2 Samuël 19:1-8
Spoedig nadat de boden de tijding van Absaloms nederlaag en dood naar het hof te Mahanaim hadden gebracht, volgden Joab en het leger ten einde des konings triomf te versieren en zijn nadere orders te ontvangen. Nu wordt ons hier gezegd:
I. Welk een teleurstelling het voor hen was om de koning in tranen te vinden wegens Absaloms dood, dat zij voor een teken hielden van zijn misnoegen over hetgeen zij gedaan hadden, daar zij hadden verwacht, dat hij hen met vreugde en dankbaarheid voor hun goede diensten was tegemoet gekomen. Het werd Joab aangezegd, vers 1. Het gerucht hiervan liep door het leger, vers 2, het smart de koning over zijn zoon. Het volk zal zeer bijzonder acht geven op hetgeen hun vorsten zeggen en doen, hoe meer ogen op ons gevestigd zijn, en hoe groter onze invloed is, hoe nodiger het ons is om te spreken en te handelen met wijsheid en onze hartstochten onder sterk bedwang te houden.
Toen zij in de stad kwamen, vonden zij de koning in zware rouw, vers 4. Hij had zijn aangezicht toegewonden, wilde niet eens opzien, geen opmerkzaamheid verlenen aan zijn generaals toen deze tot hem kwamen. Het kon niet anders, of zij moesten verbaasd wezen te zien:
1. Hoe de koning zijn hartstocht openlijk bekendmaakte, waarover hij zich veeleer had moeten schamen, en die hij had moeten trachten te bedwingen en te verbergen, zo hij met zijn roem of met zijn kloekmoedigheid ware te rade gegaan, daar deze verminderd werden door zijn laag toegeven aan zo'n ongerijmde hartstocht, of met zijn invloed op het volk, die geschaad zal worden door zijn afkeuring van hetgeen zij gedaan hadden in ijver voor zijn eer en het openbare welzijn. Maar zie hoe hij uitkomt voor zijn smart: hij roept met luider stem: Mijn zoon Absalom, Absalom mijn zoon, mijn zoon! "Mijn knechten zijn allen veilig en wel teruggekomen, maar waar is mijn zoon? Hij is dood, gestorven in zijn zonde, vrees ik, hij is voor eeuwig verloren. Ik kan nu niet zeggen: ik zal tot hem gaan, want mijn ziel zal met zulke zondaars niet vergaderd worden, wat zal voor u gedaan worden, Absalom, o mijn zoon, mijn zoon!"
2. Hoe hij zijn hartstocht aanhield, zelfs totdat het leger tot hem was teruggekomen, dat toch wel enige tijd na zijn ontvangen van de tijding geweest moet zijn. Als hij zich tevreden had gesteld met gedurende een paar uren lucht te geven aan zijn hartstocht op het eerste vernemen van de tijding, het zou te verontschuldigen zijn geweest, maar die smart te laten voortduren over zo'n slechte zoon als Absalom, zoals Jakob gedaan heeft over zo'n goede zoon als Jozef was, met het besluit om treurende ten grave te gaan, en zijn triomfen te bezoedelen met zijn tranen, dat was zeer onverstandig en zeer onwaardig.
Zie nu hoe kwalijk dit opgenomen werd door het volk. Het was hun tegen de borst de koning te laken, want al wat hij deed placht goed te zijn in hun ogen, Hoofdstuk 3:36, maar dit namen zij op als een grote vernedering voor hen. Hun overwinning werd hun tot rouw, vers 2. Zij kwamen steelsgewijze in de stad, gelijk het volk zich wegsteelt, dat beschaamd is, vers 3. Uit beleefdheid voor hun soeverein wilden zij zich niet verheugen in hetgeen hem, naar zij zagen, zozeer bedroefde, en toch moesten zij er wel onrustig onder zijn, dat zij aldus hun vreugde moesten verbergen. Superieuren moesten het hun minderen niet op die wijze moeilijk maken. II. Hoe heftig en onomwonden Joab David heeft bestraft wegens deze zijn onverstandige gedraging in dit zo hachelijk tijdsgewricht. Nooit had David meer behoefte aan het hart van zijn onderdanen dan nu, nooit was het meer in zijn belang om hun genegenheid te behouden, al wat dus strekte om hen nu te ontstemmen, was wel het onverstandigste wat hij doen kon, en het grootst-mogelijke onrecht aan zijn vrienden, die hem trouw aanhingen. Joab berispt hem dus, vers 5-7, en in zijn berisping spreekt hij met veel gezond verstand, maar niet met de eerbied, die hij zijn vorst verschuldigd was. Is het voegzaam om tot een koning te zeggen: gij goddeloze? Een duidelijk geval kan wel besproken worden met hen, die boven ons zijn, en voor hetgeen zij verkeerd doen moeten zij bestraft worden, maar het moet niet met ruwheid en op beledigende wijze gedaan worden.
David had inderdaad nodig opgeschrikt te worden, en Joab vond het geen tijd om met hem te gekscheren. Als zij, die onze meerderen zijn, doen wat dwaas is, dan moeten zij het niet vreemd vinden of het euvel duiden dat hun minderen het hun zeggen, misschien op wel wat te lompe, of ruwe wijze.
1. Joab verheft de verdiensten van Davids krijgslieden, "Zij hebben heden uw ziel, dat is uw leven, bevrijd, en daarom verdienen zij dat nota van hen genomen wordt, en zij hebben gelijk als zij het euvel opnemen, dat dit niet gedaan wordt."` Hierin ligt opgesloten, dat Absalom, die hij eerde met zijn tranen, zijn verderf en het verderf van zijn geslacht heeft gezocht, terwijl zij, aan wie hij door zijn tranen minachting betoont, degenen waren, die hem en al wat hem dierbaar is van het verderf gered hebben. Groot onheil is voor vorsten voortgekomen uit hun geringschatting van grote verdiensten.
2. Hij verzwaart de ontmoediging, die David hun heeft gegeven, "gij hebt heden beschaamd het aangezicht uwer knechten, want terwijl zij zo'n waardering hebben getoond van uw leven, hebt gij geen waardering getoond van het hunne, daar gij een bedorven, goddeloos jongeling een valse verrader van zijn koning en zijn land, die wij nu gelukkig kwijt zijn, hoger stelt dan al uw wijze raadslieden, dappere legerbevelhebbers en trouwe onderdanen. Wat kan ongerijmder wezen dan uw vijanden lief te hebben en uw vrienden te haten?"
3. Hij raadt hem aan om zich terstond aan het hoofd van zijn troepen te vertonen, hen vriendelijk aan te zien, hen welkom te heten, hun geluk te wensen met hun overwinning en hun dank te betuigen voor hun diensten. Zelfs zij, die onder bevel staan, kunnen verwachten dat hun dank wordt gebracht, als zij zich goed hebben gekweten van hun plicht, en die dank behoort hun ook te worden gebracht.
4. Hij dreigt hem met een nieuwe opstand indien hij dit niet doen wilde, te kennen gevende dat, veeleer dan zo'n ondankbare vorst te dienen, hijzelf een opstand tegen hem zou aanvoeren, en dan- zo zeker is Joab van zijn eigen invloed op het volk-zal niet een man deze nacht bij u vernachten. Als ik heenga, gaan zij allen heen. Gij hebt nu niets om over te treuren, maar indien gij volhardt in uw treuren zonder reden, dan zal ik u (zoals Josefus het uitdrukt) iets werkelijks geven om over te treuren, iets om wezenlijke en bittere smart over te hebben."
III. Hoe verstandig en zachtmoedig David de bestraffing en de raad aannam, die hem zijn gegeven, vers 8. Hij schudde zijn smart af, zalfde zijn hoofd, wies zijn aangezicht teneinde aan de mannen niet de aanblik te geven van een rouwbedrijvende, en toen verscheen hij in het openbaar in de poort, die als het raadhuis van de stad was. Daar stroomde het volk naar hem toe, om zich te verheugen in zijn en hun veiligheid, en nu was alles wèl. Als wij overtuigd worden van een verkeerdheid, dan moeten wij haar verbeteren, al wordt zij ons ook door onze minderen op ruwe onbetamelijke wijze onder het oog gebracht.