Job 9:1-13
Bildad begon met een bestraffing aan Job voor zijn vele spreken, Hoofdst. 8:2. Job antwoordt daar niet op, hoewel hij dit verwijt van veel spreken gemakkelijk op hem had kunnen terugwerpen, maar in hetgeen hij vervolgens als zijn beginsel uitspreekt, dat God nooit het recht verkeert, stemt Job met hem in. Waarlijk ik weet dat, vers 2. Wij moeten bereid zijn te erkennen in hoever wij het eens zijn met hen, met wie wij in geschil zijn, en wij moeten geen waarheid gering achten, en nog veel minder tegenstaan, al wordt zij ook door een tegenstander te berde gebracht, maar haar ontvangen in het licht en de liefde ervan, al werd zij ook verkeerd toegepast. Waarlijk het is zo, dat goddeloosheid de mensen ten verderve brengt en dat de Godvruchtigen onder Gods bijzondere bescherming staan. Dat zijn waarheden die ik onderschrijf, maar hoe kan een mens zich handhaven tegenover God? "Niemand die leeft zal voor Zijn aangezicht rechtvaardig zijn" Psalm 143:2. Hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God? Sommigen vatten dit op als een hartstochtelijke klacht tegen Gods nauwlettendheid en strengheid, dat Hij een God is, met wie niet te handelen is. En het kan niet ontkend worden, dat er in dit hoofdstuk sommige gemelijke uitdrukkingen zijn, die wel enigszins aan zo'n taal doen denken. Maar ik beschouw het veeleer als een Godvruchtige belijdenis van de zondigheid van de mensen, en van zijn eigene in het bijzonder, dat, zo God met ons handelde naardat onze ongerechtigheden het verdienen, wij gewis verloren zouden zijn.
I. Hij stelt het vast als een waarheid, dat de mens een ongelijke partij is voor zijn Maker, hetzij in twistgeding of in strijd.
1. In twistgeding, vers 3. Zo Hij lust heeft om met hem te twisten, hetzij voor het gericht of in een redetwist, niet een uit duizend zal hij Hem antwoorden.
a. God kan duizend vragen doen, waarop zij, die met Hem twisten en Zijn handelingen afkeuren, geen antwoord kunnen geven. Toen God tot Job sprak uit het onweder heeft Hij hem zeer vele vragen gedaan, Weet gij dit? Kunt gij dat? Op geen waarvan Job kon antwoorden, Hoofdst. 38, 39. God kan gemakkelijk de dwaasheid aantonen van hen, die het meest op wijsheid bogen.
b. God kan ons duizend overtredingen ten laste leggen, kan duizend artikelen van beschuldiging tegen ons inbrengen, en wij kunnen Hem niet zo antwoorden, dat wij de beschuldiging afwijzen als ongegrond, maar door ons stilzwijgen moeten wij de bekentenis afleggen dat zij waar zijn. Geen enkele ervan kunnen wij ontkennen, er ons onschuldig aan noemen, neen, wij zijn niet instaat Hem te antwoorden, maar moeten, zoals Job deed, Hoofdst. 39:37, onze hand op onze mond leggen, en roepen: schuldig, schuldig!
2. In de strijd, vers 4. Wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad? Het antwoord is zeer gemakkelijk. Gij kunt van het begin van de wereld tot op deze dag geen enkel voorbeeld bijbrengen van een vermetele zondaar, die zich tegen God verhard heeft, hardnekkig volhard heeft in zijn rebellie tegen Hem, en niet heeft bevonden dat God hem te sterk was en hem zijn dwaasheid duur heeft laten betalen. Zij hebben geen voorspoed of vrede gehad, geen vertroosting, geen geluk. Wat heeft de mens er ooit mee gewonnen om bij God met proeven van schranderheid en bekwaamheid aan te komen, of met aanspraken op recht? Al de tegenstand, die aan God geboden wordt, is slechts als het stellen van distelen en doornen voor een verterend vuur, zo dwaas, zo vruchteloos, zo verderf aanbrengend is deze poging, Jesaja 27:4, 1 Corinthiers 10:22. Afgevallen engelen hebben zich tegen God verhard, maar hebben geen vrede gehad, 2 Petrus 2:4. De draak voerde krijg, maar werd uitgeworpen, Openbaring 12:9. Goddeloze mensen verharden zich tegen God, betwisten Zijn wijsheid, zijn ongehoorzaam aan Zijn wetten, hebben geen berouw over hun zonden, zijn onverbeterlijk onder hun beproevingen, zij verwerpen de aanbiedingen van Zijn genade, weerstaan het twisten van Zijn Geest geven niets om Zijn bedreigingen, en staan Zijn belangen tegen in de wereld, maar zijn zij voorspoedig geweest? Kunnen zij voorspoedig zijn? Neen, zij vergaderen zich slechts toorn in de dag des toorns, hij, die deze steen wentelt, zal bevinden dat hij op hem wederkeert.
II. Hij bewijst dit door te tonen welk een God Hij is, met wie wij te doen hebben. Hij is wijs van hart, en daarom kunnen wij Hem niet antwoorden voor het gericht. Hij is sterk van kracht, en daarom kunnen wij het niet met Hem uitvechten. Het is de grootste waanzin om te denken, dat wij met God kunnen strijden, tegen een God van oneindige wijsheid en macht, die alles weet en alles kan, die noch in verstand overtroffen, noch door kracht overweldigd kan worden. De duivel vleide zich dat Job in de dag van zijn beproeving God zou vloeken, kwaad van Hem zou spreken, maar inplaats hiervan zet hij er zich toe om God te eren en zeer gunstig van Hem te spreken. Hoeveel smarten hij ook lijdt, hoezeer hij ook vervuld is van zijn ellende als hij gelegenheid heeft om van de wijsheid en macht van God te spreken, dan vergeet hij zijn kwalen en zijn klachten, en verwijlt met verlustiging en een vloed van welsprekendheid bij dat edel en zeer nuttig onderwerp.
Bewijzen van de wijsheid en macht van God ontleent hij:
1. Aan het rijk van de natuur, in hetwelk de God van de natuur handelt met onbedwingbare macht en doet wat Hem behaagt, want al de ordeningen en al de krachten van de natuur komen van Hem en zijn van Hem afhankelijk.
A. Als het Hem behaagt verandert Hij de loop van de natuur, en doet haar stromen achterwaarts keren, vers 5-7. Naar de gewone wet van de natuur staan de bergen vast, en worden daarom de eeuwige heuvelen genoemd, de aarde is bevestigd en zal niet wankelen, Psalm 93:1, en haar pilaren zijn onbeweeglijk vastgesteld, de zon gaat op op haar tijd, en de sterren storten haar invloed uit over deze lagere wereld, maar als het God behaagt, kan Hij de natuur niet slechts buiten haar gewone spoor leiden, maar haar orde omkeren en er de wet van veranderen.
a. Niets is vaster dan de bergen, als wij spreken van bergen verzetten, dan bedoelen wij iets onmogelijks aan te duiden, maar Gods macht kan hen van plaats doen veranderen, Hij verzet ze en zij worden het niet gewaar, verzet ze of zij het willen of niet, Hij kan hun toppen verlagen, hen met de lage grond gelijk maken. Hij keert ze om in Zijn toorn, Hij kan even gemakkelijk bergen verstrooien als de landman molshopen verstrooit, al zijn zij ook nog zo hoog, nog zo groot en rotsachtig. De mensen hebben veel moeite om over een berg heen te komen, maar God kan ze doen verdwijnen. Hij heeft de Sinai doen daveren. Psalm 68:9. "De heuvelen sprongen op," Psalm 144:4. "De aloude bergen zijn verstrooid geworden," Habakuk 3:6.
b. Niets is meer bevestigd dan de aarde op haar as, maar God kan, als het Hem behaagt, haar uit haar plaats schudden, haar opheffen van haar middelpunt, en zelfs haar pilaren doen beven. Wat haar tot steun scheen te zijn, zal zelf steun behoeven, als God het schudt. Zie hoeveel wij verschuldigd zijn aan Gods lankmoedigheid. God heeft macht genoeg om de aarde onder het schuldige ras van de mensheid te doen beven die zucht onder de last van de zonde, en aldus de bozen uit haar uit te schudden, Hoofdst. 38:13. Maar Hij houdt de aarde in stand, en op haar de mens, en doet haar niet nu nog, zoals eenmaal, de rebellen verzwelgen.
c. Niets is meer standvastig dan de opgaande zon, nooit mist zij haar bestemde tijd, maar God kan als het Hem behaagt die tijd opschorten. Hij, die haar het eerst bevolen heeft op te gaan, kan haar tegenbevel geven. Eens werd aan de zon geboden stil te staan, en op een ander maal om terug te gaan, om te tonen dat zij nog altijd onder het toezicht en bedwang is van haar grote Schepper. Zo groot is Zijn goedheid, door welke Hij Zijn zon doet schijnen over de bozen en ondankbaren, hoewel Hij haar ervan zou kunnen terughouden! Hij, die de sterren gemaakt heeft, kan als het Hem behaagt ze verzegelen en ze verbergen voor onze ogen. Door aardbevingen en onderaards vuur zijn soms bergen verzet en is de aarde bewogen. In zeer donkere en bewolkte dagen en nachten is het ons alsof het aan de zon verboden was op te gaan, en de sterren verzegeld waren, Handelingen 27:20. Het volstaat te zeggen dat Job hier spreekt van hetgeen God doen kan, maar als wij het moeten verstaan van hetgeen Hij werkelijk gedaan heeft, dan kunnen al deze verzen misschien toegepast worden op de zondvloed, toen de bergen van de aarde bewogen waren en de zon en de sterren waren verduisterd. De wereld, die nu is, wordt, geloven wij, bewaard voor het vuur, dat de bergen zal verteren en de aarde zal versmelten, en de zon in duisternis zal verkeren.
B. Zolang het Hem behaagt, bewaart Hij de vastgestelde loop en de orde van de natuur, en dit is een voortgezette schepping. Hijzelf heeft door Zijn eigen macht en zonder iemands hulp:
a. De hemelen uitgebreid, vers 8. Hij heeft ze niet slechts uitgebreid in den beginne, maar Hij breidt ze nog uit, dat is: Hij houdt ze uitgebreid, want anders zouden zij vanzelf saamgerold worden als een rol perkament.
b. Hij treedt op de hoogten van de zee of naar de Engelse overzetting: op de baten van de zee, dat is: Hij houdt ze tenonder, weerhoudt ze van de aarde te overstromen, Psalm 104:9, hetgeen als een reden wordt gegeven, waarom wij allen God moeten vrezen en ontzag voor Hem moeten hebben, Jeremia 5:22. Hij is machtiger dan de geweldige baren van de zee, Psalm 93:4, 65:8.
c. Hij maakt de sterrenbeelden, drie er van worden genoemd voor al de overige, vers 9, de Wagen, de Orion en het Zevengesternte, en in het algemeen: de binnenkameren van het Zuiden. De sterren, waaruit deze zijn samengesteld, maakte Hij in den beginne en stelde ze in die orde, en Hij maakt ze nog, houdt ze in wezen, bestuurt haar bewegingen, maakt ze tot wat zij zijn voor de mens, en neigt het hart van de mensen om ze waar te nemen, waartoe de dieren het vermogen niet hebben. Niet alleen de sterren, die wij zien en waaraan wij namen geven, maar ook die in het andere halfrond, die om de Zuidpool heen zijn, en hier de binnenkameren van het Zuiden worden genoemd, zijn onder het bestuur en de heerschappij van God. Hoe wijs is Hij dus, en hoe machtig!
2. Hier worden getuigenissen ontleend aan het rijk van de voorzienigheid Gods, die bijzondere voorzienigheid, welke zich met de zaken van de mensen bezighoudt. Aanschouw wat God doet in de regering van de wereld en gij zult zeggen: Hij is wijs van hart en sterk van kracht.
A. Hij doet vele en grote dingen, die te bewonderen zijn, vers 10. Job zegt hier hetzelfde wat Elifaz had gezegd, Hoofdst. 5:9, en in dezelfde bewoordingen, niet weigerende hem na te spreken, hoewel hij nu zijn tegenpartijder is. God is een groot God, en doet grote dingen, Hij is een God die wonderen werkt, en die wonderwerken zijn zo talrijk, dat wij ze niet kunnen tellen, en zo verborgen, zo geheimenisvol, dat wij ze niet doorzoeken kunnen. O diepte Zijns raads!
B. Hij handelt onzichtbaar en onbemerkt, vers 11. "Hij gaat voor mij heen in Zijn werkingen, en ik zie Hem niet, ik bemerk Hem niet, Zijn weg is in de zee," Psalm 77:20. De werkingen van ondergeschikte oorzaken zijn gewoonlijk waarneembaar voor de zinnen, maar God doet alles rondom ons, en toch "zien wij Hem niet," Handelingen 17:23. Ons eindig verstand kan Zijn raadslagen niet doorgronden, Zijn bewegingen niet vatten, Zijn maatregelen niet begrijpen. Wij zijn onbevoegd om Gods handelingen te beoordelen, omdat wij niet weten wat Hij doet of wat Hij voornemens is. "De arcana imperii-de geheimen van de regering-" zijn dingen, die boven onze bevatting zijn, en daarom moeten wij ons niet inbeelden ze te kunnen verklaren of uitleggen.
C. Hij handelt met onbetwistbare vrijmacht, vers 12. Hij ontneemt ons de dingen, die aangenaam zijn voor het menselijk leven, alles waarop wij steunden, wanneer en naar het Hem behaagt, ontneemt ons gezondheid en bezittingen, bloedverwanten en vrienden, ja zelfs het leven, wat het ook zij, dat heengaat, Hij is het, die het wegneemt, door welke hand het ook weggenomen wordt, Zijn hand moet er in worden erkend. De Heere neemt, wie zal Hem hinderen? vers 2, of, wie zal Hem doen wedergeven. Wie zal er Hem van afbrengen, wie zal Zijn raadsbesluit veranderen? Wie kan Hem weerstaan, of Zijn werkingen tegengaan? Wie kan er Hem in bedwingen, of er Hem ter verantwoording voor roepen? Welke aanklacht kan tegen Hem worden ingebracht? Of: Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet gij? Of: Waarom doet Gij alzo? Daniël 4:35. God is niet verplicht ons een reden te geven van hetgeen Hij doet. Wij kennen de bedoeling niet van Zijn handelingen, het zal tijd genoeg wezen om haar hiernamaals te kennen, wanneer het zal blijken, dat hetgeen nu door een koninklijk kroonrecht schijnt te geschieden, in oneindige wijsheid en ons ten goede geschiedt.
D. Hij handelt met onweerstaanbare macht, die geen schepsel kan weerstaan, vers 13. Indien God Zijn toorn niet zal afkeren, ( hetgeen Hij doen kan zo het Hem behaagt, want Hij is Heer van Zijn toorn, doet hem uitgaan, of weerhoudt hem naar Zijn wil) dan worden de hovaardige helpers onder Hem gebogen, dat is: Hij zal hen, die elkaar tegen Hem helpen, gewis verbreken en verpletteren. Hoogmoedige mensen verzetten zich tegen God en Zijn handelingen, en in die tegenstand gaan zij hand in hand. De koningen van de aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen tezamen, om Zijn juk af te werpen, Zijn waarheid in minachting te brengen en Zijn volk te vervolgen: "Gij, Israëlietische mannen, komt te hulp." Handelingen 21:28, Psalm 83:9. Als een van de vijanden van Gods koninkrijk onder Zijn oordeel valt, dan komen de anderen hem trotselijk te hulp, en denken hem uit Zijn hand te kunnen verlossen, maar tevergeefs, tenzij het Hem behaagt Zijn toorn te weerhouden, (hetgeen Hij dikwijls doet, want het is de dag van Zijn lankmoedigheid) buigen zich de hovaardige helpers onder Hem, en vallen met degenen die zij bedoelden te helpen. Wie kent de sterkte van Gods toorn? Zij, die denken kracht genoeg te hebben om anderen te helpen, zullen niet bij machte zijn er zichzelf tegen te helpen.