Johannes 7:1-13
Wij hebben hier:
I. De reden, waarom Christus meer van Zijn' tijd doorbracht in Galilea dan in Judea, vers 1, omdat de Joden, het volk in Judea en Jeruzalem, Hem zochten te doden, wijl Hij den verlamde op den sabbatdag had genezen, Hoofdstuk 5:16. Zij wilden Hem doden, hetzij in een volksoploop, of door ene wettelijke vervolging, daarom bleef Hij op een afstand in een ander deel des lands, tamelijk ver van de lijn van gemeenschap met Jeruzalem. Er wordt niet gezegd: Hij durfde niet, maar Hij wilde niet wandelen in Judea, het was niet uit vrees of lafhartigheid, dat Hij dit weigerde, maar uit voorzichtigheid, omdat Zijne ure nog niet was gekomen. Het licht des Evangelies wordt diegenen met recht ontnomen, die het zoeken uit te blussen. Christus zal zich onttrekken van hen, die Hem van zich wegdrijven, Hij zal Zijn aangezicht verbergen voor hen, die het bespuwen, en Zijne barmhartigheid toesluiten voor hen, die haar minachten. In tijden van onmiddellijk gevaar is het niet slechts geoorloofd, maar ook raadzaam om ons terug te trekken en schuil te houden ter onzer eigene veiligheid, en den dienst te verkiezen in die plaatsen, die minder gevaarlijk zijn, Mattheus 10:23. Dan, maar niet eerder, zijn wij geroepen om ons leven over te geven, als wij het niet kunnen behouden zonder zonde. Indien door de leiding van Gods voorzienigheid bekwame en verdienstelijke personen in afgelegen en onbekende plaatsen gebracht worden, dan moet men zich hier niet over verwonderen, het was het lot van onzen Meester zelven. Hij, die geschikt was om op den hoogsten stoel van Mozes te zitten, heeft gewillig in Galilea gewandeld, onder gans gewone lieden. In Galilea heeft Hij echter niet stil gezeten, heeft er zich als het ware, niet levend begraven, neen, Hij wandelde, Hij ging het land door goed doende. Als wij niet doen kunnen wat wij wensen, en waar wij het wensen, dan moeten wij doen wat wij kunnen en waar wij het kunnen.
II. De nabijheid van het Loofhuttenfeest vers 2, een der die plechtige feesten, waarop alle mannen naar Jeruzalem moesten opgaan, zie de inzetting er van, Leviticus 23:34 en verder. en de wederopleving er van, nadat het lang in vergetelheid was geraakt, in Nehemia 8:14 en verder. Het was bedoeld zowel als ene gedachtenisviering van den tabernakel-staat in de woestijn, als om een type te wezen van den tabernakel-toestand van Gods geestelijk Israël in deze wereld. Dat feest, hetwelk zo vele honderden jaren te voren was ingesteld, werd nog Godsdienstig waargenomen. Goddelijke inzettingen zijn nooit verouderd, noch verjaard door langdurigheid van tijd, en de zegeningen, genoten in de woestijn, moeten niet vergeten worden. Maar het wordt het feest der Joden genoemd, omdat het weldra afgeschaft stond te worden, als ene bloot Joodse zaak, en overgelaten aan hen, die den tabernakel dienden.
III. Christus' gesprek met Zijne broeders, sommigen van Zijne maagschap, of zij het waren van de zijde Zijner moeder, of van Zijn vermeende vader, is niet zeker, maar het waren de zodanige, die voorgaven belang in Hem te stellen, en daarom meenden Hem raad te moeten geven ten opzichte van Zijn gedrag en handelwijze. Merk op:
1. Hun eerzucht en ijdelheid in hun aandringen bij Hem om meer openlijk op te treden dan Hij tot nu toe gedaan had: Vertrek van hier, zeiden zij, en ga heen in Judea, vers 3, "waar gij meer opgang kunt maken dan hier." a. Zij geven twee redenen op voor dezen raad. Dat het ene aanmoediging zou zijn voor diegenen in of nabij Jeruzalem, die achting voor Hem hadden, want een aards koninkrijk voor Hem verwachtende, waarvan, naar zij oordeelden, de zetel te Jeruzalem moest zijn, wensten zij, dat de discipelen, die zich dáár bevonden, inzonderheid ondersteund zouden worden, en zo vonden zij, dat de tijd, dien Hij onder Zijne Galilese discipelen doorbracht, verloren tijd was, en dat Zijne wonderen geen voordeel zouden opleveren, als zij niet te Jeruzalem gezien werden. Of, "opdat al uwe discipelen, die te Jeruzalem bijeen zullen komen voor het feest, uwe werken mogen aanschouwen en niet zoals hier, enigen op een dag en anderen op een anderen dag." Dat dit zou strekken tot luister van Zijn naam en eer.
Niemand doet iets in het verborgen, en zoekt zelf, dat men openlijk van hem spreke. Zij nemen aan, dat Christus zich bekend zocht te maken, en daarom vinden zij het ongerijmd, dat Hij Zijne wonderen verborgen hield. "Indien gij deze dingen doet, indien gij zo goed in staat zijt om de toejuiching des volks en de goedkeuring der oversten te verwerven door uwe wonderen, zo waag u naar buiten, en openbaar u zelven aan de wereld. Gesteund door deze geloofsbrieven, kunt gij niet falen, en daarom is het hoog tijd om openlijk op te treden en aan uwe belangen te denken".
b. Men zou allicht denken, dat die raad niet kwaad was, en toch wordt hij door den evangelist aangeduid als een blijk van hun ongeloof: Want ook Zijne broeders geloofden niet in Hem, vers 5, want indien zij wèl in Hem hadden geloofd, zij zouden dit niet gezegd hebben. Merk op, het was ene eer om van Christus' maagschap te zijn, maar gene zaligmakende eer: zij, die Zijn woord horen en bewaren, zijn de verwanten, op wie Hij prijs stelt. Voorzeker, gene genade zit in het bloed van iemand ter wereld, als zij niet is in hen, die tot Christus' maagschap behoren. Het was een teken, dat Christus generlei werelds belang op het oog had, want dan zouden Zijne bloedverwanten zich met Hem verenigd hebben, en Hij zou het eerst voor hen gezorgd hebben. Er waren ook personen, die tot Christus' maagschap behoorden naar het vlees, en in Hem geloofden (van de twaalven waren drie Zijne broeders) en toch waren er anderen, die even na aan Hem verwant waren als zij, en echter niet in Hem geloofden. Er zijn velen, die dezelfde uitwendige voorrechten en voordelen hebben, maar er niet hetzelfde gebruik van maken. Maar:
c. Wat was er verkeerds in den raad, dien zij Hem gaven? Ik antwoord: Het was aanmatiging en verwaandheid, dat zij Christus wilden voorschrijven wat Hij doen moest, Hem te leren welke maatregelen Hij moest nemen. Het was een teken, dat zij Hem niet in staat geloofden hen te leiden, als zij Hem niet eens in staat achtten zich zelven te bestieren. Zij toonden ene grote onverschilligheid voor Zijne veiligheid, als zij wilden, dat Hij naar Judea zou gaan, daar zij wisten, dat de Joden aldaar Hem zochten te doden. Zij, die in Hem geloofden en Hem liefhadden ontrieden Hem om naar Judea te gaan, Hoofdstuk 11:8. Sommigen, zoals Dr. Whitby, denken, dat zij hoopten, dat zo Zijne wonderen te Jeruzalem gedaan werden, de Farizeeën ze zouden onderzoeken en er bedrog in zouden ontdekken, hetgeen dan hun ongeloof zou rechtvaardigen. Zij waren wellicht Zijn gezelschap in Galilea moede (want zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galileërs?) En dit was dan ook inderdaad een wens, dat Hij uit hun landpalen zou vertrekken. Zonder dat zij daar enigen grond voor hadden, geven zij te kennen, dat Hij Zijne discipelen veronachtzaamde, en hun zulk ene aanschouwing van Zijne werken weigerde als nodig was ter ondersteuning van hun geloof. Stilzwijgend richtten zij het verwijt van lafhartigheid tot Hem, dat Hij met de groten niet in het strijdperk durfde treden, noch zich op het toneel der openbare handelingen durfde toevertrouwen, hetgeen Hij, indien Hij moed en grootheid van ziel bezat, doen zou, en zich niet aldus in een hoek zou schuil houden. Aldus zijn de nederigheid van Christus en Zijne vernedering, en het geringe uiterlijke vertoon van Zijn Godsdienst in de wereld dikwijls aangewend ten smaad van Hem zelven en van Zijn Godsdienst. Zij schenen te twijfelen aan de waarheid van de wonderen, die Hij wrocht, toen zij zeiden: "indien gij deze dingen doet, indien zij de proef kunnen doorstaan van een openbaar onderzoek van wege de kerkelijke overheid, doe ze dan daar." Zij denken, dat Christus is zoals zij zelven zijn, even onderworpen aan wereldse staatkunde, en even begerig om een schoon gelaat te tonen naar het vlees, terwijl Hij gene eer zocht van mensen. Op den bodem van dit alles lag zelfzucht, indien Hij zich zo groot wilde maken als Hij kon, dan zouden zij, als Zijne bloedverwanten delen in Zijne eer, en zou hun, om Zijnentwil, eerbied en achting betoond worden. Vele vleselijk gezinde mensen nemen deel aan den openbaren eredienst, met geen ander doel dan om zich te vertonen, en het enige waar zij om geven is, zich fraai voor te doen aan de wereld. Velen, die schijnen Christus' ere op het oog te hebben, zoeken in werkelijkheid slechts hun eigene eer, en maken dit dienstbaar aan hen zelven.
2. De wijsheid en ootmoed van onzen Heere Jezus, die uitkomen in Zijn antwoord op den raad zijner broeders, vers 6 -8. In weerwil van de laagheid, die zij te kennen gaven, heeft Hij hun toch met zachtmoedigheid geantwoord. Zelfs hetgeen zonder reden wordt gezegd, behoort zonder drift te worden beantwoord. Wij behoren van den Meester te leren om met zachtmoedigheid te antwoorden op hetgeen zeer ongepast en zeer heerszuchtig is, en waar het gemakkelijk is veel verkeerds te vinden, het niet schijnen te zien, en de belediging, die er in opgesloten ligt, voorbij te zien. Zij verwachtten Christus' gezelschap te hebben op het feest, wellicht hopende, dat Hij de onkosten er van zou dragen: maar hier:
a. Toont Hij het verschil tussen Hem en hen in tweeërlei opzicht: Zijn tijd was bepaald, maar niet de hun, Mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid. Versta dit van den tijd van Zijn opgaan tot het feest. Voor hen was het onverschillig wanneer zij gingen, want zij hadden niets van aanbelang te doen waar zij waren, om er hen terug te houden, noch waar zij heengingen, om hun tocht derwaarts te bespoedigen. Maar elke minuut van Christus' tijd was kostbaar, en aan een bepaald werk gewijd. Er was nog werk voor Hem te doen in Galilea, eer Hij die landstreek verliet. In de harmonie der Evangeliën komt tussen dit voorstel van Zijn bloedverwanten en Zijn opgaan naar het feest de uitzending der zeventig discipelen, Lukas 10:1 en verder. hetgeen een zaak was van groot aanbelang, Zijn tijd is er nog niet, want dat moet eerst gedaan worden. Zij, die een nutteloos leven leiden, hebben hun tijd altijd bereid, zij kunnen komen en gaan wanneer het hun behaagt. Maar zij, wier tijd ingenomen wordt door plichten, zullen zich dikwijls om tijd verlegen vinden, en zij hebben nog geen tijd voor hetgeen anderen op alle tijden kunnen doen. Zij, die tot dienstknechten Gods gemaakt worden, en dat zijn alle mensen, en die zich tot aller dienstknechten gemaakt hebben, en dat zijn alle nuttige mensen, moeten noch verwachten noch begeren meesters van hun tijd te zijn. De beperking door arbeid is duizendmaal beter dan de vrijheid der luiheid. Of, het kan ook bedoeld zijn van den tijd Zijner openbare verschijning te Jeruzalem. Christus, die alle mensen kent, en alles weet, wist, dat de beste tijd daarvoor ongeveer het midden van het feest zou zijn. Wij, die onwetend en kortzichtig zijn, zijn geneigd Hem de wet te willen voorschrijven, te denken, dat Hij Zijn volk moet verlossen, en dat Hij zich dus nu moet vertonen. De tegenwoordige tijd is onze tijd, maar Hij is het geschiktst om te oordelen, en het kan wezen, dat Zijn tijd nu nog niet is, Zijn volk is nog niet bereid voor de verlossing, en Zijn vijanden zijn nog niet rijp voor het verderf, laat ons dus met lijdzaamheid Zijn tijd verbeiden, want alles wat Hij doet zal op den bestemden tijd er voor heerlijk wezen. Men zocht Zijn leven, niet het hun, vers 7. Zij hebben, door zich openlijk te tonen, zich niet aan gevaar blootgesteld: "De wereld kan ulieden niet haten, want gij zijt van de wereld, hare kinderen, hare dienstknechten, een met hare belangen, en ongetwijfeld zal de wereld het hare liefhebben, Hoofdstuk 15:19. Onheilige zielen, die de heilige God niet kan liefhebben, en de wereld, die in het boze ligt, niet kan haten, maar Christus heeft, door zich aan de wereld te openbaren, zich blootgesteld aan het grootste gevaar, want Mij haat zij. Christus werd niet slechts geminacht als van gene betekenis in de wereld (de wereld kende Hem niet) maar gehaat, alsof Hij schadelijk was voor de wereld, zo slecht werd Zijne liefde voor de wereld vergolden: heersende zonde is een ingewortelde antipathie en vijandschap tegen Christus. Maar waarom heeft de wereld Christus gehaat? Welk kwaad heeft Hij haar gedaan? Heeft Hij, evenals Alexander, onder schijn van haar te veroveren, haar verwoest? Neen, maar, zegt Hij, omdat Ik van dezelve getuig, dat hare werken boos zijn. De werken van een boze wereld zijn boze werken, gelijk de boom is, zo zijn de vruchten. Het is ene duistere wereld, en ene afvallige wereld, en hare werken zijn werken der duisternis en van oproer. Onze Heere Jezus heeft door zich zelven en door Zijne dienstknechten de boze werken van deze wereld ontdekt en er tegen getuigd. Het is voor de wereld zeer lastig en prikkelend om van het boze harer werken overtuigd te worden. Het is voor deugd en Godsvrucht een ere, dat zij die slecht en goddeloos zijn er niet gaarne van horen, want hun eigen geweten maakt hen beschaamd wegens het schandelijke, dat er in de zonde is, en bevreesd voor de straf, die op de zonde volgt. Wat men ook voorgeve, de wezenlijke oorzaak van de vijandschap der wereld tegen het Evangelie is, dat het tegen zonde en zondaars getuigt. Door hun leer en wandel pijnigen Christus' getuigen hen, die op de aarde wonen, en daarom wordt hun zulk een barbaarse behandeling aangedaan, Openbaring 11:10. Maar het is beter zich aan den haat der wereld bloot te stellen door tegen hare boosheid te getuigen, dan hare welwillendheid te verkrijgen door op den stroom met haar af te drijven.
b. Hij zendt hen weg met het voornemen om zelf nog enigen tijd in Galilea te blijven, vers 8. Gaat gijlieden op tot dit feest, Ik ga nog niet op tot dit feest. Hij vergunt hun op te gaan tot het feest, hoewel zij er vleselijk en geveinsd in waren. Zelfs zij, die niet in de rechte gezindheid en met oprechte bedoelingen tot de heilige inzettingen naderen, moeten niet geweerd of gehinderd worden, wie weet welke invloed ten goede er bij hen door gewerkt zal worden? Hij weigert hun Zijn gezelschap toen zij opgingen tot het feest, omdat zij vleselijk en geveinsd waren. Zij, die opgaan naar Gods huis om er te pralen, of ter bevordering van wereldse doeleinden, gaan zonder Christus, en zullen er dus ook weinig of geen geestelijk nut van hebben. Hoe treurig is de toestand van dien mens, hoewel hij zich verwant acht aan Christus, tot wie Hij zegt: Ga op tot deze of die inzetting. Ga heen en bid, ga heen en hoor het woord, ga heen aan het Avondmaal, maar Ik zal niet met u gaan! Ga heen en verschijn voor God, maar Ik zal niet voor u verschijnen," zoals Exodus 33:1-3. Maar indien Christus' aangezicht niet met ons gaat, waartoe is het dan nut, dat wij opgaan? Gaat gijlieden op, Ik ga niet op. Als wij gaan naar, of komen van, plechtige inzettingen, dan betaamt het ons wèl acht te geven op het gezelschap, dat wij hebben of verkiezen, te mijden hetgeen ijdel en vleselijk is, opdat het vuur der goede gezindheid niet uitgeblust worde door kwade samenspreking. Ik ga nog niet op tot dit feest. Hij zegt niet: Ik zal in het geheel niet opgaan, maar nog niet. Er kunnen redenen zijn om een bijzonderen plicht uit te stellen, maar die toch niet geheel verzuimd moet worden, Numeri 9:6-11. De reden, die Hij geeft is: Mijn tijd is nog niet vervuld. Onze Heere Jezus is zeer stipt en nauwkeurig in het houden van Zijn tijd, en daar het de vastgestelde tijd was, was het ook de beste tijd. 3. Christus' blijven in Galilea, totdat Zijn tijd vervuld was, vers. 9. Als Hij deze dingen tot hen gezegd had, tauta de eipoon, verbleef Hij nog in Galilea, vanwege deze hun rede bleef Hij daar nog, want
a. Hij wilde geen invloed op zich laten uitoefenen door hen, die Hem aanrieden eer van mensen te zoeken, noch met hen op weg gaan, die Hem wilden drijven vertoon te maken in de wereld, Hij wilde den schijn niet hebben van de verzoeking goed te keuren of te ondersteunen.
b. Hij wilde van Zijn eigen voornemen niet afzien. Met helder inzicht en na rijpe overweging had Hij gezegd, dat Hij nog niet wilde opgaan tot dit feest, en daarom bleef Hij nog in Galilea. Het betaamt den volgelingen van Christus om standvastig te zijn, en gene lichtvaardigheid te gebruiken.
4. Zijn opgaan tot het feest, toen Zijn tijd gekomen was. Merk op:
a. Wanneer Hij ging.
Als Zijne broeders opgegaan waren. Hij wilde niet opgaan met hen opdat zij gene opschudding teweeg zouden brengen onder voorwendsel van Hem te tonen aan de wereld, terwijl het overeenkwam zowel met de voorzegging als met Zijne eigene gezindheid om niet te schreeuwen, noch Zijne stem op de straat te laten horen, Jesaja 42:2. Maar Hij ging na hen. Het is geoorloofd om deel te nemen aan dezelfde openbare Godsverering met hen, wier omgang wij moeten mijden, want de zegen hangt af van Gods genade, en niet van de genade van hen, die met ons deelnemen aan de Godsverering. Zijne vleselijk gezinde broeders gingen eerst op, en daarna ging Hij. In het uitwendig waarnemen van den Godsdienst kunnen formalisten en geveinsden de oprechten voor zijn. Velen komen het eerst in den tempel, die er uit ijdele roemzucht heengaan, en er niet gerechtvaardigd van terugkomen, zoals hij van wie gesproken wordt in Lukas 18:11. Het is niet: Wie komt het eerst, dat de grote vraag zal wezen, maar wie komt het voegelijkst? Als wij met ons hart komen, dan is het van generlei belang wie ons voor geweest is.
b. Hoe Hij ging, hoos en kruptooi, alsof Hij zich verborg, niet openlijk, maar in het geheim, als het ware, veeleer uit vrees van aanstoot te geven, dan van leed te ondergaan. Hij ging op tot het feest, omdat het ene gelegenheid was om God te verheerlijken en goed te doen: maar Hij ging op, in het geheim als het ware, omdat Hij de overheid niet wilde tarten. Mits het werk Gods goed en krachtig gedaan worde, is het het best, om het zonder gedruis te doen. Het koninkrijk Gods moet niet komen met uiterlijk gelaat, Lukas 17:20. Wij kunnen het werk Gods in stilte doen, zonder het bedrieglijk te doen.
5. De grote verwachting van Hem onder de Joden te Jeruzalem, vers 11-14. Te voren tot de feesten gekomen zijnde, en zich hebbende onderscheiden door de wonderen, die Hij deed, is Hij het onderwerp geworden van vele gesprekken onder het volk.
a. Het kon niet anders of zij moesten aan Hem denken, vers 11.
De Joden dan zochten Hem in het feest, en zeiden: Waar is Hij? Het gemene volk verlangde Hem daar te zien, zij wilden hun nieuwsgierigheid bevredigen door de aanschouwing van Zijn Persoon en Zijne wonderen. Zij achtten het niet der moeite waard tot Hem te gaan in Galilea, hoewel het geen verloren tijd of moeite voor hen geweest zou zijn, indien zij het wèl gedaan hadden, maar zij hoopten, dat Hij op het feest te Jeruzalem zou komen, en dan zouden zij Hem zien. Als er gelegenheid is om met Christus aan hun eigene deur bekend te worden, dan zijn zij er niet afkerig van. Zij zochten Hem in het feest. Als wij in de heilige inzettingen tot God gaan, dan moeten wij er Christus in zoeken, Hem zoeken in de Evangeliefeesten. Zij, die Christus willen zien in een feest, moeten Hem er zoeken. Of, wellicht waren het Zijne vijanden, die aldus op de gelegenheid wachtten om Hem te grijpen, en, zo mogelijk een einde te maken aan Zijn invloed. Zij zeiden: Waar is Hij? pou estin ekeinos. Waar is die daar? Met zo veel minachting spreken zij van Hem. Of het geeft te kennen, hoe hun hart vervuld was van gedachten omtrent Hem en hun gesprekken over Hem, zodat zij Hem niet behoefden te noemen. Terwijl zij het feest welkom moesten heten als ene gelegenheid om God te dienen, waren zij er blijde mede als ene gelegenheid om Christus te vervolgen. Zo heeft Saul gehoopt David te doden op het feest der nieuwe maan, 1 Samuël 20:27. Zij, die in de plechtige bijeenkomsten ter Godsverering gelegenheid zoeken om te zondigen, ontheiligen Gods inzettingen op de ontzettendste wijze, tarten Hem in Zijn eigen huis.
b. Er was groot verschil van gevoelen omtrent Hem onder het volk, vers 12. "Er was veel gemurmel van Hem (of gemompel) onder de scharen. De vijandschap der oversten tegen Christus en het onderzoek, dat zij naar Hem instelden, waren oorzaak, dat er nog veel meer onder het volk van Hem gesproken werd, en dat er nog veel meer acht op Hem werd geslagen. Het Evangelie van Christus heeft door den tegenstand, die er aan geboden werd, dit gewonnen, dat het zo veel te meer onderzocht werd. Door dat het overal tegengesproken werd, werd er ook overal over gesproken, en aldus is het verder verbreid geworden. Dit gemurmel was niet tegen Christus, maar van Hem, of over Hem. Sommigen mompelden tegen de oversten, omdat zij Hem niet ondersteunden en bemoedigden, anderen mompelden tegen hen, omdat zij Hem niet terughielden en tot zwijgen brachten. Sommigen murmureerden, omdat Hij zo groot een invloed had in Galilea, anderen, omdat Hij zo weinig invloed had te Jeruzalem. Christus en Zijn Evangelie zijn het onderwerp geweest van vele twistgesprekken, en dat zal altijd zo wezen, Lukas 12:51, 52. Indien allen het eens waren om Christus aan te nemen zoals zij Hem behoren aan te nemen, dan zou er een volmaakte vrede heersen, maar als sommigen het licht ontvangen en anderen het tegenstaan, dan komt er gemurmel. Zo lang de beenderen in de vallei dood en dor waren, lagen zij stil, maar toen er tot hen gezegd was: Leeft, ontstond er beroering onder hen, Ezechiël 37:7. Maar het gedruis en de botsing der vrijheid en van het verkeer zijn voorzeker verre weg verkieselijker dan de stilte en de enerleiheid van ene gevangenis. Wat nu waren de gevoelens van het volk nopens Hem? Sommigen zeiden: Hij is goed. Dat was ene waarheid, maar volstrekt niet de gehele waarheid. Het was niet slechts een goed mens, Hij was meer dan mens, Hij was de Zoon van God. Velen, die omtrent Christus gene boze gedachten hebben, hebben toch lage gedachten van Hem, en zelfs als zij goeds van Hem zeggen, eren zij Hem toch eigenlijk niet, omdat zij niet genoeg zeggen. Toch is het Hem tot eer en Zijn vervolgers tot smaad en schande geweest, dat zelfs zij, die niet in Hem wilden geloven, niet wilden geloven, dat Hij de Messias was, toch moesten erkennen, dat Hij een goede mens was. Anderen zeiden: Neen, maar hij verleidt de schare. Indien dit waar was, dan zou Hij een zeer slecht mens geweest zijn. De leer, die Hij predikte was goed en kon niet betwist worden. Zijne wonderen waren echt, en konden niet bewezen worden onwaar te zijn, Zijn wandel was heilig en goed, zoals ieder zien kon, toch moet het nu maar als bewezen worden aangenomen, dat, in weerwil van dat alles, er op den bodem een of ander bedrog lag verscholen, want het belang der overpriesters eiste Hem tegen te staan en te vernietigen. Zulk gemurmel als er betreffende Christus onder de Joden was, is er nu nog onder ons: De Socinianen zeggen: Hij is een goed man, en verder gaan zij niet. De deïsten zijn het hiermede niet eens, willen Hem niet als goed erkennen, zij zeggen: Hij verleidt de schare. Zo wordt Hij dan door sommigen te laag geschat, door anderen gelasterd, maar groot is de waarheid. Hun oversten maakten hen bevreesd om veel over Hem te spreken, vers 13. Niemand sprak vrijmoediglijk van Hem, om de vrees der Joden. Hetzij: Ten eerste. Dat zij niet openlijk goed van Hem durfden spreken. Terwijl ieder vrij was om Hem te smaden en kwaad van Hem te spreken, heeft niemand Hem durven rechtvaardigen. Of: Ten tweede. Dat zij in het geheel niet openlijk van Hem durfden spreken. Omdat niets met recht tegen Hem gezegd kon worden, wilden zij niet dulden, dat er iets van Hem gezegd zou worden. Het was ene misdaad Hem te noemen. Aldus hebben velen bedoeld de waarheid te onderdrukken onder voorgeven van het twisten er over tot zwijgen te brengen, zij zouden alle spreken over den Godsdienst willen doen ophouden, in de hoop van alzo den Godsdienst zelf in vergetelheid te brengen.