1. Daarna kwam het lot van de kinderen van Jozef 1) uit, van Efraïm en West-Manasse, zodanig, dat zij een gemeenschappelijk gebied verkregen, dat reikte van de Jordaan bij Jericho, van dat gedeelte van de Jordaan in het Oosten, dat tegenover de stad Jericho ligt, tot aan het water van Jericho, de bron es Sultân, zoals zij tegenwoordig heet (
Jozua 6:1), oostwaarts, nl. de 2) woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-El; van daar ging dus de grenspaal noordwestwaarts naar de woestijn Beth-Aven en verder naar het gebergte bij Beth-El; 3)
1) Op Juda en Jozef waren de zegeningen van Ruben overgegaan, daarom wordt over de stam van Jozef gesproken, terstond na die van Juda..
2) De woestijn enz. is appositie van het lot, geeft dus nader het lot, het erfdeel van de kinderen van Jozef, van Efraïm en Manasse aan..
3) Of beter vertaald: op het gebergte naar Bethel..