Jozua 13:7-33
Wij hebben hier:
I. Orders, gegeven aan Jozua, om aan ieder van de stammen zijn aandeel toe te wijzen met inbegrip van het land, dat nog niet veroverd was, in het gelovig vertrouwen dat het veroverd zal worden, als Israël zo vermenigvuldigd zal zijn, dat zij het nodig zullen hebben, vers 7. En nu, deel dit land, Jozua dacht dat alles veroverd moest wezen. eer tot de verdeling kon worden overgegaan. "Neen", zegt God, "er is genoeg veroverd om voor het tegenwoordige doeleinde te dienen, verdeel dat maak er het beste gebruik van, en wacht tot later op het overige". Wij moeten genieten van hetgeen wij hebben, al kunnen wij ook niet alles verkrijgen, wat wij willen hebben.
Merk op:
1. Het land moet verdeeld worden onder de verschillende stammen, en zij moeten niet altijd zoals nu, gemeenschappelijk wonen. Op wat wijze een rechtmatig eigendom ook verkregen wordt, het is de wil van God, die de aarde aan de kinderen van de mensen heeft gegeven, dat er eigendom zij, dat iedereen zal weten wat het zijne is, en geen inbreuk zal maken op hetgeen eens anderen is. De wereld moet door recht worden geregeerd, niet door geweld, door de wet van de billijkheid, en niet door de wapenen.
2. Dat het verdeeld moest worden als erfenis, hoewel zij het verkregen hebben door verovering.
a. De belofte kwam tot hen als een erfdeel van de vaderen: het land van de belofte behoorde aan de kinderen van de belofte, die bemind waren om de wille hunner vaderen, en in vervulling van het verbond met hen.
b. De bezitting er van moest door hen als een erfdeel worden overgedragen aan hun kinderen. Dikwijls wordt hetgeen door geweld verkregen is, spoedig weer verloren, maar door de Goddelijke schenking hadden de Israëlieten een onbetwistbaar recht op dit land, en daarom konden zij het verzekerd zien als een erfdeel aan hun nageslacht, en aldus ook zien dat God Zijn goedertierenheid bewaart aan duizenden.
3. Dat Jozua het niet naar eigen goeddunken moest verdelen. Hoewel hij een zeer wijs rechtvaardig en Godvruchtig man was, moet het hem toch niet worden overgelaten, om aan iedere stam te geven wat hij goedvond, het moest geschieden door het lot, waardoor de zaak in Gods handen werd gesteld en aan Zijn beslissing werd overgelaten, want Hij is het, die de bepalingen van hun woning geordineerd heeft, en ieders recht moet van Hem uitgaan. Maar Jozua moet de leiding aller zaak op zich nemen, hij moet dit plechtig beroep doen op de voorzienigheid Gods, en toezien dat het lot eerlijk en zonder bedrog wordt geworpen, en dat iedere stam er in berust. In waarheid: "het lot doet de geschillen ophouden" Spreuken 18:18. Indien echter op dit lot een twist zou ontstaan, dan moet Jozua door zijn wijsheid en gezag die twist beslechten en de kwade gevolgen van voorkomen. Jozua moet de eer hebben van het land te verdelen:
a. Omdat hij de vermoeienis heeft gehad van het te veroveren, en, als iedere stam zijn deel ontving uit zijn hand, dan zullen zij zich hierdoor temeer bewust worden van hun verplichting aan hem. En welk een genoegen moet het wezen voor een man, aan wie het algemene welzijn zozeer ter harte ging, het volk dat hem zo dierbaar was, de arbeid hunner handen te zien eten!
b. Opdat hij hierin een type zou zijn van Christus, die voor ons niet alleen de poorten van de hel overwonnen heeft maar ons de poorten des hemels heeft geopend, en, het eeuwig erfdeel verkregen hebbende voor alle gelovigen, hen ter bestemder tijd in het bezit er van zal stellen.
II. Er wordt hier een bericht gegeven van de verdeling des lands aan de overzijde van de Jordaan onder de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse, hetgeen hier te pas gebracht wordt:
1. Als de reden, waarom het land aan deze zijde van de Jordaan alleen onder de negen en een halve stam verdeeld moest worden daar voor de andere twee en een halve stam reeds voorzien was.
2. Als een voorbeeld voor Jozua bij hetgeen hij nu te verrichten had. Hij had Mozes dat land zien verdelen, hetgeen hem een plan aan de hand kon doen bij de verdeling van dit land, doch nu moest het door het lot geschieden, terwijl Mozes het zelf gedaan heeft naar de wijsheid, die hem was gegeven.
3. Als een aansporing voor Jozua om de verdeling des lands te bespoedigen, opdat de negen en een halve stam niet langer dan nodig was buiten het bezit van hun erfdeel zouden blijven, nu hun broederen van de twee en een halve stam zo wel gevestigd waren in het hun en God, hun aller Vader, wilde niet dat er zo'n verschil zou gemaakt worden tussen Zijn kinderen.
A. Hier is een algemene beschrijving van het land, dat aan de twee en een halve stam gegeven werd, dat Mozes hunlieden gaf, gelijk als Mozes de knecht des Heeren hun gegeven had, vers 8. De herhaling geeft een bekrachtiging te kennen door Jozua. Mozes heeft die zaak geregeld, en zoals Mozes haar geregeld heeft, zo zal zij blijven, onder geen voorwendsel zal Jozua pogen het te veranderen. En er wordt een reden aangegeven waarom hij het niet wilde, het was omdat Mozes de dienstknecht des Heeren was, en in deze zaak onder verborgen leiding van Hem heeft gehandeld, en als een dienstknecht getrouw is geweest. Hier hebben wij:
a. De vaststelling van de grenzen van dat land, door welke zij van de naburige volken gescheiden waren, vers 9 en verv. Israël moet weten wat het zijne is, en er zich aan houden, en mag niet, onder voorwendsel van Gods bijzonder volk te zijn, inbreuk maken op de rechten en eigendommen van zijn naburen, waarop deze een goed en vast recht hadden door Gods voorzienigheid, hoewel niet zoals Israël door belofte.
b. Een deel van dit land is uitgezonderd van Israëls bezit, hoewel het in hun schenking begrepen was namelijk dat van de Gesurieten en Maachathieten vers 13. Zij hadden in Mozes' tijd geen geschikte gelegenheid om al de verwijderde en onbekende hoeken des lands tot onderwerping te brengen, en later hadden zij er geen lust toe, daar zij dachten het er ook zonder te kunnen stellen. Aldus zijn zij, die niet nauw zijn in Gods beloften, toch nauw in hun geloof en hun gebed en in hun streven.
B. Een bijzonder bericht van het erfdeel van de twee en een halve stam, hoe hun erfdelen van elkaar gescheiden waren, en welke steden, vlekken, dorpen en velden, die er toe behoorden, in het bezit van elke stam werden gesteld. Dit wordt zeer volledig en nauwkeurig vermeld: a. Opdat de nakomelingen, als zij deze geschiedenis lezen, te meer getroffen zullen zijn van Gods goedheid jegens hun voorouders, bevindende welk een groot en vruchtbaar land het was, dat Hij in hun bezit stelde, en welk een overvloed van grote en vermaarde steden. Gods schenkingen doen zich het best aan ons voor als wij ze in bijzonderheden nagaan.
b. Dat, de grenzen van elke stam nauwkeurig in dit authentieke bericht opgegeven zijnde, twisten voorkomen kunnen worden tussen de stammen, zoals die gewoonlijk voorvallen, waar de grenzen niet behoorlijk geregeld zijn. En wij hebben reden te geloven dat het register, hier opgegeven en bekend gemaakt van het erfdeel van elke stam, aan Israël van groot nut was in latere tijden, daar men, ter bepaling van het meum en tuum, het mijn en dijn er zich dikwijls op beroepen heeft, en er dan altijd in berust werd.
Ten eerste. Wij hebben hier het erfdeel van Ruben, Jakobs eerstgeboren zoon, die, ofschoon hij de waardigheid en de macht had verloren van het eerstgeboorterecht, toch het voordeel schijnt gehad te hebben van het eerst bediend te zijn. Wellicht hebben zij, die tot deze stam behoorden, toen zij verlangden om aan de andere kant van de Jordaan gevestigd te zien, overwogen dat zij, niet kunnende verwachten het beste deel te ontvangen, tenminste de eer zouden hebben van het eerste te verkrijgen. In het bericht van het erfdeel van deze stam wordt melding gemaakt van de verslagenen:
1. Van Sihon, koning van de Amorieten, die in dit land regeerde, en het en ook zijn leven had kunnen behouden, indien hij vriendschappelijk aan Israël de doortocht door zijn grondgebied had toegestaan, maar, pogende hen tegen te staan, heeft hij terecht het verderf over zichzelf gebracht, Numeri 21:21 en verv.
2. Van de vorsten van Midian, die later in een andere oorlog verslagen werden, Numeri 31:8, en hier toch vorsten van Midian genoemd worden en gezegd zijn met hem geslagen te zijn, omdat zij of schatplichtig aan hem waren, òf met hem verbonden waren in zijn tegenstaan van Israël, en zijn belangen van harte toegedaan, en omdat zijn val de weg bereidde voor hun val niet lang daarna.
3. Van Bileam inzonderheid, die Israël gevloekt zou hebben, indien hij het had gekund, en spoedig daarna vergelding heeft ontvangen naar de boosheid van zijn handelingen, Psalm 28:4. Want hij viel met degenen, die hem tot zijn doen hadden aangespoord. Dit was tevoren vermeld, Numeri 31:8, en wordt hier herhaald, omdat door het verijdelen van Bileams plan om Israël te vloeken, die vloek in een zegen verkeerd werd, en het zo'n voorbeeld was van de macht en goedheid van God, dat het voegzaam was het in eeuwige gedachtenis te houden. Zie Micha 6:5.
Binnen het erfdeel van die stam lag de berg Pisga, van welks top aan Mozes een gezicht op het aardse Kanaän werd gegeven, en vanwaar hij zijn vlucht hemelwaarts nam. En Elia bevond zich niet ver vandaar, toen hij in een vurige wagen naar de hemel werd gehaald. Dat deze stam door de Jordaan van de overigen gescheiden was, was hetgeen door Debora betreurd werd, en, dat zij aan hun bijzondere belangen de voorkeur gaven boven de belangen van het algemeen, was hetgeen door haar gelaakt werd, Richteren 5:5, 16. In deze stam lagen Hesbon en Sibma, vermaard om hun vruchtbare akkers en wijngaarden, Jesaja 16:8, 9, Jeremia 48:32. Deze stam en die van Gad werden zwaar geteisterd door Hazaël koning van Syrië, 2 Koningen 10:33, en later zijn zij gevankelijk weggevoerd, twintig jaren vóór de algemene wegvoering in gevangenschap van de tien stammen door de koning van Assyrië, 1 Kronieken 5:26 h. Ten tweede. Het erfdeel van de stam van Gad, vers 24-28. Dit lag ten noorden van Rubens erfdeel, het land Gilead lag in deze stam, zo beroemd om zijn balsem, dat het vreemd geacht wordt, zo er geen balsem is in Gilead, en de steden Jabes-Gilead, en Ramoth-Gilead, waarvan wij zo dikwijls in de Schrift lezen. Sukkoth en Pnuel, waarvan wij lezen in de geschiedenis van Gideon, waren in deze stam evenals het bos, genaamd Efraïms woud, (vanwege de slachting, die Jeftha aldaar onder de Efraïmieten heeft aangericht) waarin Absaloms oproerig leger verslagen werd, terwijl zijn vader te Mahanaïm lag, een van de grenssteden van deze stam, vers 26. Ook lag in deze stam Saron, vermaard om de rozen, die er groeiden. En binnen de grenzen van deze stam woonden de Gadarenen, die hun zwijnen meer liefhadden dan hun Zaligmaker, meer gepast Girgasieten dan Israëlieten genoemd.
Ten derde, Het erfdeel van de halve stam van Manasse, vers 29 31, dat het koninkrijk bevatte van Og, beroemd om het beste hout getuigen de eikebomen van Basan, en het beste ras van hoornvee, getuigen de stieren en rammen van Basan. Deze stam lag ten noorden van Gad, reikte tot aan de berg Hermon, en omsloot een gedeelte van Gilead. Mizpa was in het grondgebied van deze halve stam, en Jeftha was er een van de sieraden van, evenals Elia, want in die stam lag Tisbe, vanwaar hij de Tisbiet genoemd wordt, en ook Jair. Aan de uiterste grens van die stam lag Chorazin, geëerd door Christus' wonderen, maar ten verderve gedoemd door Zijn rechtvaardig "wee u" omdat er geen goed gebruik van werd gemaakt.
Eindelijk. Tweemaal wordt er in dit hoofdstuk nota van genomen, dat Mozes aan de stam van Levi geen erfdeel heeft gegeven, vers 14, 33, want aldus had God het bevolen, Numeri 18:20. Indien hun een erfdeel was toegewezen, zou Mozes het hun het eerst gegeven hebben, niet omdat het zijn stam was, maar omdat het Gods stam was, maar zij moesten op een andere wijze verzorgd worden, hun woningen moesten verstrooid zijn onder al de stammen, en in hun onderhoud door al de stammen voorzien worden, en God zelf was het deel, beide hunner erve en huns bekers, Deuteronomium 10:9, 18:2.