Jozua 5:10-12
Wij kunnen ons voorstellen hoe verbaasd het volk van Kanaän was, en dat zij, de bewegingen van de vijand waarnemende, hen zeer vreemd moeten gevonden hebben. Als krijgslieden te velde trekken, dan houden zij zich allicht voor verontschuldigd om hun godsdienstplichten waar te nemen (zij hebben er geen tijd voor en kunnen hun gedachten er niet bij bepalen) maar Jozua opent de veldtocht met het volbrengen van de ene Godsdienstplechtigheid na de andere. Wat later tot een andere Jozua gezegd werd, kon in waarheid ook tot deze gezegd worden: "Hoor nu toe, Jozua, en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken," Zacheria 3:8, en toch heeft hij de rechte methode gevolgd. Datgene zal zeer waarschijnlijk goed eindigen, hetwelk met God is begonnen. Hier wordt:
I. Een plechtig pascha gehouden, op de tijd door de wet bepaald, op de veertienden dag van de eerste maand, en in dezelfde plaats waar zij besneden waren, vers 10. Terwijl zij in de woestijn omdwaalden, waren hun het voorrecht en de vertroosting van deze inzetting ontzegd, als nog een ander teken van Gods misnoegen, maar nu heeft God in antwoord op het gebed van Mozes na het uitspreken van dat vonnis Psalm 90:15, hen wederom vertroost, naar de dagen in dewelke Hij hen gedrukt had, en daarom wordt nu deze vreugdevolle inzetting weer vernieuwd. Nu zij Kanaän waren binnengetreden was het de geschikte tijd om de wonderwerken van Gods macht en goedheid te gedenken, waarmee zij uit Egypte waren uitgevoerd. Het voleinden van de zegeningen moet het begin er van in het geheugen terugroepen, en als het volkomen dag is, moeten wij niet vergeten hoe welkom het morgenlicht is geweest, als wij er lang op gewacht hebben. Het plechtige pascha volgde onmiddellijk op de plechtige besnijdenis, en zo bevinden wij dat zij, die het woord hadden ontvangen, gedoopt waren, en toen onmiddellijk deelnamen aan de breking des broods, Handelingen 2:41, 42. Zij hielden dit pascha in de vlakke velden van Jericho in uittarting, als het ware, van de Kanaänieten, die hen omringden en verwoed op hen waren, en hun toch geen stoornis konden veroorzaken. Aldus gaf God hun reeds vroeg een voorbeeld van die belofte, dat, als zij zullen opgaan naar hun plechtige feesten, hun land terwijl onder de bijzondere bescherming van de Goddelijke voorzienigheid zou wezen, Exodus 34:24, "dan zal niemand uw land begeren." Thans richtte Hij "de tafel toe voor hun aangezicht tegenover hun tegenpartijders," Psalm 23:5. Hun leger wordt voorzien van het koren des lands, en toen hield het manna op, vers 11, 12. Het manna was een heerlijke zegen voor hen, toen zij het nodig hadden, maar het was het kenmerk van de woestijnstaat, het was het voedsel van kinderen, en hoewel het engelenspijs was en dus niet te minachten als licht brood, zal het hun toch nu aangenamer zijn om van het koren van het land te eten, en daarvan worden zij nu voorzien. Om veilig te zijn, hadden de landlieden zich teruggetrokken binnen Jericho, hun schuren en akkers verlaten met alles wat er in en op was, en dit diende nu tot onderhoud van dit grote leger. En die voorraad kwam zeer tijdig, want:
1. Na het pascha moesten zij het feest van de ongezuurde broden houden, dat zij niet overeenkomstig het gebod konden, als zij niets anders dan het manna hadden om van te leven, misschien was dit wel een van de redenen waarom het in de woestijn niet gehouden werd. Maar nu vonden zij in de schuren van de Kanaänieten genoeg overjarig koren om hen overvloedig te voorzien bij deze gelegenheid, aldus is het vermogen van de zondaar weggelegd voor de rechtvaardige, en weinig dachten zij, die het toebereid hadden, van wie het zijn zou. 2. Op de morgen na de paassabbatdag, moesten zij "de garf van de eerstelingen voor het aangezicht des Heeren bewegen," Leviticus 23:10,11. En hun was inzonderheid bevolen dit te doen als zij in het land zullen gekomen zijn, hetwelk God hun geven zou, en hiertoe werden zij nu voorzien van de vrucht van het land, in hetzelfde jaar, vers 12, die toen groeide en rijp begon te worden. Aldus waren zij, als goede huishouders, wel voorzien beide van oud en nieuw koren, Mattheus 13:52. En niet zodra waren de vruchten van dit goede land hun in handen gekomen, of zij hadden een gelegenheid om er God mee te eren, en ze naar Zijn gebod in Zijn dienst te gebruiken. En zie, aldus zijn hun alle dingen rein en lieflijk. Calvijn is van mening dat zij gedurende hun omwandelingen in de woestijn ieder jaar op de bestemde tijd het pascha hebben gehouden, al wordt het niet vermeld, en dat God hun vrijstelling had verleend van de besnijdenis, opdat zij er van mochten eten, hoewel zij onbesneden waren, en hun ook vrijheid was verleend om andere offeranden te brengen, maar anderen maken uit de vraag, gedaan in Amos 5:25 op, dat er na het vonnis, dat over hen geveld was, geen offeranden geofferd werden vóór zij in Kanaän kwamen, en dat zij dus ook geen pascha hebben gehouden. En het is opmerkelijk dat nadat het vonnis over hen was uitgesproken, Numeri 14, de wet, die volgt in hoofdst. 15 betreffende de offers, begint met deze woorden, vers 2 :"Wanneer gij gekomen zult zijn in het land van uw woningen, dan zult gij zo en zo doen."
Er wordt nota genomen van het ophouden van het manna, zodra zij van het overjarige koren des lands hadden gegeten.
a. Om te tonen dat het niet kwam bij geval, of door de gewone voorzienigheid, zoals sneeuw en hagel, maar door een bijzondere aanwijzing of beschikking van de Goddelijke wijsheid en goedheid, want gelijk het kwam juist toen zij het nodig hadden, zo bleef het ook zolang zij er behoefte aan hadden, en niet langer.
b. Om ons te leren geen buitengewone voorziening te verwachten, als zij door de gewone middelen verkregen kan worden. Indien God met Israël naar verdienste had gehandeld, dan zou het manna opgehouden hebben toen zij het zeer licht brood hebben genoemd, maar zolang zij het nodig hadden heeft God het laten blijven, hoewel zij het minachtten, en nu zij het niet meer nodig hadden, heeft God het doen ophouden, hoewel sommigen van hen het misschien begeerden. Hij is een wijs Vader, die de behoeften kent van Zijn kinderen, en Zijn gaven inricht naar hen, maar niet naar hun luimen. Het Woord en de inzettingen Gods zijn geestelijk manna, waarmee God Zijn volk voedt in de woestijn, en hoewel wij ze dikwijls verbeuren, laat Hij ze ons behouden terwijl wij hier zijn, maar, als wij in het hemelse Kanaän komen, dan zal dit manna ophouden, want dan hebben wij het niet langer nodig.