Job 8:20-22
Aan het einde van zijn rede vat Bildad in weinige woorden samen wat hij te zeggen heeft, aan Job leven en dood voorstellende, de zegen en de vloek, hem verzekerende dat, naar hij was, het hem gaan zou, en dat zij daarom tot de gevolgtrekking konden komen dat het hem ging, naar hij was.
1. Van de ene kant: indien hij een oprecht man is, zal God hem niet verwerpen, vers 20. Hoewel God hem nu verlaten scheen te hebben, zal Hij toch tot hem wederkeren, en langzamerhand "zijn weeklage veranderen in een rei," Psalm 30:12, het goede en de vertroostingen zullen hem zo overvloedig toebedeeld worden, dat zijn mond met gelach vervuld zal worden vers 21. Zo diep zal hij door de gelukkige verandering getroffen worden, Psalm 126:2. Zij, die hem liefhebben, zullen zich met hem verblijden maar die hem haten en gejuicht hebben in zijn val, zullen beschaamd wezen, als zij hem tot zijn vorige voorspoed teruggebracht zien. God zal de oprechte niet verwerpen, hij kan voor een wijle ternedergeworpen zijn, maar hij zal niet voor altijd verworpen wezen. Het is waar, dat de mond van de rechtvaardige vervuld zal worden met lachen, zo niet in deze wereld dan toch in een andere. Al is hun zon voor een wijle achter een wolk, zij zal hun wederom helder opgaan om nooit meer bewolkt te worden, hoewel zij treurend naar het graf gaan, zal dat hun ingaan tot de blijdschap des Heeren niet verhinderen. Het is waar, dat de vijanden van de heiligen met schaamte overdekt zullen worden, als zij hen met eer zien gekroond. Maar daaruit volgt toch niet dat Job, zo hij niet volkomen tot zijn vorige voorspoed werd teruggebracht, de hoedanigheid van een oprecht man zou verbeurd hebben.
2. Van de andere kant: zo hij een goddeloos man en een boosdoener is, zal God hem niet helpen, maar hem in zijn tegenwoordige ellende laten vergaan, vers 20, en zijn tent, zijn woonstede zal niet meer zijn, vers 22. En ook dit is waar: God zal de boosdoeners niet bij de hand vatten, dat is: Hij zal hen niet helpen. Zij stellen zich buiten Zijn bescherming en verbeuren Zijn gunst, Hij zal geen gemeenschap met hen hebben, want wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? Hij zal hun Zijn hand niet lenen om hen uit de ellende, de eeuwige ellende, waarin zij zich gestort hebben, te verlossen. Zij zullen dan hun handen tot Hem uitstrekken om hulp, maar het is te laat, Hij zal hen niet bij de hand vatten, tussen ons en ulieden is een grote kloof gevestigd. Het is waar, dat de tent de woonstede van de goddelozen, vroeg of laat niet meer zijn zal. Alleen zij, die God tot hun toevlucht gesteld hebben, zijn voor eeuwig veilig, Psalm 90:1, 91:1. Zij, die andere dingen tot hun toevlucht stellen, zullen teleurgesteld worden De zonde brengt verderf over personen en geslachten. Maar om nu te redeneren, (zoals Bildad, naar ik vermoed, op listige wijze redeneert) dat Job, omdat zijn gezin teniet was gegaan, en hij zelf voor het ogenblik hulpeloos scheen te zijn, daarom ongetwijfeld een goddeloos man moet wezen, dat was noch rechtvaardig noch barmhartig, zolang er geen ander bewijs was van zijn slechtheid en goddeloosheid. Laat ons niet oordelen voor de tijd, maar wachten totdat de verborgenheden van alle harten openbaar zullen worden, en de tegenwoordige raadselen van de voorzienigheid Gods opgelost zullen zijn tot algemene en altoosdurende voldoening, en de verborgenheid Gods vervuld zal zijn.