Richteren 18:1-6
1. Hier is, hoe deze Danieten het oog hadden op Laïs, niet de hele stam van Dan, maar een van hun geslachten, in welks lot bij de onderverdeling van Kanaän deze stad is gevallen. Totnutoe was dit geslacht onder hun broederen blijven wonen, die bezit hadden genomen van hun erfdeel, dat tussen Juda en de Filistijnen gelegen was, en hadden geweigerd om naar hun eigen stad te gaan, omdat er geen koning in Israël was om hen te regeren, vers 1. Die stad lag op een grote afstand, gescheiden van het overige van hun stam, zij was nog geheel in de macht van de vijand, en daarom wilden zij liever tafelschuimers zijn bij hun broederen, dan heen te gaan om voor zichzelf te zorgen. Eindelijk echter werden zij er door de noodzakelijkheid toe gedwongen, en begonnen zij te denken aan een eigen erfdeel om in te wonen. Het is beter om weinig te hebben, dat ons eigendom is, dan altijd van anderen afhankelijk te zijn.
2. Het onderzoek, dat dit geslacht van de Danieten naar Laïs instelde. Zij zonden vijf mannen uit om het land te verspieden, vers 2, opdat zij bekend zouden worden met de hoedanigheid van het land, of het een erfdeel was, dat het de moeite waard is om er zo ver voor te gaan, en met de houding van het volk, of het uitvoerbaar was om er zich meester van te maken, welke krijgsmacht er toe nodig was, en wat de beste manier was om er een aanval op te doen. De personen, die zij zonden, waren strijdbare mannen, die, indien zij in de handen van hun vijanden zouden vallen, het gevaar onder de ogen wisten te zien. Het is wijs om eerst goed uit te zien eer wij de sprong doen, eerst te wegen en dan te wagen. Dan had de listigheid van een slang aan de weg, Genesis 49:17, zowel als de moed van een jongen leeuw, die uit Basan voortspringt, Deuteronomium 33:22.
3. De kennismaking van deze verspieders met Micha's priester, en het gebruik, dat zij er van maakten. Zij schijnen de Leviet tevoren gekend te hebben, daar hij op zijn omzwervingen soms in hun land geweest is, en hoewel zijn gelaat of voorkomen veranderd kon zijn, herkenden zij hem toch aan zijn stem vers 3. Zij waren verwonderd hem zo ver weg te vinden, vroegen wat hem herwaarts had gebracht, en hij zei hun, vers 4, wat hij hier deed, en hoe hij hier aangemoedigd was. Vernemende dat hij een orakel onder zijn berusting had, verzochten zij hem hun te zeggen, of zij voorspoedig zouden zijn in hun onderneming, vers 5. Zie hun onverschilligheid en onachtzaamheid ten opzichte van God en Zijn voorzienigheid, zij zouden de mond des Heeren in het geheel niet gevraagd hebben, indien deze Leviet niet van de serafim had gesproken, die hij onder zijn berusting had, en het hun aldus in de gedachten gebracht had. Velen denken nooit aan de Godsdienst dan wanneer het eens in hun kraam te pas komt, of wanneer zij het niet kunnen vermijden. Zie hun onwetendheid omtrent de wet Gods, daar zij dachten dat God, die toch het Godsdienstig gebruik van gesneden beelden verboden had hen toch zou zegenen bij het raadplegen van een beeld, en hun een antwoord des vredes zou geven. "Word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?" Ezechiël 14:3. Zij schijnen een hogeren dunk gehad te hebben van Micha's serafim dan van Gods urim, want zij waren Silo voorbij gekomen, maar, voorzover blijkt hadden zij daar Gods hogepriester niet geraadpleegd, maar Micha's armzalige Leviet zal een godsspraak voor hen zijn. Deze ging hiervoor naar zijn gewone methode te werk van de serafim te raadplegen, en, hetzij hij er al of niet zelf geloof aan sloeg, hij wist zich zo goed te schikken naar de zaak, dat hij hun wist te doen geloven, dat hij een antwoord van God had, hen aanmoedigende om voort te gaan, en gerust te zijn omtrent hun succes, vers 6. "Gaat in vrede, gij zult veilig wezen en kunt gerust zijn, uw weg, welke gij zult heentrekken, is voor de Heere". dat is: "Hij keurt hem goed," (zoals er gezegd is, dat de Heere de weg van de rechtvaardigen kent met welgevallen)" en daarom zal Hij hem voorspoedig maken, Zijn oog zal op u zijn ten goede, Hij zal u leiden op de weg, en uw uitgang en uw ingang bewaren." Het moet onze grote zorg wezen, dat onze weg zodanig is, dat de Heere hem kan goedkeuren, en indien hij aldus is, dan kunnen wij ook heengaan in vrede. Als God voor ons zorgt, zo laat ons dan onze zorg werpen op Hem, en er van overtuigd wezen, dat, zo Hij voor ons heen gaat, wij onze weg niet kunnen missen.