Jozua 17:14-18
I. De kinderen Jozefs zijn hier ontevreden met hun lot. Indien zij een rechtmatige reden tot ontevredenheid gehad hadden, dan zou Jozua naar wij reden hebben te geloven, hen geholpen hebben, door er iets aan toe te voegen, of te veranderen, maar het blijkt niet dat hij dit gedaan heeft. Waarschijnlijk hebben zij, omdat Jozua zelf van die stam was, zich gevleid dat hun wel enigerlei bijzondere gunst zou betoond worden, en dat zij niet bepaald zouden blijven bij de beslissing van het lot, tenminste niet zo streng er bij bepaald zouden blijven als de andere stammen, maar Jozua laat hun weten dat hij in de vervulling van zijn ambt als openbaar persoon niet meer acht gaf op zijn stam dan op welke anderen ook en zonder gunst of partijdigheid zou handelen, en hierin heeft hij een voortreffelijk voorbeeld nagelaten aan allen, die met een openbaar ambt bekleed zijn. Er was zeer voldoende voor hen gezorgd, zij hadden, voorzoveel blijkt, zoveel als zij konden beheren, en toch noemen zij het geringschattend slechts een lot, alsof hetgeen aan beide toegewezen was, nauwelijks genoeg was voor een. Het woord voor klagers, Judas: 16, is mempsimoiroi, klagers over hun staat, zoals de kinderen van Jozef, die datgene veranderd wilden hebben, waarvan de beschikking van de Heere is. Zij wijzen op twee dingen om kracht bij te zetten aan hun verzoek om vermeerdering van hun deel.
1. Dat zij door de zegen Gods over hen zeer talrijk zijn, vers 14. Ik ben een groot volk voor zoveel de Heere mij dusver gezegend heeft, en wij hebben reden te hopen dat Hij, die de monden gezonden heeft, er de spijs voor zenden zal. "Ik ben een groot volk, en zal in zo'n klein erfdeel geen ruimte hebben om te gedijen." Doch merk op: als zij met dankbaarheid spreken van hun tegenwoordige toename, spreken zij niet met vertrouwen van de voortduring ervan. "Dusver heeft de Heere mij gezegend, wat Hij ook voor het vervolg goed zal vinden met mij te doen." De onzekerheid omtrent hetgeen zijn zal moet ons niet ondankbaar maken voor hetgeen geweest is, en in goedertierenheid over ons gedaan is.
2. Dat een groot deel van het land, dat hun ten deel was gevallen, nu nog in de handen van de Kanaänieten was, en dat deze geduchte vijanden waren, die ijzeren wagens op het slagveld medebrachten, vers 16, dat is: wegens aan welker zijden, of wagenas, lange zeisen bevestigd waren, die een grote slachting aanrichtten onder allen, die op hun weg kwamen, ze wegmaaiende als koren. Zij voeren aan, dat hun wel een goed erfdeel was toebeschikt, maar dat het in slechte handen was, en zij er niet in het bezit van konden geraken, zij wensen dat hun lot gevallen was in landstreken, die meer ten volle tenonder waren gebracht dan deze hun toegewezen landstreek was.
II. Jozua poogt hen te verzoenen met hun deel. Hij erkent dat zij een "groot volk zijn, en daar zij twee stammen zijn, meer behoorden te hebben dan één lot, vers 17, maar hij zegt hun dat hetgeen hun ten deel was gevallen, een voldoend lot voor hen beide zijn zou, indien zij slechts wilden werken en strijden. Zij begeerden een lot, waar zij zich konden toegeven in gemak en genot en weelde. "Neen", zegt Jozua, "daar moet gij niet op rekenen, in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, is een vonnis, dat zelfs in Kanaän nog van kracht is." Hij werpt hun hun eigen argument terug, dat zij een groot volk zijn. Gij zijt een groot volk, en zijt dus te meer instaat uzelf te helpen, en hebt te minder reden om hulp te verwachten van anderen. Indien gij vele monden hebt, die gevuld moeten worden, dan hebt gij ook tweemaal meer handen om te werken, verdient uw kost, en dan zult gij eten." 1. Hij zegt hun voor meer te werken, vers 15. "Ga op naar het woud, dat binnen uw grenzen is, en laat alle handen aan het werk gaan om bomen om te houwen, ontgint het woeste land, en maakt het door kunst en vlijt tot goed bouwland." Velen verlangen naar grotere bezittingen, die hetgeen zij hebben niet goed weten te gebruiken, er hun voordeel niet mee weten te doen. Zij denken dat hun meer talenten geschonken konden zijn, maar doen geen handel met die welke hun toevertrouwd werden. De armoede van de meeste mensen is het gevolg van hun luiheid, wilden zij graven, zij zouden niet behoeven te bedelen.
2. Hij zegt hun voor meer te strijden, vers 17, 18. Toen zij pleitten dat zij niet in het woud konden komen, waarvan hij had gesproken, omdat in het dal tussen het woud en hen Kanaänieten waren, met wie zij geen strijd durfden beginnen, was Jozua's antwoord: "Vreest hen niet, gij hebt God aan uw zijde, en gij zult de Kanaänieten uitdrijven, indien gij er u slechts in ernst toe begeeft, al hebben zij ook ijzeren wagens." Wij zijn nauw in onszelf als wij de moeilijkheden, die op de weg van onze verruiming liggen, groter achten dan zij in werkelijkheid zijn. Wat is voor geloof en een heilige vastberadenheid onoverkomelijk?