Johannes 4:43-54
In deze verzen hebben wij:
I. Christus' komst in Galilea, vers 43. Hoewel Hij even welkom was onder de Samaritanen als Hij overal elders zijn kon, en er meer vrucht had op Zijn arbeid, heeft Hij hen toch "na twee dagen" verlaten, niet zozeer omdat zij Samaritanen waren, en omdat Hij diegenen niet in hun vooroordeel tegen Hem wilde bevestigen, die zeiden: "Hij is een Samaritaan" (Hoofdstuk 8:48), maar omdat Hij "ook anderen steden het Evangelie van het koninkrijk Gods moest verkondigen", Lukas 4:43. Hij "ging heen naar Galilea", want daar bracht Hij veel van Zijn tijd door. Zie hier nu waar Christus heenging.
1. Naar Galilea, in de landstreek Galilea, maar niet naar Nazareth, de hoofdplaats, om ene reden, die Jezus hier zelf opgeeft, "zelf heeft getuigd", die den aard kende van Zijne landslieden, het hart van alle mensen en de ervaring van alle profeten, welke is: "dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft". Profeten behoorden ere te hebben, omdat God hun ere heeft gegeven, en omdat wij door hen goeds ontvangen, of kunnen ontvangen. De ere, verschuldigd aan de profeten des Heeren, is hun zeer dikwijls geweigerd niet alleen, maar zij werden met verachting en smaad bejegend. Deze verschuldigde eer wordt hun het vaakst in hun eigen vaderland geweigerd, Lukas 4:24, Mattheus 13:57. Niet dat dit algemeen en altijd waar is-er is geen regel zonder uitzondering-maar meestal is het waar. Jozef werd het meest door zijne broeders gehaat, toen hij een profeet begon te worden. David werd geminacht door zijn broeder, 1 Samuël 17:28, Jeremia werd benijd en benadeeld door de mannen van Anathoth, Jeremia 11:21, Paulus door zijne landslieden, de Joden, en Christus' naaste bloedverwanten spraken met zeer weinig waardering van Hem, Hoofdstuk 7:5. Der mensen hoogmoed en nijd komen er tegen op, om zich te laten onderwijzen door hen, die hun school- en speelmakkers geweest zijn. Zucht naar hetgeen nieuw is, van verre komt en met moeite wordt verkregen, als uit de lucht voor hen schijnt te vallen, maakt dat de mensen personen en zaken minachten, die zij lang gekend hebben, aan wie zij gewoon zijn geraakt, en van wie zij de opkomst gezien hebben. Het is zeer ontmoedigend voor een leraar om zich onder mensen te begeven, die voor hem noch voor zijn arbeid waardering hebben. Christus wilde niet naar Nazareth gaan, omdat Hij wist hoe weinig eerbied of achting Hem daar betoond zou worden. God is rechtvaardig, als Hij Zijn Evangelie onthoudt aan hen, die de bedienaars er van minachten. Zij, die de boden bespotten, verbeuren den zegen der boodschap. Mattheus 21:35, 41.
2. Welk een onthaal Hij vond onder de Galileërs van het land, vers 45:Zij ontvingen Hem", heetten Hem welkom, en hebben met blijdschap naar Zijne leer geluisterd. Christus en Zijn Evangelie worden niet tevergeefs gezonden, indien zij gene eer hebben bij sommigen, bij anderen zullen zij die eer wel hebben. De reden, die aangeduid wordt, waarom deze Galileërs zo bereid waren Christus te ontvangen, is, dat zij "de dingen hadden gezien, die Hij te Jeruzalem had gedaan," vers 45. Zij waren naar Jeruzalem opgegaan voor het feest, het feest van het pascha. De Galileërs woonden op verren afstand van Jeruzalem, en hun weg daarheen liep door het land der Samaritanen, en voor een Jood was het lastig om door dat land te reizen, erger voor hen dan het dal Baka was van ouds, maar in gehoorzaamheid aan Gods gebod gingen zij op naar het feest, en daar zijn zij bekend geworden met Christus. Wie naarstig en getrouw de inzettingen van den Godsdienst waarnemen, zullen vroeg of laat er meer geestelijk goed door ontvangen dan zij denken. Te Jeruzalem zagen zij Christus' wonderen, waardoor Hij en Zijne leer ten hoogste aan hun geloof en hun liefde werden aanbevolen. De wonderen werden gewrocht ten gunste van hen. die te Jeruzalem waren, maar de Galileërs, die er slechts voor een kort bezoek vertoefden, hebben er meer nut en voordeel van ontvangen dan zij, voor wie zij voornamelijk bedoeld waren. Zo kan het woord, dat voor een gemengde schare gepredikt wordt, soms meer tot stichting zijn van hoorders, die slechts een enkele maal den dienst bijwonen, dan voor hen, die er voortdurend komen.
3. Naar welke stad Hij heenging. Als Hij naar ene stad wilde gaan, verkoos Hij daartoe Kana in Galilea, "waar Hij het water wijn gemaakt had", vers 46. Dáár ging Hij heen, om te zien, of er ook enige blijvende goede vruchten waren van dat wonder, en zo ja, om dan hun geloof te bevestigen, en hetgeen Hij geplant had te bewateren. De evangelist maakt hier melding van dat wonder om ons te leren, om hetgeen wij van Christus' werken gezien hebben, in gedachtenis te houden.
II. Zijne genezing van den zoon des koninklijken hovelings, die ziek was. Deze geschiedenis wordt door geen der andere evangelisten meegedeeld. Het feit in het algemeen is vervat in Mattheus 4:23. Merk op:
1. Wie de verzoeker, en wie de zieke was. De verzoeker was een edelman, een koninklijk hoveling, de zieke was zijn zoon. "Er was een zeker koninklijk hoveling". Regulus (in het Latijn) een kleine koning, aldus genoemd, hetzij om de uitgestrektheid zijner bezittingen, of de uitgebreidheid zijner macht, of de grootsheid van zijn paleis. Sommigen denken, dat het zijn rang of waardigheid aanduidt-hij was een hoveling en bekleedde een hoog aanzienlijk ambt bij den persoon des konings. Anderen, dat er de partij door wordt aangeduid, waartoe hij behoorde-hij was een Herodiaan, een koningsgezinde, een voorstander van het koninklijk prerogatief, die de belangen voorstond van de Herodessen, vader en zoon, Lukas 8:3, of Manahen, de zoogbroeder van Herodes, Handelingen 13:1. Er waren heiligen ook in het huis des keizers. De vader is een edelman, en toch is de zoon ziek, want titels en ere-ambten zullen gene personen en gene huisgezinnen vrijwaren tegen ziekte en dood. Van Kapernaum, waar deze edelman woonde, tot Kana waar Christus nu was, was de afstand vijftien mijlen, toch heeft de beproeving, waardoor zijn gezin was getroffen, hem dien verren afstand doen gaan om tot Christus te komen.
2. Hoe hij zijn verzoek tot Christus heeft gericht, als tot den Geneesmeester, die zijn ziek kind kon genezen. Gehoord hebbende, dat "Jezus uit Judea in Galilea kwam" en bevindende, dat Hij niet naar Kapernaum kwam, maar zich naar de andere zijde des lands begaf "ging hij tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwam en zijn zoon gezond maakte", vers 47. Zie hier
a. Zijn tedere liefde voor zijn zoon, toen hij ziek was spaarde hij gene moeite om hulp voor hem te verkrijgen.
b. Zijn grote achting voor onzen Heere Jezus, daar hij zelf tot Hem ging, Hem zijne opwachting maakte, terwijl hij een dienaar tot Hem had kunnen zenden, en dat hij Hem bad, terwijl men zou denken dat hij, als een met gezag bekleed man, Hem had kunnen bevelen om tot hem te komen. Ook de grootsten en aanzienlijksten moeten, als zij tot God komen, nederige verzoekers worden. Ten opzichte nu van de zaak, waarvoor hij kwam, kunnen wij in zijn geloof een mengsel opmerken. Er was oprechtheid in, hij geloofde dat Christus zijn zoon kon genezen, hoewel deze gevaarlijk ziek was. Waarschijnlijk hadden de gewone artsen hem opgegeven, maar hij geloofde, dat Christus hem kon genezen, hoe erg de kwaal ook was. Toch was er ook zwakheid in zijn geloof, hij geloofde dat Christus kon genezen, maar hij schijnt gedacht te hebben, dat Hij die genezing niet in de verte kon tot stand brengen, en daarom bad hij Hem, dat Hij zou afkomen om hem te genezen, evenals Naäman, verwachtende, dat Hij zou komen en Zijne hand over den zieke zou strijken, alsof Hij niet anders dan door lichamelijke aanraking genezen kon. Aldus zijn wij geneigd den Heilige Israël's te beperken, en Hem aan onze vormen te binden. De overste over honderd, een heiden, een krijgsman, had zulk een krachtig geloof, dat hij kon zeggen: "Heere, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen," Mattheus 8:8. Deze edelman, een Jood, wil dat Christus zal afkomen, hoewel het ruim ene dagreis was, en wanhoopt aan de genezing zo Hij niet komt, alsof hij Christus moest onderrichten op wat wijze Hij te werk moest gaan. Wij worden aangemoedigd tot bidden, maar het wordt ons niet veroorloofd Hem voor te schrijven op wat wijze. Heere, genees mij, maar hetzij door een woord of door ene aanraking, Uw wil geschiede.
3. De zachte bestraffing, die hij deswege ontving, vers 48:"Jezus zei tot hem: Ik zie hoe het met u gelegen is: "Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven, zoals de Samaritanen geloofd hebben, hoewel zij geen tekenen of wonderen gezien hebben, en daarom moet Ik onder ulieden wonderen werken." Ofschoon hij een edelman was, zich nu in angst en droefheid bevond om zijn zoon, en aan Christus hoge achting had betoond door van zoverre tot Hem te komen, heeft Christus hem toch bestraft. Der mensen aanzien of waardigheid in deze wereld zal hen niet vrijwaren tegen de bestraffingen van het woord of van de voorzienigheid, want Christus bestraft niet naar het gehoor Zijner oren, maar met rechtmatigheid, Jesaja 11:3, 4. Merk op, dat Christus, om hem toe te bereiden voor den zegen, hem eerst zijne zonde en zwakheid toont, en dan zijne bede inwilligt. Hen, die Christus voornemens is te eren met Zijne gunst, verootmoedigt Hij eerst door hun Zijn misnoegen te tonen. De Trooster begint met van zonde te overtuigen. Herodes was begerig een teken te zien, Lukas 23:8, en deze hoveling, evenals de meerderheid van het volk, had dezelfde begeerte. Wat nu gelaakt wordt is:
a. Dat zij, hoewel door geloofwaardige en onbetwistbare berichten van de wonderen, die Hij aan andere plaatsen gewrocht had, gehoord hebbende, toch niet wilden geloven, tenzij zij met hun eigen ogen zagen, Lukas 4:23. Zij moeten hierin hun zin krijgen, of zij geloven niet, laten zich niet overtuigen. Het land moet begunstigd, hun nieuwsgierigheid bevredigd worden door tekenen en wonderen, anders zullen zij niet geloven, al is het ook, dat Christus' leer voldoende bewezen is door wonderen, die Hij elders gewrocht heeft. Evenals Thomas, laten zij zich door generlei bewijs overtuigen dan door het bewijs, dat zij zelven voorschrijven.
b. Dat zij, terwijl zij onderscheidene wonderen hadden gezien, welker waarheid en echtheid zij niet konden betwijfelen of ontkennen, maar die integendeel genoegzaam bewezen, dat Christus een leraar was van God gezonden, tot wie zij zich nu hadden moeten wenden om onderwezen te worden in Zijne leer, die hen door haar innerlijke voortreffelijkheid zachtkens verder geleid zou hebben in het geloof tot geestelijke volkomenheid, niet verder willen gaan, dan waartoe zij door tekenen en wonderen gedreven zouden worden. De geestelijke kracht van het woord deed hen niet aan, trok hen niet aan, maar alleen de voelbare en zichtbare kracht der wonderen, welke tekenen zijn voor de ongelovigen, terwijl de profetie is voor hen, die geloven, 1 Corinthiërs 14:22. Zij, die slechts wonderen bewonderen, maar de profetie verachten, rangschikken zich onder de ongelovigen.
4. Zijn dringend aanhouden in zijne bede, vers 49. "Heere! kom af, eer mijn kind sterft". In dit zijn antwoord hebben wij iets: a. Dat prijzenswaardig is. Hij nam de bestraffing aan met geduld en onderworpenheid, hij sprak tot Christus met eerbied. Hoewel hij een dergenen was, die zachte klederen droegen, kon hij toch bestraffing verdragen. Het behoort niet tot de voorrechten der aanzienlijken in de wereld om verheven te zijn boven de bestraffingen van het woord van Christus, maar het is een teken van een goed humeur en een goede gezindheid, inzonderheid in hen, die tot de groten der wereld behoren, als zij, zonder vertoornd te worden, op hun gebreken gewezen kunnen worden. En, gelijk hij de bestraffing niet opnam als ene belediging, zo heeft hij haar ook niet als ene afwijzing zijner bede beschouwd, daarom bleef hij aanhouden met zijn verzoek, bleef hij worstelen, totdat hij overmocht. Ja meer, hij kan aldus bij zich zelven geredeneerd hebben: "Indien Christus mijne ziel geneest, dan voorzeker zal Hij ook mijn zoon genezen, indien Hij mij geneest van mijn ongeloof, dan zal Hij hem genezen van zijne koorts". Dat is de methode, die door Christus gevolgd wordt, eerst werkt Hij op ons, en dan werkt Hij voor ons, en er is hoop, als wij Hem deze methode zien volgen.
b. Iets dat afkeurenswaardig is, namelijk zijne zwakheid. Hij schijnt geen acht te slaan op Christus' bestraffing, hij zegt er niets van, hetzij om schuld te belijden of om zich te verontschuldigen, want hij is zo vervuld van bezorgdheid over zijn kind, dat hij aan niets anders kon denken. De droefheid der wereld staat ons profiteren van Christus' woord zeer in den weg. Overmatige zorg en smart zijn doornen, die het goede zaad verstikken. Hij bleef de zwakheid nog openbaren van zijn geloof in de macht van Christus. Ten eerste. Hij wil, dat Christus zal afkomen, denkende dat Hij het kind anders geen goed zou kunnen doen. Het is moeilijk om tot de overtuiging te komen, dat afstand van tijd en plaats gene verhindering of belemmering is voor de kennis en de macht van onzen Heere Jezus, toch is dit zo, Hij ziet van verre, want "Zijne ogen doortrekken het ganse land", en Hij werkt van verre, want het woord Zijner kracht "loopt zeer snel". Ten tweede. Hij gelooft, dat Christus een ziek kind kan genezen, maar niet, dat Hij een gestorven kind kan opwekken, en daarom: "Kom af, eer mijn kind sterft", alsof het dan te laat zou zijn, terwijl Christus toch dezelfde macht heeft over den dood, als over ziekte. Hij vergat dat Elia en Elisa kinderen van den dood hebben opgewekt, en is Christus' macht minder dan de hun? Zie hoe gehaast hij is: Kom af, eer mijn kind sterft", alsof er gevaar was, dat Christus den tijd zou laten voorbijgaan. "Wie gelooft, die zal niet haasten", maar geeft zich over aan Christus. "Heere, wat, en wanneer het U behaagt".
5. Het antwoord des vredes, dat Christus hem ten laatste geeft, vers 50. "Ga heen, uw zoon leeft." Christus geeft ons hier een voorbeeld:
a. van Zijne macht, dat Hij niet slechts kon genezen, maar kon genezen met zoveel gemakkelijkheid, zonder de moeite van een bezoek. Hier wordt niets gezegd, niets gedaan, niets bevolen, dat gedaan moet worden, en toch is de genezing gewerkt: "Uw zoon leeft". De genezende stralen van de Zon der gerechtigheid verspreiden weldadige invloeden van het ene einde des hemels tot het andere, en niets is verborgen voor hare hitte. Hoewel Christus thans in den hemel is, en Zijne kerk op aarde, kan Hij zenden van de hoogte. Deze edelman wilde, dat Christus zou afkomen en zijn zoon genezen, Christus zal zijn zoon genezen, en niet afkomen. En aldus wordt de genezing des te schielijker gewrocht, de vergissing van den edelman hersteld, en zijn geloof bevestigd, zodat de zaak op Christus' manier beter geschied is. Als Hij ons ontzegt wat wij vragen, dan geeft Hij wat ons veel meer nuttig en voordelig is. Wij vragen om verlichting van smart, Hij geeft ons geduld. Zijne macht werd uitgeoefend door Zijn woord. Door te zeggen: Uw zoon leeft, toonde Hij, dat Hij leven heeft in zich zelven, en macht heeft om levend te maken die Hij wil. Christus' zeggen: Uwe ziel leeft, maakt haar levend. b. Van Zijn mededogen. Hij zag hoe de edelman in angst was om zijn zoon, en zijn natuurlijke liefde openbaarde zich in dat woord: Eer mijn kind, mijn geliefd kind, sterft, en daarom liet Christus de bestraffing rusten, en gaf hem de verzekering van het herstel zijns kinds, want Hij weet hoe een vader zich ontfermt over zijn kinderen.
6. Het geloof van den edelman in het woord van Christus: Hij geloofde, en ging heen. Hoewel Christus hem niet in dier voege ter wille was, dat Hij met hem afging, is hij toch tevreden met Christus' wijze van handelen, en acht dat hij zijne zaak gewonnen heeft. Hoe snel, hoe gemakkelijk wordt hetgeen er aan ons geloof ontbreekt, door het woord en de macht van Christus vervuld. Nu ziet hij geen teken of wonder, en toch gelooft hij dat het wonder geschied is. Christus zei: Uw zoon leeft, en de man geloofde Hem, geloofde niet slechts in de alwetendheid van Christus, dat Hij wist, dat het kind hersteld was, maar ook in de almacht van Christus, dat de genezing gewerkt was door Zijn woord. Hij had hem stervende verlaten, en toch heeft hij, toen Christus zei: Hij leeft, evenals de vader der gelovigen tegen hoop op hoop geloofd, en niet getwijfeld door ongeloof. Christus zei: Ga heen, en als blijk van de oprechtheid van zijn geloof is hij heengegaan, en heeft noch aan Christus, noch aan zich zelven meer last of moeite veroorzaakt. Hij heeft Christus niet gedrongen om af te komen, hij heeft niet gezegd: "Al is hij ook hersteld, zal uw bezoek mij toch aangenaam en welkom wezen". Neen, hij schijnt nu nergens meer om bekommerd te zijn, maar, evenals Hanna, ging hij zijns weegs, en zijn aangezicht was niet meer droevig. Als iemand, die gans overtuigd was, haastte hij zich niet om nog dien eigen avond tehuis te komen, maar keerde hij langzaam en bedaard terug, als iemand wiens hart volkomen gerustgesteld was.
7. De verdere bevestiging van zijn geloof door hetgeen hij bij zijn terugkeer van zijne dienstknechten hoorde. Zijne dienstknechten gingen hem tegemoet met de blijde tijding van de herstelling des kinds, vers 51. Waarschijnlijk ontmoetten zij hem niet ver van zijn huis, en wetende, hoe hun meester in zorge was, wensten zij hem zo spoedig mogelijk gerust te stellen. David's dienstknechten waren er afkerig van hem te zeggen, dat het kind gestorven was. Christus zei: uw zoon leeft, en nu zeggen de dienstknechten hem hetzelfde. Goede tijdingen zullen hen ontmoeten, die hopen op Gods woord. Hij vroeg hun in welke ure het beter met hem geworden was, vers 52, niet alsof hij twijfelde aan den invloed van Christus' woord op het herstel van het kind, maar omdat hij zijn geloof bevestigd wenste te zien, ten einde hen te kunnen overtuigen, aan wie hij het wonder zou verhalen, want het was een gewichtige omstandigheid. Het is goed om ons van alle versterkende bewijzen te voorzien, die ons geloof in het woord van Christus kunnen bevestigen, opdat het kunne toenemen tot volle verzekerdheid. Toon mij een teken ten goede. Het naarstige vergelijken van Christus' werken met Zijn woord zal ons van groot nut zijn ter versterking van ons geloof. Dat was de wijze van handelen door dezen edelman gevolgd: Hij vraagde van de dienaren de ure, in welke het beter met hem was geworden. En zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure (om een uur namiddag, of, gelijk sommigen denken, dat deze evangelist den tijd rekent: om zeven ure des avonds) verliet hem de koorts, begon hij niet slechts beter te worden, maar was hij plotseling volkomen wel. Zo "bekende dan de vader, dat het in dezelve ure was, in dewelke Jezus tot hem gezegd had: "Uw zoon leeft." Gelijk het Woord Gods, als wij het goed bestuderen, ons zal helpen Zijne voorzienigheid te verstaan, zo zal Gods voorzienigheid ons helpen, als wij er goed acht op geven, om Zijn Woord te verstaan, want iedere dag vervult God de Schrift. Twee dingen hielpen om zijn geloof te bevestigen: Ten eerste. Dat het herstel van het kind plotseling, en niet trapsgewijze heeft plaatsgehad. Zij noemen den juisten tijd en het uur: Gisteren, niet omstreeks, maar te zeven ure verliet hem de koorts, niet, begon de koorts af te nemen, maar verliet zij hem, in een ogenblik. Het woord van Christus heeft niet gewerkt zoals onze medicijnen, die tijd moeten hebben om te werken, en wellicht slechts door verwachting, wat men thans suggestie noemt, genezen, neen, bij Christus is het: dictum factum. Hij sprak, en het was er, niet: Hij sprak, en het begon te werken. Ten tweede. Dat het juist op het ogenblik was, dat Christus tot hem sprak: in dezelfde ure. Het gelijktijdige der gebeurtenissen verhoogt de schoonheid en de harmonie der voorzienigheid. Let op den tijd, en de zaak zelf zal er te heerlijker om blijken, want alles is schoon op zijn tijd, op den eigen tijd, wanneer het beloofd is, zoals de verlossing van Israël, Exodus 12:41, op dezelfden tijd als er voor gebeden wordt, zoals Petrus' bevrijding, Handelingen 12:12. Voor het werk der mensen veroorzaakt afstand van plaats oponthoud en vertraging, maar zo is het niet met het werk van Christus. De vergeving, en vrede, en vertroosting, en geestelijke genezing, die Hij spreekt in den hemel, worden, indien het Hem aldus behaagt, op hetzelfde ogenblik gewerkt en tot stand gebracht in de zielen der gelovigen, en als deze twee in den groten dag met elkaar vergeleken zullen worden, dan zal Christus verheerlijkt worden in Zijne heiligen en wonderbaar worden in allen, die geloven.
8. De gelukkige uitwerking hiervan. Die genezing bracht ook verlossing en zaligheid mede voor dit gezin. De edelman zelf geloofde. Tevoren had hij het woord van Christus geloofd met betrekking tot deze bijzondere zaak, maar nu geloofde hij in Christus als den Messias, en werd een Zijner discipelen. Aldus kan de bijzondere ervaring van de macht en de krachtige uitwerking van een woord van Christus het gelukkige middel zijn om het ganse gezag van Christus' heerschappij in de ziel te brengen en te bevestigen. Christus' heeft velerlei wegen en middelen om het hart te winnen, en door het schenken van een tijdelijken zegen kan een weg gebaand worden voor grotere en betere dingen. Ook zijn gehele huis geloofde.
a. Van wege het belang, dat allen bij het wonder hadden, waardoor de bloem en de hoop van het gezin gespaard bleef. Dat heeft hen allen getroffen, hierdoor werd Christus hun dierbaar, en werden Hem hun beste gedachten gewijd.
b. Vanwege den invloed, dien het hoofd van het gezin op allen uitoefende. Het hoofd van een gezin kan aan hen, die onder zijne zorg en hoede zijn, geen geloof geven, hij kan hen ook niet dwingen te geloven, maar wel kan hij het middel wezen om uitwendige vooroordelen uit den weg te ruimen, die de werking belemmeren van het getuigenis, en dan is het werk al voor meer dan de helft gedaan. Abraham was dies wege vermaard, Genesis 18:19, en ook Jozua, Hoofdstuk 24:15. Dit was een edelman, en waarschijnlijk had hij een groot gezin, maar als hij in Christus' school komt, brengt hij hen allen mede. Welk een gezegende verandering had er plaats in dat huis, veroorzaakt door de ziekte van het kind! Dat behoort ons te verzoenen met beproevingen, wij weten niet wat goed er uit kan voortkomen. De bekering van dezen edelman en zijn gezin te Kapernaum kan er wellicht toe geleid hebben, dat Christus er later heenging en er, als het ware, Zijn hoofdkwartier in Galilea vestigde. Als aanzienlijke mannen het Evangelie aannemen, dan kunnen zij het middel wezen om het tot de plaats hunner inwoning te brengen.
9. De opmerking van den evangelist betreffende deze genezing, vers 54. Dit tweede teken, verwijzende naar Hoofdstuk 2:11, waar het veranderen van water in wijn gezegd wordt het eerste te zijn. Dat eerste teken had plaats spoedig naar Zijn eersten terugkeer uit Judea, het tweede kort na Zijn tweede terugkomst van daar. In Judea had Hij vele wonderen gedaan, Hoofdstuk 3:2, 4:45. Zij hadden de eerste aanbieding, maar van daar verdreven zijnde, heeft Christus in Galilea wonderen gedaan. Hier of daar zal Christus altijd een welkom vinden. De mensen kunnen, als hun dit lust, de zon buiten hun huis sluiten, maar zij kunnen haar niet buiten de wereld sluiten. Dit wordt aangeduid als het tweede wonder:
1. Om ons te herinneren aan het eerste, enige maanden tevoren aan deze zelfde plaats gewrocht. Nieuwe zegeningen moeten de oude in herinnering brengen, zoals de oude zegeningen ons moeten aanmoedigen om op nieuwe te hopen. Christus houdt rekening van Zijne gunstbewijzen, al doen wij het ook niet.
2. Om ons te doen weten, dat deze genezing voorafging aan de vele genezingen in Galilea gewrocht, waarvan de andere evangelisten ons bericht geven, Mattheus 4:23, Markus 1:34, Lukas 4:40. Daar de zieke tot den hogeren stand behoorde, is er van deze genezing waarschijnlijk meer gesproken, zodat hierdoor ganse scharen van kranken tot Hem gezonden werden, toen deze edelman zelf zich tot Christus wendde, werd hij door velen hierin nagevolgd. Hoe zeer veel goed kunnen voorname mannen doen, als zij vrome mannen zijn!