Job 37:21-24
Elihu besluit zijn rede met enige korte, doch grootse gezegden betreffende de heerlijkheid van God. Hijzelf was onder de diepe indruk ervan, en hij wenste ook anderen onder de indruk ervan te brengen, hen met heilig ontzag er voor te vervullen. Hij spreekt beknopt en in haast, omdat hij, naar het scheen bemerkte, dat God nu zelf het werk in handen zal nemen.
1. Hij merkt op dat God, die gezegd heeft dat Hij "in de donkerheid zou wonen," 2 Kronieken 6:1, en "die tot Zijn verberging Zijn tent zou zetten," Psalm 18:12, in die ontzaglijke wegen tot hen nadert, alsof Hij Zijn troon des gerichts in gereedheid bracht, omringd van wolken en donkerheid, Psalm 97:2-9. Hij zag de wolk met de wervelwind in haar schoot, komende uit het zuiden, maar nu hing zij zo zwaar en zwart boven hun hoofd, dat niemand hunner het heldere licht kon zien, dat even tevoren in de wolken was. Het licht van de zon was nu verduisterd, dit herinnerde hem aan de duisternis vanwege welke hij niet kon spreken, vers 19 en die hem bevreesd maakte om voort te gaan vers 20. Aldus "werden de discipelen bevreesd als die in de wolk ingingen," Lukas 9:34. Maar hij ziet naar het noorden, en bespeurt dat het daar helder is, hetgeen hem hoop geeft dat de wolken zich niet samenpakken voor een zondvloed, zij zijn er door bedekt, maar niet omringd. Hij verwacht dat de wind zal voorbijgaan-aldus kan het gelezen worden-en ze zal wegvagen, een wind zoals die, welke over de aarde doorging om haar te zuiveren van de zondvloed, Genesis 8:1, als een teken van het wederkeren van Gods gunst, dan zal het schone weer uit het noorden komen, vers 22, en alles zal wèl wezen. God zal hen niet altijd donker en dreigend aanzien, zal niet tot in eeuwigheid twisten.
2. Nu God gaat spreken, haast hij zich om te eindigen, en daarom zegt hij veel in weinig woorden, als de hoofdsom van al zijn redenen hetgeen recht overwogen zijnde, niet slechts klemmend zou maken wat hij gezegd had, maar de weg zou bereiden voor hetgeen God ging zeggen.
A. Dat bij God een vreeslijke majesteit is. Hij is een God van heerlijkheid en van zó alles overtreffende volmaaktheid, dat al Zijn dienaren er met eerbied en ontzag, en al Zijn tegenstanders met schrik en ontsteltenis door worden vervuld. Bij God is vreeslijke lof, zo lezen het sommigen, want Hij is "vreeslijk in lofzangen," Exodus 15:11.
B. Dat wij, als wij van de Almachtige spreken, moeten erkennen dat wij Hem niet kunnen uitvinden, ons eindig verstand kan Zijn oneindige volmaaktheden niet begrijpen. Kunnen wij de zee in een eierschaal doen? Wij kunnen de voetstappen van Zijn voorzienigheid niet nasporen. Zijn weg is in de zee.
C. Dat Hij groot is van kracht. Het is de grootheid van Zijn kracht, dat Hij kan doen al wat Hem behaagt, in de hemel en op aarde. De algemene uitgestrektheid en onwederstaanbare kracht van Zijn macht zijn er de grootheid de uitnemendheid van, geen schepsel heeft een arm gelijk Hij, zó sterk en zo lang.
D. Dat Hij niet minder groot is in wijsheid en gerechtigheid, in gerechtigheid en gericht, want anders zou er weinig grootheid, dat is hier in deze zin: uitnemendheid zijn in Zijn kracht. Wij kunnen er zeker van zijn dat Hij, die alles doen kan, alles ten beste doen zal, want Hij is oneindig wijs, en zal nergens onrecht in doen want Hij is oneindig rechtvaardig. Als Hij gericht oefent aan de zondaren, is daar overvloedige gerechtigheid in, en Hij legt hun niet meer straf op dan zij verdienen. E. Dat Hij niet zal verdekken, dat is: niet gaarne, niet van harte zal bedroeven of kwellen-Hij schept er geen behagen in de kinderen van de mensen-en nog veel minder Zijn eigen kinderen-smart aan te doen. Nooit bedroeft Hij, of er moeten redenen voor zijn, en het is dus nodig, en Hij overlaadt ons niet met beproevingen, maar gedenkt dat wij stof zijn, daar Hij weet wat maaksel wij zijn. Sommigen lezen de zin aldus: "De Almachtige, die wij niet kunnen uitvinden, is groot in kracht, maar Hij zal in het gericht niet verdrukken, en bij Hem is overvloed van gerechtigheid, en ook is Hij ten uiterste nauwkeurig om op te letten wat wij voor verkeerds doen."
F. Hij hecht geen waarde aan de afkeuringen van hen, die wijs zijn in hun eigen ogen: Hij ziet geen wijzen van hart aan, vers 24. Hij zal Zijn raadsbesluiten niet veranderen om hen te believen, en zij, die Hem willen voorschrijven wat Hij doen of niet moet doen, zullen Hem niet kunnen bewegen om zich naar hun wil te voegen. Hij geeft acht op het gebed van de ootmoedige, maar niet op het slimme overleg van de listigen. Neen, "het dwaze Gods is wijzer dan de mensen," 1 Corinthiers 1:25.
Eindelijk. Uit dit alles is gemakkelijk af te leiden dat, daar God groot is, Hij ook grotelijks is te vrezen, ja, omdat Hij genadig is en niet zal verdrukken of bedroeven, vrezen de mensen Hem, want bij Hem is vergeving opdat Hij gevreesd wordt, Psalm 130:4. Het is de plicht en het belang van alle mensen om God te vrezen. De mensen zullen Hem vrezen, aldus lezen sommigen. Vroeg of laat zullen zij Hem vrezen. Zij, die de Heere en Zijn goedheid niet willen vrezen, zullen tot in eeuwigheid sidderen, als de fiolen Zijns toorns over hen worden uitgestort.