12. Hoe dwaas en nietig is het ook, zich te vermoeien om rijk te worden, daar de rijkdom zo vergankelijk is! Er is een kwaad, dat den mens veel ziekte aanbrengt, hetwelk ik zag onder de zon; rijkdom op het zorgvuldigstvan zijne bezitters bewaard tot hun eigen tijdelijk en eeuwig kwaad; want wanneer zij dien, wat zo gemakkelijk en spoedig geschieden kan, verliezen, zullen zij veel ongelukkiger worden, dan wanneer zij hem nooit bezeten hadden. 13. Of de rijkdom zelf vergaat door ene moeilijke bezigheid, 1) het gebeurt lichtelijk, dat hij door enige ramp, waarvan hij zelf of een ander de oorzaak is, of die hem onmiddellijk uit Gods hand wordt toegezonden verarmt; en hij gewint enen zoon, wien hij grote schatten meende na te laten, en er is niet met al in zijne hand.
1) In het Hebreeën Weabad haoscher hahoe be'injan ra'. Beter: De rijkdom namelijk, zij zelf verloren gaande door een slechte omstandigheid, d.i. door de ene of andere ramp. Vers 13 is nadere verklaring van Vers 12. Menigeen heeft zich zelven arm gemaakt door al te veel te willen binnen en alles op het spel te zetten. Een kwade omstandigheid, oorlog bij voorbeeld, was in staat, om hem van een rijke een arme te maken, en in plaats dat zijn zoon veel bij zijn sterven zou ontvangen, ontvangt deze niets.