Job 35:14-16
I. Hier is nog een onbetamelijk woord voor hetwelk Elihu Job bestraft, vers 14, Gij hebt gezegd, gij zult Hem niet aanschouwen, dat is:
a. "Gij klaagt dat gij de betekenis niet weet van Zijn strenge handelingen met u, er de strekking niet van begrijpt," Hoofdst. 23:8, 9. En,
b. "Gij wanhoopt er aan Hem in genade tot u terug te zien keren, betere dagen te zullen beleven, en gij zijt bereid om alles maar als verloren op te geven", zoals Hizkia, Jesaja 38:11. Ik zal de Heere niet meer zien. Gelijk wij in voorspoed maar al te gereed zijn om te denken dat onze berg nooit vernederd zal worden, zo zijn wij in tegenspoed terstond gereed om te denken dat ons dal nooit zal gevuld worden maar voor beide tot de slotsom te komen dat de dag van morgen zal zijn als deze, hetgeen even ongerijmd is als te denken dat het weer als het fraai is, of vuil is, altijd zo wezen zal, dat de opkomende vloed altijd vloed of de ebbe altijd ebbe zijn zal.
II. Elihu's antwoord op dit woord van wanhoop, hetwelk is:
A. Dat hij, als hij tot God opziet, geen reden heeft om zo wanhopige taal te voeren. Er is gericht voor Zijn aangezicht, dat is: "Hij weet wat Hij te doen heeft, en zal alles doen in oneindige wijsheid en gerechtigheid. Hij heeft het gehele plan van Zijn voorzienigheid voor zich, en weet wat Hij zal doen, en wij weten dit niet en daarom verstaan wij niet wat Hij doet. Er is een dag des gerichts voor Hem, wanneer al de schijnbare wanorde van de voorzienigheid in orde gebracht zal worden, en de duistere hoofdstukken er van zullen worden verklaard. Dan zult gij de volle betekenis zien van deze duistere gebeurtenissen en het eindpunt van deze treurige voorvallen, dan zult gij Zijn aangezicht zien met blijdschap, en daarom: wacht op Hem, vertrouw Hem, en geloof dat de einduitkomst goed zal wezen." Als wij bedenken dat God oneindig wijs, rechtvaardig en getrouw is, en dat Hij een God des gerichts is, Jesaja 30:18, dan zullen wij geen reden zien om aan hulp van Hem te wanhopen, maar wèl alle reden om op Hem te hopen, en te geloven dat de hulp ter bestemder tijd, op de beste tijd komen zal.
B. Dat, zo hij nog geen einde heeft gezien aan zijn rampen en beproevingen, de reden er van was, dat hij niet op God vertrouwde en niet op Hem wachtte, vers 15, omdat het zo niet is, omdat gij niet aldus op Hem vertrouwt is de beproeving, die eerst uit liefde kwam, nu met misnoegen vermengd. Thans heeft God u bezocht in Zijn toorn, het zeer euvel opnemende dat gij niet op Hem hebt kunnen vertrouwen, maar zulke harde gedachten van Hem koestert. Indien er een mengsel van Gods toorn is in onze beproevingen, dan hebben wij dit onszelf te wijten, want het is omdat wij er ons niet behoorlijk onder gedragen wij twisten met God zijn gemelijk en ongeduldig en wantrouwen de voorzienigheid Gods. Zo was het met Job. "De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren, en dan zal zijn hart zich tegen de Heere vergrammen," Spreuken 19:3. Elihu denkt dat Job, schier tot het uiterste van ellende gekomen zijnde, dit niet wist of niet bedacht, zoals hij het had moeten bedenken, dat het zijn eigen schuld was dat hij nog geen verlossing had verkregen.
Hij besluit daarom, dat Job in ijdelheid zijn mond heeft geopend, vers 16, als hij klaagt over zijn grieven en om herstel er van roept, of als hij zich rechtvaardigt en zijn onschuld in het licht stelt, het is alles ijdelheid, omdat hij niet op God vertrouwt en Hem verbeidt, het oog niet op Hem heeft in zijn beproevingen. Hij had zeer veel gezegd, woorden vermenigvuldigd, maar alle zonder wetenschap, geen van alle ter zake, omdat hij zich niet in God had bemoedigd, en zich niet voor Hem had verootmoedigd. Het is tevergeefs om een beroep te doen op God en onszelf vrij te pleiten, als wij er ons niet op toeleggen om te beantwoorden aan het doel, waarmee de beproeving is gezonden, het is ijdel om verlichting en hulp te bidden, zo wij niet op God vertrouwen, laat hem, die God wantrouwt, niet denken dat hij iets ontvangen zal van de Heere, Jakobus 1:7. Of het kan ook verwijzen naar alles wat Job gezegd heeft. De ongerijmdheid aangetoond hebbende van sommige plaatsen in zijn rede, besluit hij dat er nog veel andere plaatsen waren, die evenzo de vrucht waren van zijn onwetendheid en dwaling. Hij heeft hem niet, zoals zijn andere vrienden, veroordeeld als een huichelaar, hem beschuldigt hij slechts van de zonde van Mozes, namelijk van onbedachtelijk met zijn lippen gesproken te hebben toen zijn geest verbitterd was. Als wij dit ter eniger tijd doen-en wie is er, die niet struikelt in woorden? -dan is het een zegen voor ons als het ons gezegd wordt, en dan moeten wij dit, evenals Job, vriendelijk opnemen, en het verkeerde dat wij gezegd hebben, niet herhalen, maar herroepen.