zijn hart gedurende die dagen hem ongeschikt maakte voor gemeenschapsoefening met God; (hij treurde niet zoals degenen, die geen hoop hebben) maar omdat God door die plechtige pauze en de verdaging voor een maand van de openbare raadsvergaderingen, zelfs nu de tijd zo kostbaar voor hen was, de nagedachtenis van Mozes wilde eren, en tijd geven aan het volk, niet slechts om zijn verlies te bewenen, maar berouw te tonen over hun wangedrag jegens hem gedurende de veertig jaren van zijn bestuur.
II. De plaats, die Jozua bekleed had voor hij aldus verhoogd werd. Hij was Mozes' dienaar, dat is, zijn persoonlijke dienaar, en die hem ook behulpzaam was in zaken. De LXX vertalen het woord door hupourgos, een werkman, onder Mozes, onder zijn leiding en bevel.
Merk op:
1. Hij, die hier tot eer wordt geroepen, was gedurende lange tijd voor zaken opgeleid. Onze Heere Jezus zelf heeft de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen, en toen heeft God Hem uitermate verhoogd.
2. Hij was opgeleid in ondergeschiktheid en stond onder bevel. Diegenen zijn het geschiktst om te heersen, die geleerd hebben te gehoorzamen.
3. Hij, die Mozes moest opvolgen, was innig bekend en vertrouwd met hem, zodat hij ten volle bekend kon zijn met zijn leer, wijze van doen, voornemen en lankmoedigheid, 2 Timotheus 3:10, dezelfde maatregelen zou nemen, in dezelfde geest zou wandelen, daar hij hetzelfde werk te doen had. 4. Dat hij hierin een type is geweest van Christus, die deswege Mozes' dienaar genoemd zou kunnen worden, want Hij is geworden onder de wet, en heeft er al de gerechtigheid van vervuld.
III. De roeping zelf, die God hem gaf, en welke zeer volledig is.
1. De overweging uit welke hij tot de regering geroepen werd. Mijn knecht Mozes is gestorven, vers 2. Alle Godvruchtigen zijn Gods knechten, en het is voor de grootste mannen geen verkleining, maar een eer om dit te zijn; zelfs de engelen zijn Zijn dienaren. Mozes was tot buitengewoon werk geroepen, hij was een huisverzorger Gods, en in de vervulling van de hem opgedragen last diende hij niet zichzelf, maar God, die hem gebruikte; hij was als een dienstknecht getrouw, en met het oog op de Zoon, zoals te kennen wordt gegeven in Hebreeën 3:5, waar hetgeen hij gedaan heeft gezegd wordt te zijn tot getuigenis van de dingen, die daarna gesproken zouden worden. God zal Zijn dienstknechten erkennen, zal hen belijden in de grote dag. Maar Mozes, hoewel Gods dienstknecht en één, die moeilijk gemist kan worden, is gestorven, want God verwisselt soms van dienstknechten, om te tonen dat Hij wèlke werktuigen Hij ook gebruikt, aan geen van hen gebonden is. Als Mozes zijn werk als dienstknecht volbracht heeft, sterft hij en "gaat rusten van zijn arbeid, en gaat in tot de vreugde zijns Heeren." God neemt kennis van de dood van Zijn dienstknechten. "Hij is kostelijk in Zijn ogen," Psalm 116:15.
2. De roeping zelf: Zo maak u nu op.
A. Hoewel Mozes gestorven is, moet het werk toch voortgaan, sta op, en begeef u er toe. Laat geen wenen het zaaien verhinderen, noch het verdorren van de nuttigste, werkzaamste handen de onze verslappen, want als God werk te doen heeft, dan zal Hij of werktuigen vinden om het te doen, of ze er voor maken. "Mozes, de knecht, is gestorven, maar God, de Meester, is niet dood, Hij leeft tot in eeuwigheid."
B. "Mozes is gestorven, en daarom gaat het werk over op u als zijn opvolger, want hiertoe zijt gij verordineerd. Daarom zijt gij nodig om zijn plaats in te nemen, maak u op, en begeef u tot het werk." Als nuttige mannen worden weggenomen, dan moeten zij, die hen overleven, zich aangespoord voelen om zoveel ijveriger te zijn in goed doen. Die en die zijn gestorven, en weldra moeten ook wij sterven, zo laat ons dan werken zolang het dag is. Het is een grote zegen, een grote weldaad voor een volk, als, wanneer nuttige mensen weggenomen worden uit hun arbeid en werkkring, er anderen verwekt worden in hun plaats, om voort te gaan met het werk, waar zij er mee gebleven zijn. Jozua moet zich opmaken om te voleindigen wat Mozes begonnen heeft, zo zullen de latere geslachten ingaan tot de arbeid van de vorigen. En zo doet Christus, onze Jozua, voor ons wat nooit door de wet van Mozes gedaan kon worden, rechtvaardigt, Handelingen 13:39; en heiligt, Romeinen 8:2,3. Het leven van Mozes baande de weg voor Jozua, en bereidde het volk voor hetgeen door hem gedaan zou worden, zo is de wet een tuchtmeester om ons tot Christus te brengen. En toen maakte de dood van Mozes plaats voor Jozua, aldus zijn wij van de wet van onze eerste man gedood, opdat wij eens anderen, namelijk van Christus, zouden worden, Romeinen 7:4.
3. De bijzondere dienst, waartoe hij nu geroepen was. "Maak u op, trek over deze Jordaan, deze rivier, waarop gij het gezicht hebt, en aan welker oevers gij nu gelegerd zijt." Dit was een beproeving van het geloof van Jozua of hij orders zou geven om de rivier over te trekken, toen er geen zichtbare weg was om er overheen te komen, ten minste toen niet en aan deze plaats niet, nu de Jordaan vol was aan al haar oevers, Hoofdstuk 3:15. Hij had geen pontons, of schipbrug, om hen over te voeren en toch moet hij geloven dat God, hun bevolen hebbende over te trekken, een weg voor hen zou openen. De Jordaan over te trekken, was Kanaän binnen te gaan, daarheen mocht Mozes kon Mozes, hen niet brengen, Deuteronomium 31:2. Aldus is de eer om vele kinderen tot de heerlijkheid te leiden, weggelegd voor Christus "de oversten Leidsman van onze zaligheid," Hebreeën 2:10.
4. De schenking van het land Kanaän aan de kinderen Israëls is hier herhaald, vers 2-4. Ik geef het hun. Aan de aartsvaders was het beloofd, Ik zal het geven, maar nu het vierde geslacht voorbij was gegaan, de ongerechtigheid van de Amorieten volkomen was, en de tijd gekomen was voor de vervulling van de belofte, wordt het land hun werkelijk overgedragen, worden zij in het bezit gesteld van hetgeen zij zolang hadden verwacht. "Ik geef het u, neemt bezit het is geheel het uwe," ja meer, vers 3. Ik heb het u gegeven, hoewel het nog niet veroverd is is het u toch even zeker en gewis alsof gij her reeds in handen hadt.
Merk op:
a. De personen, aan wie de overdracht geschied is: hun, de kinderen Israëls, vers 2, omdat zij het zaad Jakobs zijn, die Israël werd genoemd, toen hem deze belofte gegeven werd, Genesis 35:10, 12,. Aan de kinderen Israëls zal, hoewel zij zeer tergend zijn geweest in de woestijn, toch, om van de vaderen wil, het onvervreemdbare erfrecht bewaard blijven. En het waren de kinderen van de murmureerders, van wie God zei, dat zij Kanaän zouden binnengaan, Numeri 14:31.
b. Het land, dat hun overgedragen is, van de rivier Eufraat oostwaarts tot aan de Middellandse zee westwaarts, vers 4. En nu hebben zij vanwege hun zonde dit ruime erfdeel wel nooit ten volle bezeten, maar zo zij gehoorzaam waren geweest aan God, zouden zij dit en nog veel meer van Hem hebben ontvangen. Uit al deze landen, en uit nog vele andere, zijn er in het verloop van de tijden proselieten van de Joodse Godsdienst gekomen, zoals blijkt in Handelingen 2:5 en verv. Indien hun kerk verruimd was, dan kan niet gezegd worden dat de belofte van geen kracht was, al was hun volk dan ook niet vermenigvuldigd. En zo deze belofte niet ten volle verwezenlijkt werd naar de letter, dan kunnen de gelovigen hieruit afleiden, dat zij nog een verdere betekenis had, en vervuld zal worden in het rijk van de Messias, beide in Zijn rijk van de genade en in Zijn rijk van de heerlijkheid.
c. De voorwaarde van de schenking ligt opgesloten in de woorden: gelijk als Ik tot Mozes gesproken heb, dat is: op de voorwaarden, die Mozes u dikwijls heeft meegedeeld: indien gij Mijn inzettingen houdt, dan zult gij ingaan, en dat goede land erfelijk bezitten. Neemt het onder dit beding en die bepalingen, en anders niet. Het gebod en de belofte moeten niet van elkaar gescheiden worden.
d. Er wordt te kennen gegeven, hoe gemakkelijk zij bezit zullen krijgen van dit land (als zij dit niet door hun eigen schuld zullen verhinderen) in deze woorden:, "Alle plaats, waarop ulieder voetzool treden zal (binnen de volgende grenzen) uw zijn. Zet er slechts uw voet op, en gij hebt haar."
5. De beloften, die God hier aan Jozua geeft tot zijn bemoediging. a. Dat hij er zeker van kon wezen, dat God met hem zal zijn in het grote werk, waartoe hij geroepen was, vers 5. Gelijk als Ik met Mozes geweest ben om hem te leiden en te bekrachtigen, hem te erkennen en voorspoedig te maken hem deed welslagen in zijn uitvoeren van Israël uit Egypte en zijn leiden van hen door de woestijn, zo zal Ik met u zijn om u instaat te stellen hen in te brengen in Kanaän. Jozua was zich wel bewust ver achter te staan bij Mozes in wijsheid en genade; maar wat Mozes gedaan heeft, deed hij doordat God met hem was, en hoewel Jozua niet altijd de tegenwoordigheid van geest had, die Mozes gehad heeft, dan zal het, zo hij de tegenwoordigheid van God heeft, toch wèl met hem wezen. Het is voor het opkomend geslacht van Evangeliedienaren en Christenen een grote troost, dat dezelfde genade, die genoegzaam was voor hen, die hun zijn voorgegaan, hun niet zal ontbreken, indien zij niet in gebreke blijven er een goed gebruik van te maken. Wederom wordt dit herhaald in vers 9 :De Heere, uw God, is met u als een God van macht, en die macht zal met u wezen, overal waar gij heengaat. Zij, die gaan waar God hen zendt, zullen waar zij ook gaan Zijn tegenwoordigheid hebben, en meer hebben zij niet nodig om gerust en voorspoedig te zijn.
b. Dat Gods tegenwoordigheid hem nooit onthouden zal worden. Ik zal u niet begeven en zal u niet verlaten, vers 5. Mozes had hem hiervan verzekerd, Deuteronomium 31:8, dat, schoon hij hem nu moest verlaten, God hem nimmer zou verlaten, en hier bevestigt God zelf het woord Zijns knechts Mozes, Jesaja 44:26, en verbindt zich Jozua nooit te zullen verlaten. Wij hebben de tegenwoordigheid Gods nodig, niet slechts als wij ons werk beginnen om er ons in te stellen, maar ook bij de voortgang om er ons in te helpen. Indien zij te eniger tijd ons faalt, dan is het met ons gedaan, maar hier kunnen wij zeker van zijn: de Heere is met ons, zolang wij met Hem Zijn. Deze belofte hier gedaan aan Jozua, wordt toegepast op alle gelovigen, en gebruikt als een argument tegen geldgierigheid, Hebreeën 13:5. Zijt vergenoegd met het tegenwoordige, want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet verlaten.
c. Dat hij de overwinning zal wegdragen over al de vijanden van Israël, vers 5. Niemand van hen, die tegen u opkomen, zal voor uw aangezicht bestaan. Voor het aangezicht van hen, die God aan hun zijde hebben, zal nooit iemand kunnen bestaan; Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? God belooft hem onbetwistbare voorspoed, de vijand zal geen stand tegen hem houden; en voortdurende voorspoed, al de dagen zijns levens; hoe het ook met Israël wezen zou nadat hij was heengegaan, zijn regering zei luisterrijk zijn door overwinningen. Hetgeen waar Jozua het volk lang tevoren mee aangemoedigd had, Numeri 14:9, daar moedigt God hem nu mee aan.
d. Dat hijzelf het land onder de kinderen Israëls zal verdelen vers 6. Het was bij het begin van zijn werk een grote bemoediging voor hem, dat hij er zeker van was het voleindigd te zullen zien, en dat zijn arbeid niet tevergeefs zal wezen. Sommigen maken het tot een reden, waarom hij zich zou wapenen met vastberadenheid en goede moed zou hebben, dat het volk zo slecht van aard was, hetwelk hij dit land moest doen beërven; hij wist welk een weerspannig ontevreden volk het was, en hoe onhandelbaar zij geweest zijn in de tijd van zijn voorganger; laat hem dus kwelling van hen verwachten, maar goedsmoeds zijn.
6. De last en het bevel door God aan Jozua gegeven. A. Hij moet zich in alles gedragen naar de wet van God en die tot zijn richtsnoer stellen vers 7, 8. God geeft als het ware het boek van de wet in Jozua's hand, zoals toen Joas gekroond was, hem de getuigenis werd gegeven, 2 Koningen 11:12. En betreffende dit boek wordt hem bevolen:
a. Dat hij het dag en nacht moet overleggen, teneinde het te verstaan en het bij alle gelegenheden te gebruiken. Indien ooit iemands werk of beroep hem verontschuldigd zou kunnen hebben van overpeinzing en andere oefeningen van de Godsvrucht, dan zou men denken dat Jozua's werk er hem toen van verontschuldigd kon hebben. Er was hem een grote, gewichtige zaak opgedragen, de zorg daarvoor kon hem wel geheel innemen, al zou hij ook tien zielen gehad hebben, en toch moet hij tijd vinden voor overdenking. Welke wereldlijke zaken wij ook te behartigen hebben, het een nodige moeten wij niet veronachtzamen.
b. Het niet te laten wijken van zijn mond, dat is: al zijn orders aan het volk en zijn uitspraken in rechtszaken, die tot hem gebracht werden, moesten in overeenstemming wezen met de wet van God, bij alle gelegenheden moest hij spreken naar dat woord, Jesaja 8:20. Jozua moest het werk, door Mozes begonnen, in stand houden en voortzetten, en daarom moest hij niet alleen de verlossing, door Mozes voor hen gewrocht, voltooien, maar ook de heilige Godsdienst, die hij onder hen gevestigd had, hoog houden. Het was niet nodig nieuwe wetten te maken, maar het goede pand, dat hem toebetrouwd is, moet hij trouw en zorgvuldig bewaren, 2 Timotheus 1:14.
c. Hij moet waarnemen te doen naar alles, wat in het boek van de wet geschreven is. Daarvoor moet hij het overleggen of bepeinzen, niet alleen om de wille van de bespiegeling of om zijn hoofd te vervullen met denkbeelden, of teneinde er iets in te vinden om er de priesters mee in verlegenheid te brengen, maar opdat hij beide als man en magistraat, zou waarnemen te doen naar hetgeen daarin geschreven is. En er waren verscheiden dingen in geschreven, die inzonderheid betrekking hadden op het werk, dat hem nu te doen stond, zoals de wetten betreffende hun oorlogen, de verdelging van de Kanaänieten, en de verdeling van Kanaän, enz, deze moet hij nauwkeurig waarnemen. Jozua was een man van grote macht en gezag, maar hij moet zelf onder bevel staan, en doen wet hem gezegd wordt. Niemands waardigheid of heerschappij hoe groot ook, stelt hem boven de wet van God. Jozua moet niet slechts regeren door de wet, en er zorg voor dragen dat het volk de wet waarneemt, hij moet haar ook zelf waarnemen, en aldus door zijn eigen voorbeeld de eer en de macht er van handhaven.
Ten eerste: Hij moet doen wat geschreven is, het is niet genoeg het Woord te horen en te lezen, het te prijzen en te bewonderen, het te kennen en in het geheugen te hebben, er over te spreken en te redeneren, maar wij moeten het doen. Ten tweede: Hij moet doen naar alles wat daarin geschreven is, nauwkeurig de wet gadeslaande als zijn voorbeeld, en doende, niet alleen hetgeen er in geëist wordt, maar in alle omstandigheden naar de daarin voorgeschreven regels.
Ten derde. Hij moet doen naar alles wat geschreven is, zonder uitzondering of voorbehoud, acht gevende op al Gods geboden, zelfs die het minst aangenaam zijn aan vlees en bloed.
Ten vierde. Hij moet waarnemen aldus te doen, de bestraffingen waarnemen van het geweten, de wenken van de Voorzienigheid, en al de voordelen van gelegenheid en tijd, voor een algemene gehoorzaamheid is zorgvuldig waarnemen nodig. Ten vijfde. Hij moet er niet van afwijken, hetzij in zijn eigen doen en handelen of in enigerlei regeringsdaad, hij moet er niet van afwijken ter rechter noch ter linkerhand, want aan beide zijden zijn er dwalingen, en de deugd is in het midden.
Ten zesde. Hij moet sterk zijn en goede moed hebben, teneinde waar te nemen om te doen naar de wet. Er is op de weg des plichts zoveel, dat ontmoedigt dat zij, die er op willen voortgaan en er in willen volharden, moed en vastberadenheid nodig hebben. En eindelijk, om hem aan te moedigen in zijn gehoorzaamheid, verzekert Hij hem, dat hij dan verstandig zal handelen, en zijn wegen voorspoedig zal maken, vers 7, 8. Zij, die zich het woord Gods ten richtsnoer stellen en dat richtsnoer dan nauwgezet volgen, zullen goed handelen en voorspoedig zijn, Psalm 111:10. En het zal hun goede hoop geven op de beste zegeningen, God zal hun de begeerte huns harten geven.
B. Dat hij zich hierin moet bemoedigen met de belofte en de tegenwoordigheid van God, en die tot zijn steun moet maken, vers 6. Wees sterk en heb goede moed. En wederom, vers 7 alsof dit voor hem het een nodige was Alleenlijk wees sterk en heb zeer goede moed. En Hij besluit hiermede, vers 9 :Wees sterk en heb goede meed, verschrik niet, en ontzet u niet. Jozua had sedert lang reeds blijken gegeven van dapperheid en moed, in de oorlog met Amalek, en in zijn verschil van gevoelen met de boze verspieders, en toch acht God het gepast om hem aldus dit gebod in te prenten. Zij, die genade hebben, hebben het nodig telkens en nogmaals geroepen te worden om die genade in beoefening te brengen, en haar aan te kweken. Jozua was nederig, klein in zijn eigen ogen, niet wantrouwig van God en Zijn macht en belofte, maar mistrouwig ten opzichte van zichzelf en van zijn eigen wijsheid en kracht, en genoegzaamheid voor het werk, inzonderheid nu hij na zo groot een man kwam als Mozes geweest is, en daarom herhaalt God zo dikwijls dit: Wees sterk en heb goede moed, laat de bewustheid uwer eigen zwakheid u niet ontmoedigen, God is algenoegzaam. Heb Ik u niet bevolen?
a. "Ik heb bevolen dat het werk gedaan zal worden, en daarom zal het gedaan worden, hoe onoverkomelijk de moeilijkheden ook mogen schijnen, die op de weg liggen". Ja meer,
b. "Ik heb u bevolen, geroepen en opgedragen om het te doen, en daarom zal Ik u voorzeker helpen en bekrachtigen, er u doorhelpen". Als wij in de weg des plichts zijn, dan hebben wij reden om sterk te wezen en zeer goede moed te hebben, en het zal ons grotelijks helpen om ons te bezielen op te wekken en aan te moedigen, als wij ons oog gericht houden op de Goddelijke machtiging en God horen zeggen: "Heb Ik u niet bevolen". Evenals hier Jozua, is onze Heere Jezus gesteund onder Zijn lijden door acht te geven op de wil van God en het gebod, dat Hij van Zijn Vader had ontvangen, Johannes 10:18.