Jozua 19:49-51
In dit laatste vers wordt het verhaal van de verdeling des lands plechtig ten einde gebracht, hetgeen aanduidt dat het tot ieders genoegen en tevredenheid was geschied maar eerst hebben wij het bericht van het bijzondere erfdeel, dat aan Jozua werd toegewezen.
I. Hij was de laatste, die een erfdeel ontving, hoewel hij de oudste en voornaamste persoon was van geheel Israël, en, daar hij het opperbevel had gevoerd bij de verovering van Kanaän wel geëist zou kunnen hebben om het eerst voor zich en zijn geslacht een vestiging te ontvangen. Maar hij wilde doen blijken dat hij in alles wat hij deed het goede voor zijn volk op het oog had, maar niet zijn eigen bijzonder belang. Hij was tevreden om nog ongevestigd te blijven, totdat hij allen goed geplaatst zag, en hierin is hij een groot voorbeeld voor allen, die een openbaar ambt bekleden om het algemeen welzijn voor hun eigen wens of genoegen te stellen. Laat eerst het publiek verzorgd zijn.
2. Hij ontving zijn lot naar de mond des Heeren. Waarschijnlijk heeft God, toen Hij door Mozes aan Kaleb zei welk erfdeel hij zou ontvangen, Jozua 14:9, dezelfde belofte gegeven aan Jozua, waardoor hem zijn erfdeel dubbel lieflijk werd, daar hij het niet, zoals de overigen, door Gods algemene voorzienigheid, maar door een bijzondere belofte had verkregen.
3. Hij koos het op het gebergte Efraïm, dat aan zijn eigen stam behoorde, waardoor hij dus in gemeenschap bleef met zijn stam, terwijl hij door een bijzonder voorrecht zijn erfdeel in een anderen stam, bijvoorbeeld in die van Juda, had kunnen kiezen, om zich aldus van zijn stamgenoten te onderscheiden. Laat niemand door de eer of het aanzien, waartoe hij gekomen is, zich zijn familie of zijn land schamen, of er van vervreemd worden. De tabernakel was in het lot van Efraïm opgericht, en Jozua wilde het zo overleggen, dat hij er niet ver van af zou zijn.
4. De kinderen Israëls worden gezegd het hem gegeven te hebben, vers 49, hetgeen zijn ootmoed te kennen geeft, daar hij het niet wilde nemen zonder de toestemming en goedkeuring des volks, waarmee hij heeft willen erkennen hoewel "major singulis, groter dan iemand hunner afzonderlijk," toch "minor universis-minder dan geheel de vergadering-"te zijn, en de bezitting van zijn geslacht, onder God, door de schenking des volks wilde houden.
5. Het was een stad, die gebouwd moest worden, eer zij geschikt was om er in te wonen. Terwijl anderen in huizen woonden, die zij niet hadden gebouwd, moet Jozua voor zich bouwen ten einde een voorbeeld te zijn van vlijt en van vergenoegdheid met het geringe, met gebouwen die hij zonder kunst of pracht, in van de haast kon oprichten. Zo is onze Heere Jezus gekomen, en "heeft onder ons gewoond," niet in pracht maar in armoede, ons rust bereidende, terwijl Hij zelf niet had waar Hij het hoofd zou nederleggen. Ook Christus heeft zichzelf niet behaagd.