Jozua 1:10-15
Bevestigd zijnde in de regering, begeeft Jozua zich nu terstond tot de zaken, niet om een grote staat te gaan voeren en zich aan vermaak over te geven, maar om het werk Gods te bevorderen onder het volk, waarover God hem had aangesteld. Evenals hij, die tot een opzienersambt lust heeft, 1 Timotheus 3:I, zo begeert ook hij, die lust heeft tot het ambt van een magistraat, een werk, een treffelijk werk, geen van beide wordt tot dit ambt bevorderd om lui of ledig te zijn.
I. Hij vaardigt bevelen uit aan het volk om zich te bereiden voor de opmars. Zij waren in deze plaats zolang gelegerd geweest, dat het een enigszins moeilijk werk zou zijn om nu op te breken. De ambtlieden van het volk, die onder Jozua in hun respectieve stammen en geslachten het bevel voerden, kwamen tot hem om orders, die zij aan het volk moesten overbrengen. Mindere magistraten zijn in hun plaats even nodig en nuttig voor het openbare welzijn, als de opperste magistraat in de zijne. Wat zou Jozua hebben kunnen doen zonder ambtlieden? Daarom wordt ons bevolen onderdanig te zijn, niet alleen aan de koning, als de oppersten machthebbende, maar ook aan de stadhouders, als die van hem gezonden worden 1 Petrus 2:13, 14. Door deze ambtlieden:
1. Geeft Jozua er in het openbaar kennis van dat zij binnen drie dagen over de Jordaan zullen gaan. Ik veronderstel dat deze orders niet gegeven waren vóór de terugkeer van de verspieders, die uitgezonden waren om berichten in te winnen nopens Jericho, hoewel het verhaal daarvan volgt.
2. En misschien was dit zo'n blijk van zijn bezorgdheid en grote voorzichtigheid, dat het daarom nodig was hem zo dikwijls te bevelen sterk te zijn en goede moed te hebben.
Merk op met welk een stellige verzekerdheid Jozua het tot het volk zegt, omdat God tot hem gezegd had: Gij zult over de Jordaan gaan en het land bezitten. Wij eren grotelijks de waarheid Gods als wij niet twijfelen aan de belofte Gods.
2. Hij geeft hun bevelen om teerkost voor zich te bereiden, niet om transportschepen te maken, Hij, die hen op arendsvleugelen uit Egypte had gedragen, zou hen evenzo naar Kanaän dragen, om hen tot zich te brengen Exodus 19:4, maar zij, die geneigd waren om behalve het manna, dat nog niet had opgehouden, nog andere levensmiddelen te hebben moeten ze bereiden en tegen de bepaalde tijd gereed hebben. Misschien is het manna, hoewel het niet geheel ophield vóór zij in Kanaän waren gekomen, Hoofdstuk 5:12, nu zij in een bewoond land waren gekomen, Exodus 16:35, waar zij zich ten dele van andere levensmiddelen konden voorzien, niet meer in zo overvloedige mate gevallen, en hebben zij er niet zoveel van verzameld als toen het hun voor het eerst gegeven werd in de woestijn, maar langzamerhand minder, en daarom wordt hun nu bevolen zich van andere levensmiddelen te voorzien, waarin misschien ook andere benodigdheden voor hun mars waren begrepen. En sommige Joodse schrijvers willen het, uit aanmerking dat zij, het manna hebbende, geen andere levensmiddelen nodig hadden, in overdrachtelijken zin opvatten, namelijk dat zij berouw moeten hebben van hun zonden, en zich met God moeten verzoenen, en het besluit moeten nemen om een nieuw leven te gaan leiden, teneinde bereid te zijn om deze grote gunst te ontvangen. Zie Exodus 19:10, 11.
II. Hij herinnert de twee en een halve stam aan de verplichting, die op hen rustte om met hun broeders over de Jordaan te gaan, hoewel zij hun gezinnen en hun bezittingen aan deze zijde van de rivier achterlieten. Het belang van de andere stammen maakte dat zij blij waren om over de Jordaan te gaan, maar in deze was het een daad van zelfverloochening en daarom was het nodig op de overeenkomst te wijzen, die Mozes met hen was aangegaan toen hij hun voor hun broeders een bezitting gaf, vers 13. Gedenkt aan het woord, hetwelk Mozes ulieder geboden heeft. Sommigen van hen waren misschien wel bereid te denken dat, nu Mozes, die zij in deze zaak wel te hard voor hen vonden, gestorven was, zij wel de een of andere verontschuldiging zouden kunnen vinden om zich van de zaak af te maken, of dat zij Jozua konden bewegen om hen van hun belofte te ontslaan, maar hij houdt er hen aan en laat hun weten dat, hoewel Mozes dood was, de bevelen en de beloften nog in volle kracht waren. Hij herinnert hen:
1. Aan de voordelen, die zij ontvangen hadden, door het eerst gevestigd te zijn: "De Heere, uw God, heeft ulieden rust gegeven, rust gegeven aan uw geest, uw gemoed, gij weet waar gij op aan kunt, en zijt niet als de overige stammen, wachtende op de uitslag van de krijg, en daarna van het lot. Hij heeft ook rust gegeven aan uw gezinnen, uw vrouwen en kinderen, die naar uw genoegen gevestigd zijn. Hij heeft u rust gegeven, door u dit land, dit goede land, te geven, waarvan gij in het volle en rustige bezit zijt." Als God door Zijn voorzienigheid ons rust heeft gegeven, dan moeten wij bedenken hoe wij met het voordeel er van Hem kunnen eren, en welke dienst wij onze broederen kunnen bewijzen, die nog niet gevestigd zijn, of nog niet zo goed zijn gevestigd als wij. Toen God rust had gegeven aan David, 2 Samuël 7:I, zie eens hoe rusteloos hij was, totdat hij voor de Heere een plaats gevonden had voor de ark, Psalm 132:4, 5. Als God ons rust heeft gegeven, moeten wij ons wachten voor traagheid en voor stil te liggen op ons uitvaagsel.
2. Hij doet hen gedenken aan hun overeenkomst om hun broeders te helpen in de oorlogen met Kanaän, totdat God hun evenzo rust had gegeven, vers 14, 15. Dit was:
a. Billijk op zichzelf. De stammen waren zo nauw met elkaar verbonden, dat zij zich wel als elkanders leden moesten beschouwen.
b. Het was hun bevolen door Mozes, de knecht des Heeren, hij heeft hun geboden dit te doen, en Jozua, zijn opvolger, moet er voor zorgen, dat zijn bevelen worden nagekomen.
c. Het was het enige middel, dat zij hadden, om zich te behoeden voor de schuld van een grote zonde in zich te vestigen aan deze zijde van de Jordaan, een zonde, die hen vroeg of laat zou vinden, Numeri 32:23.
d. Het was de voorwaarde, waarop Mozes hun de schenking had gedaan van het land, dat zij in bezit hadden zodat zij niet zeker konden zijn van er ten volle recht op te hebben, of het met gerustheid te kunnen bezitten als het land hunner erfenis, zoals het hier genoemd wordt, vers 15 indien zij de voorwaarde niet nakwamen.
e. Zij zelf hadden die verbintenis gesloten: Uw knechten zullen doen gelijk als mijn heer gebiedt. Numeri 32:25. Aldus rusten op ons allen velerlei verplichtingen om elkaars handen te sterken en niet slechts ons eigen, maar elkanders welzijn te zoeken.