Johannes 12:12-19
Dit verhaal van Christus' intocht in Jeruzalem vinden wij bij al de evangelisten, als waardig om in het bijzonder opgemerkt te worden, en hierin kunnen wij opmerken:
I. Den eerbied, die onzen Heere Jezus betoond werd door het gemene volk, vers, 12, 13, waar ons gezegd wordt:
1. Wie zij waren, die Hem dezen eerbied bewezen, een grote schare van hen, die tot het feest waren opgekomen, niet de inwoners van Jeruzalem, maar de landlieden, die van ver afgelegen plaatsen kwamen om op het feest te aanbidden, hoe dichter bij den tempel des Heeren, hoe verder af van den Heere des tempels. Zij waren dezulken, die tot het feest gekomen waren.
a. Wellicht zijn zij Christus' hoorders geweest op het land, en hebben zij Hem aldaar grotelijks bewonderd, en waren zij daarom ijverig om Hem te Jeruzalem hun eerbied te betonen, waar Hij, naar zij wisten, vele vijanden had. Zij, die Christus waarlijk eren en waarderen, zullen noch bevreesd zijn noch zich schamen om Hem te belijden voor de mensen, waar en in welke omstandigheid zij Hem hierdoor ook kunnen eren.
b. Het waren misschien deze Godvruchtige Joden, die enigen tijd tevoren tot het feest waren opgegaan om zich te reinigen, meer hart hadden voor den Godsdienst dan hun naburen, en zich nu haastten om Christus ere te bewijzen. Hoe meer acht de mensen slaan op God en Godsdienst in het algemeen, hoe meer zij gezind zullen wezen om Christus en Zijn Godsdienst aan te nemen. Het waren niet de oversten, niet de groten of aanzienlijken, die uitgingen om Christus te ontmoeten, maar het gemene volk, sommigen zouden hen "het grauw", "het gespuis" genoemd hebben, maar Christus heeft het zwakke en dwaze der wereld uitverkoren, 1 Corinthiërs 1:27, en Hij wordt meer geëerd door de menigte dan door de pracht of heerlijkheid Zijner volgelingen, want Hij schat de mensen naar hun zielen, niet naar hun namen of eretitels.
2. Bij welke gelegenheid zij het deden: Zij hoorden, dat Jezus naar Jeruzalem kwam. Zij hadden naar Hem gevraagd, Hoofdstuk 11, 55, 56.
Dunkt u dat Hij niet komen zal tot het feest? En nu horen zij, dat Hij komt, want niemand, die Christus zoekt, zoekt Hem tevergeefs. Toen zij nu hoorden dat Hij kwam, deden zij hun best, om Hem een aangename ontvangst te bereiden. Tijdingen van de komst van Christus en van Zijn koninkrijk moeten ons opwekken om te overwegen wat het werk van den dag is, opdat het op dien dag gedaan worde. Israël moet zich schikken om zijn God te ontmoeten, Amos 4:12, en de maagden om den bruidegom te ontmoeten.
3. Op wat wijze zij uitdrukking gaven aan hun eerbied. Zij hadden de sleutels der stad niet om ze Hem aan te bieden, geen zwaard of staf om voor Hem uit te dragen, geen stadsmuziek om Hem er mede te verwelkomen, maar wat zij hadden, gaven zij Hem, en zelfs deze verachtelijke menigte was een flauw beeld van het heerlijk gezelschap, dat Johannes gezien heeft staande voor den troon en voor het Lam, Openbaring 7:9, 10. Dezen waren wel niet voor den troon, maar zij waren voor het Lam, het Paaslam, dat nu, naar de plechtige gewoonte, vier dagen voor het feest afgezonderd werd om voor ons geofferd te worden. Dáár wordt van het hemelse koor gezegd: a. Dat palmtakken in hun handen waren, en zo hadden ook dezen hier takken van palmbomen. De palmboom is altijd het zinnebeeld van overwinning geweest. Cicero noemt iemand, die vele prijzen gewonnen had: "een man van vele palmen". Christus ging thans door Zijn dood de overwinning behalen over overheden en machten, en daarom was het gepast dat de palm des overwinnaars voor Hem uit werd gedragen, hoewel Hij zich nog slechts aangordde, kon Hij zich toch al beroemen als iemand, die zich losmaakt. Maar dat was niet alles, het dragen van palmtakken maakte een deel uit van de plechtigheden op het feest der loofhutten, Leviticus 23:40, Nehemia 8:15, 16, en, dat zij deze uitdrukking van vreugde gebruikten in hun welkom aan den Heer Jezus, geeft te kennen, dat alle feesten heen wezen naar Zijn Evangelie, en daarin hun vervulling hadden, inzonderheid het feest der loofhutten, Zacheria 14:16.
b. Dat zij riepen met een grote stem, zeggende: De zaligheid zij onzen God, Openbaring 7:10. En dat doen hier ook dezen, zij riepen, zij juichten, zoals gewoonlijk gedaan wordt bij een welkomstgroet door het volk: Hosanna! gezegend is Hij, die komt in den naam des Heeren, Hij, die is de Koning Israël's! Hosanna betekent heil, of zaligheid. Het is aangehaald uit Psalm 118:25, 26. Zie hoe bekend deze lieden uit de volksklasse met de Schrift zijn, en hoe juist zij haar op den Messias weten toe te passen. Hoge gedachten omtrent Christus kunnen het best in woorden der Schrift worden uitgedrukt. In hun toejuiching nu: a. Erkennen zij onzen Heere Jezus als den Koning Israël's, die komt in den naam des Heeren. Hoewel Hij thans in armoede en oneer daarheen ging, erkennen zij Hem toch, in tegenstelling met de denkbeelden, die de Schriftgeleerden hun van den Messias hadden gegeven, als Koning, waardoor beide Zijne waardigheid en Zijne eer worden aangeduid, die wij moeten aanbidden, en Zijne heerschappij en macht, waaraan wij ons moeten onderwerpen. Zij erkennen Hem te zijn: Ten eerste. Een rechtmatige Koning, komende in den naam des Heeren, Psalm 2:6, van God gezonden, niet slechts als een profeet, maar als een koning. Ten tweede. De beloofde en lang verwachte Koning, Messias, de Vorst, want Hij is de Koning Israël's. Naar het licht, dat zij hadden, riepen zij Hem in de straten van Jeruzalem uit als den Koning Israël's, en, zij zelven Israëlieten zijnde, verklaren zij Hem hun Koning te zijn. b. Zij wensen van harte het goede voor Zijn koninkrijk, hetgeen de betekenis is van hosanna: de Koning Israël's zij voorspoedig, zoals zij, toen Salomo gekroond werd, riepen: De koning Salomo leve! 1 Koningen 1:39. In dat roepen van hosanna baden zij om drie dingen. -Ten eerste. Dat Zijn koninkrijk zou komen, in het licht en de kennis er van, en in de kracht en uitwerking er van. Make God den Evangelieploeg voorspoedig.
Ten tweede. Dat het overwinnend zij, moge zegevieren over allen tegenstand, Openbaring 6:2.
Ten derde. Dat het duurzaam zij. Hosanna! Dat is: "De koning leve in eeuwigheid, " hoewel Zijn koninkrijk beroerd, ontrust kan worden, zo laat het toch nooit worden vernietigd, Psalm 72:17. Zij heetten Hem welkom in Jeruzalem: "Welkom is Hij, die komt, wij zijn van harte verblijd Hem te zien, kom in, Gij Gezegende des Heeren", en wèl mogen wij Hem opwachten met onze zegenwensen, die ons tegemoet komt met Zijne zegeningen. Dat welkom is gelijk aan dat in Psalm 24:7-9.
Heft uwe hoofden op, gij poorten! Aldus moet een iegelijk onzer Christus welkom heten in ons hart, dat is: wij moeten Hem loven, een welbehagen in Hem hebben. Gelijk wij een hoog welbehagen moeten hebben in het wezen en de hoedanigheden Gods en in Zijne betrekking tot ons, zo moeten wij ook hogelijk zijn ingenomen met den Persoon en de ambten van den Heere Jezus en met Zijn middelaarschap tussen ons en God. Het geloof zegt: Gezegend is Hij, die komt. II. Hoe Christus die eerbiedsbetuiging ontving, vers 14: Jezus vond -of verschafte zich-een jongen ezel, en zat daarop. Het was slechts een armoedige vertoning, die Hij maakte, Hij alleen op een ezel, en een menigte volks rondom Hem, die hosanna riep.
1. Hier was echter veel meer statigheid dan Hij gewoonlijk aannam, Hij placht te voet te reizen, maar nu reed Hij. Hoewel Zijne volgelingen bereid moeten wezen om zich met het geringe te vergenoegen en niet naar de grootsheid des levens moeten streven, is het hun toch geoorloofd van den dienst der lagere schepselen gebruik te maken, als God in Zijne voorzienigheid hun het bezit schenkt van die dingen, waarover Hij door Zijn verbond met Noach en zijne zonen aan den mens in het algemeen heerschappij heeft gegeven.
2. Maar er was veel minder staatsie dan door de groten der wereld gewoonlijk tentoongespreid wordt. Indien Hij, overeenkomstig den staat van een man van hogen rang en afkomst, een openbaren intocht had willen houden, dan zou Hij in ene koets hebben moeten rijden, zoals die van Salomo, Hooglied 3:9, 10, met pilaren van zilver, een vloer van goud en een gehemelte van purper, maar, oordelende naar de wijze dezer wereld, was deze wijze van Zijne intrede te doen, eerder ene vernedering dan ene eer voor den Koning Israël's, want het had den schijn, alsof Hij groot wilde doen, maar niet wist hoe. Zijn koninkrijk was niet van deze wereld, en daarom kwam Hij niet in uiterlijke pracht of praal. Thans vernederde Hij zich, maar in Zijn verhoogden staat ziet Johannes Hem in een visioen op een wit paard, met een boog en een kroon.
III. Hoe hierin de Schrift vervuld is geworden: Gelijk geschreven is: Vrees niet, gij dochter Zions, vers 15. Dit wordt aangehaald uit Zacheria 9:9. Alle profeten hebben van Hem getuigd, inzonderheid dit Hem betreffende.
1. Het was voorzegd, dat Zions Koning zou komen, aldus zou komen, zittende op het veulen ener ezelin. Zelfs deze kleine bijzonderheid was voorzegd, en Christus droeg er zorg voor, dat de voorzegging vervuld werd. Christus is Zions Koning, de heilige berg Zion was vanouds bestemd om de hoofdstad, de koninklijke stad van den Messias te zijn. Zions Koning zorgt voor haar en komt tot haar, hoewel Hij zich voor ene wijle er van terugtrekt, ter bestemder tijd keert Hij weer. Hoewel Hij slechts langzaam nadert-een ezel is geen snelvoetig dier-komt Hij toch zeker, en met zulk een voorkomen van nederigheid en neerbuigende goedheid, als waardoor Zijn trouwe onderdanen in hun toespraken en hun verwachtingen grotelijks bemoedigd worden. Nederige smekelingen mogen tot Hem naderen om met Hem te spreken. Indien het ene ontmoediging is voor Zion, dat haar Koning niet met grotere macht en heerlijkheid verschijnt, zo laat haar weten, dat Hij, hoewel Hij tot haar komt, rijdende op het veulen ener ezelin, toch tegen hare vijanden uitgaat, varende op den hemel tot hare hulp, Deuteronomium 33:26.
2. De dochter Zions wordt daarom geroepen om haren Koning te zien, Zijne nadering op te merken, te zien en zich te verwonderen, want Hij komt wel niet met uiterlijk vertoon, maar Hij moet toch aanschouwd worden, Hooglied 3:11.
Vrees niet. In de profetie wordt tot Zion gezegd zich grotelijks te verheugen en te juichen, maar hier wordt dit overgezet in vrees niet. Ongelovige vrees is de vijandin van geestelijke blijdschap, indien die vrees weggenomen, overwonnen is, dan zal de blijdschap gans vanzelf komen. Christus komt tot Zijn volk om hun vrees tot zwijgen te brengen. Indien de zaak zo staat, dat wij niet tot het juichen der blijdschap kunnen komen, dan moeten wij er toch naar streven om van onder den druk der vrees weg te komen. Verheug u zeer, of tenminste: vrees niet.
IV. De opmerking van den evangelist betreffende de discipelen, vers 16. Zij verstonden in het eerst niet waarom Christus dit deed en hoe de Schrift hierin vervuld werd, maar als Jezus verheerlijkt was, en daarna de Geest werd uitgestort, toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was in het Oude Testament, en dat zij, en anderen, dientengevolge Hem dit gedaan hadden.
1. Zie hier de onvolmaaktheid van de discipelen in hun kinderstaat, zelfs zij verstonden dit in het eerst niet. Zij dachten niet toen zij den ezel haalden en Hem er op zetten, dat zij de plechtigheid verrichtten van de inhuldiging van Zions Koning. De Schrift wordt dikwijls vervuld door middel van hen, die zelven in hetgeen zij doen het oog niet hebben op de Schrift. Jesaja 45:4. Er zijn vele voortreffelijke dingen, beide in het woord en in de voorzienigheid Gods, die de discipelen zelven in het eerst niet verstaan, niet in hun eerste kennismaking met de dingen Gods, zolang zij nog mensen als bomen zien wandelen, niet bij de eerste voorstelling der dingen aan hun beschouwing en overweging. Hetgeen later helder en duidelijk wordt, is in het eerst duister en twijfelachtig. Het betaamt den discipelen van Christus, als zij opwassen tot rijpheid in kennis, dikwijls te denken aan de dwaasheid en zwakheid van hun begin, opdat de vrije genade de eer hebbe van hun vordering, en zij medelijden kunnen hebben met de onwetenden. Toen ik een kind was, sprak ik als een kind.
2. Zie hier de vordering en verbetering van de discipelen in hun volwassen staat. Zij zijn wel kinderen geweest, maar zij zijn het niet gebleven, maar zijn voortgegaan tot volkomenheid. Merk op:
a. wanneer zij het verstonden: Als Jezus verheerlijkt was, want tot aan dien tijd hebben zij den rechten aard van Zijn koninkrijk niet begrepen. Zij verwachtten dat het komen zou in uitwendige heerlijkheid, glans en macht, en daarom wisten zij de Schrift niet toe te passen, die er van sprak als zo gering in aanzien. Het rechte begrip van den geestelijken aard van Christus' koninkrijk, van deszelfs macht, heerlijkheid en zegepraal, zou voorkomen dat wij de Schrift, die daarvan spreekt, verkeerd uitleggen en verkeerd toepassen. Tot aan dien tijd was de Geest nog niet uitgestort, die hen in alle waarheid zou leiden. De discipelen van Christus worden bekwaam gemaakt om de Schriften te verstaan door dezelfden Geest, die de Schriften heeft ingegeven. De Geest der openbaring is voor alle heiligen een Geest der wijsheid, Efeze 1:17, 18.
b. Hoe zij het verstonden, zij vergeleken de profetie met de gebeurtenis, en voegden ze tezamen, opdat zij licht van elkaar zouden ontvangen, en zo zijn zij er toe gekomen om beiden te verstaan: Toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was door de profeten, en in overeenstemming daarmee is het aan Hem gedaan. Er is zulk een bewonderenswaardige overeenstemming tussen het woord en de werken Gods, dat de herinnering aan hetgeen geschreven is, ons in staat stelt te begrijpen wat geschied is, en het opmerken van hetgeen geschied is zal ons helpen om te begrijpen wat geschreven is. Wat zij gehoord hadden, dat hadden zij ook gezien. De Schrift wordt dagelijks vervuld.
V. De reden, die het volk er toe bewoog dezen eerbied te betonen aan onzen Heere Jezus bij Zijne komst te Jeruzalem, ofschoon de regering zozeer tegen Hem was. Het was vanwege het grote, heerlijke wonder, dat Hij onlangs gewrocht had in de opwekking van Lazarus. 1. Zie hier welk bericht en welke verzekering zij hadden van dit wonder. Ongetwijfeld was de gehele stad er vol van, het verhaal was in ieders mond. Maar zij, die het als een bewijs beschouwden van Zijne zending, hebben, om gans zeker te zijn van het feit, diegenen opgespoord, die er de ooggetuigen van geweest zijn, opdat zij er de zekerheid van mochten kennen door het sterkst-mogelijk bewijs: De schare dan, die met Hem was, toen Hij Lazarus uit het graf te voorschijn riep, ontdekt en ondervraagd zijnde, getuigde, dat Hij Lazarus uit het graf geroepen en hem uit de doden opgewekt had, vers 17. Eenstemmig verklaarden zij, dat het waar was, boven allen twijfel of tegenspraak, en zij waren bereid om, zo zij hiertoe geroepen werden, dit onder ede te verklaren. De waarheid van Christus' wonderen wordt door onfeilbare, ontwijfelbare bewijzen gestaafd. Waarschijnlijk hebben zij, die het wonder gezien hadden, het niet slechts meegedeeld aan hen, die er hun naar vroegen, maar het ook ongevraagd bekend gemaakt, als ene bijdrage tot de zegepraal van dezen plechtigen dag, en Christus, die nu kwam uit Bethanië, waar het geschied was, heeft er hen aan herinnerd. Zij, die het goede wensen voor Christus' koninkrijk, moeten ijverig zijn in het bekendmaken van hetgeen zij weten, dat Hem tot eer zal strekken.
2. Welk gebruik zij er van maakten en welken invloed het op hen had, vers 18. Daarom, evengoed als om iets anders, ging ook de schare Hem tegemoet.
a. Sommigen wensten, uit nieuwsgierigheid, enen te zien, die zulk een wonder had gewrocht. Hij heeft menige goede leerrede te Jeruzalem gehouden, die niet zoveel mensen tot Hem trok als dit ene wonder. Maar:
b. Anderen hebben, door hun hart en geweten hiertoe gedrongen, zich beijverd Hem te eren als iemand, die van God was gezonden. Dit wonder was tot een der laatste bewaard gebleven, opdat het tot bevestiging zou dienen van de vorigen, en ere voor Hem zou winnen voordat Zijn lijden begon, Christus heeft niet slechts alles wèl gedaan, Markus 7:37, maar ook alles ter rechter tijd gedaan.
VI. De verontwaardiging der Farizeeën over dit alles. Sommigen van hen hebben Christus' openlijken intocht waarschijnlijk gezien, en allen hebben zij er spoedig van gehoord. Het comite, dat aangesteld was om naar de middelen te zoeken om Hem te vernietigen, dacht het doel bereikt te hebben, toen Hij in afzondering was, en nu wel spoedig in Jeruzalem vergeten zou zijn, en nu zijn zij in woede ontstoken, bemerkende dat zij slechts ijdelheid bedacht hebben.
1. Zij erkennen, dat zij geen grond op Hem gewonnen hadden, het was duidelijk, dat zij gans niet vorderden. Met al hun boze inblazingen konden zij de genegenheid des volks voor Hem niet wegnemen, evenmin als zij hen door bedreigingen konden weerhouden van Hem hun genegenheid te tonen. Zij, die Christus tegenstaan en strijden tegen Zijn koninkrijk, zullen bemerken dat zij niet vorderen. God zal, in weerwil van hen en van de nietige pogingen hunner machteloze woede Zijn eigen doeleinden tot stand brenging. Men wint er niets mede door Christus tegen te staan.
2. Zij erkennen, dat Hij grond op hen had gewonnen: de gehele wereld gaat hem na. Er is een grote schare, ene wereld van mensen, die met hem gaat, een overdrachtelijke zegswijze, die in de meeste talen gebruikt wordt. Toch hebben zij, evenals Kajafas, zonder er zich van bewust te zijn, geprofeteerd, dat "de wereld Hem na zal gaan", sommigen uit allerlei soort van lieden, uit allerlei plaatsen, ganse volken zullen tot discipelen gemaakt worden. Maar met welke bedoeling werd dit gezegd?
a. Zij geven aldus uitdrukking aan hun eigen verdriet wegens Zijn toenemenden invloed, hun nijd verteert hen. Als de hoorn des rechtvaardigen verhoogd wordt tot ere, dan zal de goddeloze het zien, en zich vertoornen, Psalm 112:9, 10. In aanmerking nemende hoe groot deze Farizeeën waren, en hoe overvloedige eer hun bewezen werd, zou men denken, dat zij Christus dit weinigje eer, dat Hem nu bewezen werd, niet behoefden te misgunnen, maar hoogmoedige mensen willen, evenals Haman, alle eer voor zich alleen hebben en houden, zonder haar met iemand te delen.
b. Zij sporen zich zelven en elkaar aan tot krachtiger maatregelen tegen Christus. Alsof zij zeiden: "Talmen en uitstellen gaat niet langer. Wij moeten meer afdoend tegen hem te werk gaan, ten einde deze besmetting tot staan te brengen. Het is tijd om al onze krachten in te spannen en al onze bekwaamheid aan te wenden eer het kwaad onherstelbaar is geworden". Zo zullen de vijanden van den Godsdienst heftiger en werkzamer worden door de teleurstelling, die zij ondervinden. Zullen dan de vrienden door elke teleurstelling, die zij ondervinden, ontmoedigd worden, terwijl zij toch weten, dat hun zaak rechtvaardig is en in het einde de zege zal wegdragen?