Johannes 7:45-53
De overpriesters en de Farizeeën zijn hier in geheime beraadslaging over de middelen om Christus te vernietigen. Hoewel dit de grote dag van het feest was, hebben zij de Godsdienstoefening niet bijgewoond, maar lieten dit over aan het gemeen, want het was de gewoonte van deze voorname geestelijken om de zaken der Godsverering over te laten aan het volk, terwijl zij, naar zij dachten, hun tijd beter doorbrachten met de zaken der kerkelijke politiek. Zij zaten in de raadkamer, verwachtende, dat Christus als gevangene voor hen gebracht zou worden, daar zij bevel hadden gegeven om Hem gevangen te nemen, vers 32. Nu wordt ons hier gezegd:
I. Wat er voorviel tussen hen en hun beambten, die zonder Hem waren teruggekomen, re infecta - onverrichter zake. Merk op:
1. De bestraffing, die zij de dienaren gaven, omdat zij de opdracht, die hun gegeven was, niet hadden volvoerd. Waarom hebt gij hem niet gebracht? Hij verscheen openlijk, velen van de scharen waren heftig tegen hem ingenomen en zouden hen geholpen hebben om hem gevangen te nemen, dit was de laatste dag van het feest, en zulk ene gelegenheid zou niet voor hen terugkeren: "Waarom hebt gij uwen plicht verzuimd?" Het ergerde hen, dat hun eigene dienaren, die van hen afhankelijk waren, en op wie zij rekenden, en in wier hart zij die vooroordelen tegen Christus hadden opgewekt, hen aldus teleurstelden. Boosaardige mensen hebben er verdriet van, dat zij niet al het kwaad kunnen doen, dat zij willen, Psalm 112:10, Nehemia 6:16.
2. De reden, die de dienaars aanvoerden, waarom zij hun opdracht niet hadden volvoerd: Nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze mens, vers 46. Dit was nu:
a. Ene zeer grote waarheid, dat nooit een mens gesproken heeft met die wijsheid, en kracht, en genade, met die overtuigende duidelijkheid, en die hartinnemende liefelijkheid, waarmee Christus gesproken heeft, geen der profeten, ja Mozes zelf niet.
b. Zelfs de dienaren, die afgezonden waren om Hem te grijpen, waren met Hem ingenomen, en zij erkenden dit. Ofschoon zij waarschijnlijk niet heel veel zin of gevoel hadden voor redeneerkunde of welsprekendheid en voorzeker niet geneigd waren om goede gedachten te koesteren van Jezus, was er toch zo veel klaarblijkelijkheid in hetgeen Jezus sprak, dat zij wel niet anders konden dan Hem de voorkeur te geven boven allen, die op Mozes' stoel waren gezeten. Aldus werd Christus bewaard door de macht, die God heeft over het geweten, zelfs van slechte mensen.
c. Zij zeiden dit aan hun heren en meesters, die het niet konden dragen om iets te horen, dat strekken kon tot eer van Christus, en die het toch nu niet konden vermijden om dit te horen. Gods voorzienigheid heeft het zo beschikt, dat dit tot hen gezegd werd, zo dat zij er nog meer door gekweld en geërgerd werden, en het tevens ene verzwaring was van hun zonde. Hun eigene beambten, die van gene gunstige gezindheid jegens Christus verdacht konden worden, zijn getuigen tegen hen. Dit hun getuigenis had hen tot inkeer moeten brengen door deze gedachte: "Weten wij wel wat wij doen, als wij iemand haten en vervolgen, die op zo bewonderenswaardige wijze spreekt?" 3. De Farizeeën pogen hun dienaren op hun zijde te krijgen, en vooroordelen in hun hart te wekken tegen Christus, jegens wie zij begonnen welgezind te worden. Zij opperen twee denkbeelden:
a. Dat zij, het Evangelie van Christus aannemende, zich zelven zullen bedriegen, vers 47. Zijt ook gijlieden verleid? Van zijn oorsprong af is het Christendom aan de wereld voorgesteld als een groot bedrog, en dat zij, die het aannamen, verleid waren. Zij, die uitzagen naar de verschijning van een Messias in uitwendige pracht en heerlijkheid, meenden, dat diegenen bedrogen waren, die geloofden in een Messias, die in armoede verscheen en geminacht werd. Maar de geschiedenis heeft bewezen, dat niemand schandelijker was bedrogen, dan zij, die zich wereldse macht en rijkdom met den Messias voorstelden. Let op de vleiende toespraak van de Farizeeën tot deze beambten: Zijt ook gijlieden verleid? Hoe! mannen van uw doorzicht en verstand, en van uw aanzien, gij zoudt niet beter weten dan u te laten beet nemen door den eersten den besten bedrieger, die zich het voorkomen geeft van een leraar te zijn?" Zij pogen hen te bevooroordelen tegen Christus door hun een hogen dunk van zich zelven te geven.
b. Dat zij dan zich zelven zullen verkleinen. De meeste mensen willen zich, zelfs ten opzichte van hun Godsdienst, laten leiden door het voorbeeld van die van den eersten rang en stand zijn. Aan deze dienaren, die door hun rang-hoe onbeduidend die ook was-een zeker gevoel van waardigheid hadden, wordt in bedenking gegeven dat zij, door discipelen van Christus te worden, in oppositie komen tegen personen van hogen rang en aanzien: Heeft iemand uit de oversten in hem geloofd, of uit de Farizeeën? Gij weet, dat dit niet het geval is, en gij behoort u te gedragen naar hun oordeel, en ten opzichte van den Godsdienst te geloven en te handelen naar het uwe meerderen van u verlangen. Wilt gij wijzer zijn dan zij?" Sommigen van de oversten hebben Christus aangenomen en in Hem geloofd, Mattheus 9:18, Johannes 4:53, en er waren nog meer, die in Hem geloofden, maar den moed niet hadden Hem te belijden, Hoofdstuk 12:42, maar als de invloed van Christus in de wereld gering is, dan stellen Zijne tegenstanders het voor, alsof Hij nog veel geringer is. Het was echter maar al te waar, dat weinigen, zeer weinigen van hen slechts, in Hem geloofden. De zaak van Christus heeft slechts zelden oversten en Farizeeën aan hare zijde. Zij behoeft geen steun van de wereld, en biedt ook gene wereldlijke voordelen aan, en daarom heeft zij de gunst niet gezocht van de groten der aarde, en hebben deze zich ook niet aan haar gelegen laten liggen. Zelfverloochening en het kruis zijn harde lessen voor oversten en Farizeeën. Het heeft velen gestijfd in hun vooroordeel tegen Christus en Zijn Evangelie, dat de oversten en de Farizeeën er gene vrienden van waren. Zullen leken, mensen van de wereld, zich meer bekommeren om geestelijke dingen, dan de geestelijken zelven, meer inzicht hebben in den Godsdienst, dan zij, wier roeping het is hem te bestuderen? Indien oversten en Farizeeën niet in Christus geloven, dan zullen zij, die wèl in hem geloven, zeker tot de geringsten, de onbeduidendsten van het volk behoren, mensen zonder enige betekenis of aanzien zijn, die geen aanspraak hebben op bevordering. Aldus laten de mensen zich dwaselijk door uitwendige beweegredenen leiden ten opzichte van zaken van eeuwige betekenis en belang, zijn zij bereid om ter wille van de mode, en uit beleefdheid jegens oversten en Farizeeën, voor eeuwig verloren te gaan. Dat zij zich dan met het gemeen, de heffe des volks zullen verbinden, vers 49, Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt! inzonderheid hen bedoelende, die de leer van Christus welgezind waren. Merk op, Ten eerste, met hoeveel minachting zij van hen spreken: Deze schare. Het is niet laos deze leken, onderscheiden van de geestelijken, maar ochlos outos, dat gespuis, die armzalige, ergerlijke, schurkachtige lieden, die zij zich niet verwaardigen om bij de honden hunner kudde te stellen, hoewel God hen bij de lammeren van de Zijne gesteld heeft. Bedoelden zij het gehele Joodse volk, -zij waren het zaad van Abraham, in verbond met God, er behoorde dus niet met zoveel minachting van hen te worden gesproken. De algemene belangen der kerk worden geschaad, als het ene deel er zich op toelegt om het andere in minachting te brengen. Bedoelden zij de volgelingen van Christus-het is waar, dezen waren over het algemeen personen van weinig aanzien in de wereld, maar door Christus te erkennen hebben zij blijk gegeven van zoveel doorzicht, oprechtheid en deel in de gunst des hemels, dat zij er waarlijk groot en aan zienlijk door werden. Gelijk de wijsheid Gods dikwijls het onedele en het verachte der wereld heeft uitverkoren, zo heeft de dwaasheid der mensen gewoonlijk diegenen vernederd en veracht, die door God verkoren werden. Ten tweede. Hoe onrechtvaardiglijk zij hen smaden als onwetend ten opzichte van het woord Gods. Deze schare die de wet niet weet, alsof niemand de wet kende dan die haar door hen kenden, en gene andere schriftkennis geldig was, dan die door hen geijkt was, en alsof niemand de wet kende, dan zij, die hun regelen en inzettingen waarnamen. Velen van hen, die zij aldus minachten, hebben de wet, en ook de profeten, wellicht beter gekend dan zij. Menig eenvoudig, eerlijk, ongeleerd discipel van Christus is door overdenking, ervaring, gebed, en inzonderheid door een leven van gehoorzaamheid tot ene helderder, gezonder en nuttiger kennis van het woord Gods gekomen dan sommige grote geleerden met al hun vernuft en geleerdheid. Zo is David er toe gekomen om verstandiger te zijn dan al zijne leraars, en voorzichtiger dan de ouden, Psalm 119:99, 100. Indien het gemene volk de wet niet kende, dan waren, van alle mensen, de overpriesters en de Farizeeën wel de laatsten, die hun dit moesten verwijten, immers wie anders dan zij waren er de schuld van? Zij hadden hen beter behoren te onderwijzen, maar in plaats hiervan hebben zij den sleutel der kennis weggenomen, Lukas 11:52. Ten derde. Hoe meesterachtig zij het vonnis over hen uitspreken: Zij zijn vervloekt, hatelijk aan God en alle verstandige mensen epikatartoi -een verfoeilijke slag van mensen. Het is goed, dat hun zeggen, dat zij vervloekt waren, hen niet vervloekt deed zijn, want een vloek, die zonder oorzaak is, zal niet komen. Het is een zich aanmatigen van Gods kroonrecht, zowel als ene zeer grote liefdeloosheid, om van enigen persoon- en hoeveel te meer dan niet van geheel ene schare van mensen-te zeggen dat zij verworpelingen zijn. Wij zijn niet in staat om te toetsen, of te doorgronden, en dus ook ongeschikt om te verdoemen, en onze regel is: Zegen, en vloek niet. Sommigen denken, dat zij niets meer bedoelden, dan dat het volk licht bedrogen kon worden, maar zij gebruiken dit hatelijke woord: Zij zijn vervloekt, om hun eigene verontwaardiging uit te drukken, en de dienaren er van af te schrikken om iets met hen van doen te willen hebben. Zo noemt in onze onheilige eeuw de taal der hel alles wat mishaagt of onaangenaam is vervloekt en verdoemd. Voor zoveel blijkt werd de overtuiging van deze beambten door die inblazing en ophitsing verstikt, zij hebben nooit meer naar Christus gevraagd. Een woord van een overste of een Farizeeër zal op velen groter invloed uitoefenen dan de waarheid der dingen en de grote belangen hunner ziel.
II. Wat er voorviel tussen hen en Nicodemus, een lid van hun eigen raad, vers 50 en verder. Merk op:
1. De juiste en redelijke tegenwerping, die Nicodemus tegen hun handelingen inbracht. Zelfs in hun boos en verdorven sanhedrin heeft God zich niet geheel zonder getuigen tegen hun vijandschap gelaten, en zo was dan ook hun uitspraak tegen Christus niet eenstemmig. Merk op:
a. Wie het was die tegen hen optrad, Nicodemus, die des nachts tot Hem gekomen was, zijnde een uit hen, vers 50. Merk op, hem betreffende: a. Dat hij, hoewel hij bij Jezus geweest was, en Hem tot Zijn leraar had aangenomen, toch zijne plaats in den raad bleef innemen. Sommigen schrijven dit toe aan zijne zwakheid en vrees, en denken, dat het zijne zonde was, dat hij zijne plaats onder hen niet had verlaten, maar Christus heeft nooit tot hem gezegd: volg Mij, anders zou hij wel gedaan hebben zoals anderen, die alles hebben verlaten om Hem te volgen. Het schijnt dus veeleer verstandig van hen geweest te zijn om niet terstond zijne betrekking op te geven, daar hij de gelegenheid kon hebben om Christus en Zijne belangen te dienen, en den stroom der Joodse woede te keren, dat hij wellicht meer gedaan heeft dan wij weten. Hij zou er als Husaï kunnen geweest zijn onder de raadslieden van Absalom, het werktuig om hun raad tot zotheid te maken. Ofschoon wij in geen geval onzen Meester moeten verloochenen, kunnen wij toch wel wachten op de beste gelegenheid om Hem te belijden. God heeft Zijn overblijfsel onder allerlei volk, en menigmaal vindt Hij. of legt Hij, of maakt Hij iets goeds in de slechtste plaatsen of gezelschappen. Aan het hof van Nebukadnezar was een Daniël. en aan dat van Artaxerxes een Nehemia. b. Dat hij, hoewel hij in het eerst des nachts tot Jezus was gekomen, uit vrees van bekend te worden, en nog op zijn' post was gebleven, toch vrijmoedig optrad om Hem te verdedigen, als de gelegenheid er zich toe aanbood, en alsdan den gehelen raad tegenstond. Zo zijn vele gelovigen, die in het eerst vreesachtig waren, zodat zij gereed zijn om op het geruis van een gedreven blad de vlucht te nemen, ten laatste toch door Gods genade moedig geworden, zodat zij de drilling der lans konden belachen Niemand rechtvaardige het verhelen van zijn geloof door het voorbeeld van Nicodemus, tenzij hij even bereid is als Nicodemus om bij de eerste gelegenheid openlijk voor de zaak van Christus uit te komen, al zouden zij er dan ook alleen voor staan, want dat heeft Nicodemus hier gedaan, alsook in Hoofdstuk 19:39.
b. Wat hij tegen hun wijze van doen inbracht, vers 51. Oordeelt ook onze wet den mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft -akousê par autou -hoort van hem zelven, en verstaat wat hij doet? Geenszins, evenmin als de wet van enig beschaafd volk dat doet. Merk op: Hij redeneert wijselijk uit de beginselen van hun eigene wet, en een onbetwist baren regel der gerechtigheid, dat niemand ongehoord veroordeeld moet worden. Had hij op de voortreffelijkheid van Christus' leer gewezen, of op het getuigenis van Zijne wonderen, of hun mededeling gedaan van Zijn Goddelijk gesprek met hem, Hoofdstuk 3, het zou slechts een werpen van paarlen voor de zwijnen geweest zijn, die ze onder hun voeten vertreden zouden hebben, om zich dan om te keren en hem te verscheuren, daarom laat hij daarvan af. Terwijl zij het volk, inzonderheid de volgelingen van Christus, minachtten als de wet niet wetende, werpt hij stilzwijgend die beschuldiging op hen terug, en toont hij hoe onwetend zij waren omtrent sommigen van de eerste beginselen der wet, en hoe ongeschikt zij dus waren om aan anderen de wet voor te schrijven. Van de wet wordt hier gezegd, dat zij oordeelt, en hoort, en verstaat, als de overheidspersonen, die er door regeren en er door geregeerd worden, oordelen, en horen en verstaan, want zij zijn de mond der wet, en wat zij overeenkomstig de wet binden en ontbinden, wordt met recht gezegd gebonden en ontbonden te zijn door de wet. Het is hoogst billijk en gepast, dat niemand door de wet geoordeeld wordt, die niet eerst door de wet onderzocht is. Als de rechters ene aanklacht ontvangen van den beschuldiger, dan moeten zij altijd in hun hart en verstand ene plaats open houden voor de verdediging van den beschuldigde, want zij hebben twee oren om hen te doen gedenken, dat zij beide zijden moeten horen, dit wordt gezegd de wijze van doen te zijn der Romeinen, Handelingen 25:18. De methode van on ze wet is: Oyer en Terminer, eerst horen, en dan beslissen. De mensen moeten geoordeeld worden niet naar hetgeen van hen wordt gezegd, maar naar hetgeen zij doen. Onze wet zal niet vragen naar der mensen mening omtrent hen, of naar het geschreeuw tegen hen, maar: "Wat hebben zij gedaan? Van welke openbare daad kunnen zij overtuigd worden schuldig te zijn? Het vonnis moet geveld worden secundum allegata et probata - naar hetgeen beweerd en bewezen is. Bij het oordelen moeten feiten gekend worden. niet het aangezicht der mensen, en de schaal der gerechtigheid moet gebruikt worden eer het zwaard der gerechtigheid gebruikt wordt. Nu kunnen wij onderstellen dat Nicodemus' voorstel aan den raad was: dat zij Jezus zouden verzoeken te komen en dat Hij hun ene verklaring zou geven van Hem zelven en van Zijne leer, en dat zij Hem onpartijdig en onbevooroordeeld zouden aanhoren, maar, hoewel niemand hunner iets tegen dit grondbeginsel wist in te brengen, wilde toch niemand hunner zijn voorstel ondersteunen.
2. Wat zij van deze bedenking zeiden. Er wordt hier geen direct antwoord op gegeven, maar toen zij de kracht zijner redenering niet konden weerstaan, vielen zij hem aan, en in plaats van te redeneren, namen zij hun toevlucht tot schelden en spotten. Het is een teken van ene slechte zaak, als de mensen gene rede willen horen, en het als ene belediging opnemen om aan hare regelen herinnerd te worden. Wie tegen rede is, geeft reden van te vermoeden, dat de rede tegen hem is. Zie hoe zij op hem smalen: Zijt gij ook uit Galilea? vers 52. Sommigen denken, dat hij die bejegening wel verdiend had met onder hen te blijven, die hij wist vijanden van Christus te zijn, en omdat hij ten behoeve van Christus niets meer gezegd had dan wat hij ten behoeve van den grootsten misdadiger had kunnen zeggen, nl. dat Hij niet ongehoord veroordeeld moest worden. Had hij gezegd: "Wat dezen Jezus betreft, ik zelf heb Hem gehoord en ik weet, dat Hij een leraar is, van God gekomen, en dat gij, door Hem tegen te staan tegen God strijdt", zoals hij had behoren te zeggen, dan zou hij niet meer gescholden hebben kunnen worden dan hij nu was om zijne zwakke poging om Christus te verdedigen. Omtrent hetgeen zij tot Nicodemus zeiden, kunnen wij opmerken
a. Op hoe valse gronden zij redeneerden, want zij onderstellen, dat Christus uit Galilea was, en dit was onwaar, en zo zij zich slechts de moeite hadden willen geven om een onpartijdig onderzoek in te stellen, dan hadden zij bevonden, dat dit niet waar was. Zij onderstellen, dat, omdat de meesten van Zijne discipelen Galileërs waren, zij het allen zijn geweest, terwijl Hij toch vele discipelen in Judea had. Zij denken, dat uit Galilea geen profeet is opgestaan, en zeggen, dat Nicodemus dit gerust kan onderzoeken, toch was ook dit niet waar, want Jona was van Gath-hepher, Nahum, een Elkosiet, beiden dus uit Galilea. Aldus hebben zij de leugen zich tot ene toevlucht gesteld.
b. Hoe ongerijmd hun redeneringen waren op die gronden, zodat zij voor oversten en Farizeeën ene schande waren. Is iemands waardij en deugd er te minder om, omdat het land zijner geboorte arm en onbekend is? De Galileërs waren het zaad Abrahams, barbaren en Scythen zijn van het zaad van Adam, en hebben wij niet allen een Vader? Gesteld eens, dat er nooit een profeet uit Galilea is opgestaan, dan is het toch niet onmogelijk dat er een uit opstaan zal. Indien Elia de eerste profeet was uit Gilead (gelijk hij misschien ook was), en indien de Gileadieten vluchtelingen genoemd werden, moet het daarom in twijfel getrokken worden of hij wel een profeet was?
3. De haastige verdaging van het hof hierop. Zij lieten de vergadering in verwarring uiteen gaan en met haast, en een iegelijk ging heen naar zijn huis. Zij kwamen bijeen om te zamen te beraadslagen tegen den Heere en Zijn Gezalfde, maar zij hebben ijdele dingen bedacht. En niet alleen zal Hij, die in den hemel woont lachen, maar ook wij, die op de aarde zijn, kunnen lachen, als wij zien hoe geheel dit fijn gesponnen complot in duigen valt, door een eenvoudig, eerlijk woord. Zij wilden niet luisteren naar Nicodemus, omdat zij hem niet konden antwoorden. Zodra zij bemerkten, dat er zo iemand in hun midden was, zagen zij dat het nergens toe diende om met hun plannen door te gaan, en daarom verschoven zij de beraadslaging t of een meer gelegen tijd, als hij afwezig zou zijn. Zo zal de raad des Heeren bestaan, in weerwil en ten spijt van alle bedenksels in de harten der mensen.