Job 29:18-25
Hetgeen Jobs voorspoed kroonde was het aangename vooruitzicht, dat hij had op de voortduur ervan, hoewel hij in het algemeen wel wist dat hij onderhevig was aan moeilijkheid en verdriet, en daarom niet gerust was Hoofdst. 3:26, Ik was niet gerust en was niet stil en rustte niet, had hij toch geen bepaalde aanleiding tot vrees, maar evenveel reden als ooit iemand gehad heeft om op de bestendiging van zijn rust en kalmte te rekenen.
I. Zie hier wat zijn denkbeelden waren in zijn voorspoed, vers 18. Ik zei: Ik zal in mijn nest de geest geven. Zich een warm en gerieflijk nest gemaakt hebbende, hoopte hij dat hij er door niets in gestoord zou worden, dat hij er door niets uit zou verdreven worden, totdat de dood er hem uit wegnam. Hij wist dat hij nooit een kool van het altaar had gestolen, die zijn nest in brand kon steken, hij zag geen storm opkomen om zijn nest neer te werpen, en daarom kwam hij tot de gevolgtrekking: de dag van morgen zal zijn als deze, zoals David: "ik zal niet wankelen in eeuwigheid," Psalm 30:7.
Merk op:
1. Temidden van zijn voorspoed dacht hij aan sterven, en die gedachte maakte hem niet ongerust. Hij wist dat, hoe hoog zijn nest ook was, hij toch niet buiten het bereik was van de schichten des doods.
2. Toch vleide hij zich met ijdele hoop:
a. Dat hij lang zou leven, de dagen zou vermenigvuldigen als het zand. Hij bedoelt als het zand aan de oever van de zee, terwijl wij veeleer onze dagen moeten rekenen naar het zand in het uurglas, dat in weinig tijds uitgelopen zal zijn. Zie, hoe zelfs Godvruchtige mensen de neiging hebben om aan de dood te denken als aan iets in de verte, en die boze dag te verschuiven, die toch in werkelijkheid een goede dag voor hen zijn zal.
b. Dat hij sterven zal in dezelfde voorspoedige toestand als waarin hij had geleefd. Indien zodanig een verwachting voortkomt uit een levend geloof in de voorzienigheid en de beloften Gods, dan is het goed, maar indien zij voortkomt uit een verwaand denkbeeld van onze eigen wijsheid en de bestendigheid van aardse dingen, dan berust zij op geen gronden en wordt in zonde verkeerd. Wij hopen dat Jobs vertrouwen was zoals dat van David, Psalm 27:1, "voor wie zou ik vrezen?" niet zoals dat van de rijke dwaas, Lukas 12:19. Ziel, neem rust.
II. Zie wat de grond was van deze denkbeelden.
1. Als hij op zijn huis zag, dan vond hij dat hij een goede grondslag had. Zijn veestapel behoorde hem geheel toe, geen van zijn naburen had iets van hem te vorderen. Hij gevoelde geen lichaamskwalen opkomen, zijn bezitting was door generlei lasten bezwaard, hij bespeurde geen worm, die aan de wortel ervan knaagde. Hij ging vooruit in zijn zaken, zijn roem taande niet, maar nam veeleer toe, hij kende geen mededinger, die dreigde hem in de schaduw te stellen ten opzichte van zijn eer of hem te verkorten in zijn macht. Zie hoe hij dit beschrijft, vers 19, 20. Hij was als een boom, welks wortel niet slechts uitgespreid is, waardoor hij vaststaat en in geen gevaar is van nedergeworpen te worden, maar uitgebreid is bij het water, dat hem voedt, hem doet bloeien, hem vruchtbaar maakt, zodat hij in geen gevaar is van te verdorren. En gelijk hij gezegend was met de vettigheid van de aarde, zo was hij ook gezegend met de weldadige invloeden des hemels, want de dauw vernachtte op zijn tak. Gods voorzienigheid begunstigde hem, maakte al zijn genietingen lieflijk en al zijn ondernemingen voorspoedig. Laat niemand denken zijn voorspoed te kunnen steunen met hetgeen hij aan de aarde ontleent, zonder de zegen, die van boven komt. Gods gunst jegens Job voortdurende, was, in de kracht daarvan, zijn heerlijkheid nieuw bij hem, degenen, die hem omringden, hadden nog iets nieuws te zeggen tot zijn lof en behoefden er de oude geschiedenissen niet voor op te halen, en het is ook slechts door gestadige goedheid en Godsvrucht dat der mensen heerlijkheid nieuw blijft en voor verdorren of verschalen bewaard blijft. Zijn boog vernieuwde zich in zijn hand, vers 20, dat is: zijn kracht om zichzelf te beschermen en hen te teisteren, die hem aanvielen, nam nog toe, zodat hij dacht even weinig reden te hebben als wie het ook zij, om de aanvallen van de Sabeërs en Chaldeen te vrezen.
2. Richtte hij de blik naar buiten, dan bevond hij dat hij een goede, wel bevestigde invloed had. Gelijk hij geen reden had om de macht van zijn vijanden te vrezen, zo had hij ook geen reden om de trouw van zijn vrienden te verdenken, tot het laatste ogenblik van zijn voorspoed bleven zij hem hun achting en aanhankelijkheid betonen. Wat had hij te vrezen, die aan al zijn naburen zulke raad gaf dat die eigenlijk wet voor hen was? Niets zal voorzeker tegen hem gedaan worden, als in werkelijkheid niets zonder hem gedaan werd.
A. Hij was een orakel voor zijn land. Hij werd als een orakel geraadpleegd, en in hetgeen hij zei en aanried werd als in een orakel berust, vers 21. Als anderen niet gehoord konden worden, luisterde iedereen naar hem, allen zwegen op zijn woord, wetende dat, gelijk er niets tegen kon gezegd worden, er ook niets aan kon worden toegevoegd. En zo was het dat zij na zijn woord niet weer spraken, vers 22. Waarom zou men ook nog spreken over een onderwerp, waarvan reeds alles gezegd is?
B. Hij was de lieveling van zijn land. Allen die hem omringden waren ingenomen met hetgeen hij sprak en deed, zoals in de ogen van Davids volk alles goed was wat hij gedaan had, 2 Samuël 3:36 S. Hij had het hart en de genegenheid van al zijn naburen, al zijn dienstknechten, al zijn onderhorigen, nooit was iemand zo bewonderd en zo bemind.
a. Men achtte hen gelukkig tot wie hij sprak en deze achtten er zichzelf gelukkig om. Nooit was de dauw des hemels zo lieflijk en welkom aan de droge, verzengde grond als zijn wijze redenen aan hen, die ze hoorden, inzonderheid aan hen tot wie zij gericht en voor wie zij toepasselijk waren. Zijn rede druppelde op hem, en zij zagen er naar uit als naar de regen, vers 22, 23 zich verwonderende over de Godvruchtige, lieflijke woorden, die uit zijn mond voortkwamen, ze opvangende en bewarende als kostelijke zinrijke spreuken. Zijn knechten, die gedurig voor zijn aangezicht stonden om zijn wijsheid te horen, zouden Salomo's knechten niet hebben benijd. Diegenen zijn wijs of zullen het waarschijnlijk worden, die wijze redenen weten te waarderen, er naar verlangen, er op wachten en ze indrinken, zoals de aarde de regen, die menigmaal op haar komt, indrinkt, Hebreeën 6:9. En zij, die zo'n deel hebben in de achting van anderen als Job had, wier "ipse dixit-blote verzekering," zover gaat, moeten, daar zij zo ruime gelegenheid hebben om goed te doen, zeer grote zorg dragen om geen kwaad te doen, want een slecht woord uit hun mond is zeer aanstekelijk. b. Nog veel gelukkiger werden zij geacht, die hij toelachte, en ook zij zelf achtten zich gelukkig vers 24. "Als ik hun toelachte, bedoelende hiermede hun te kennen te geven dat ik tevreden over hen was, dan was dit zo'n gunst dat zij het uit blijdschap niet konden geloven, of wel omdat het zo iets zeldzaams was om deze zo ernstige man te zien glimlachen. Velen zoeken de gunst des heersers, Job was een heerser, wiens gunst gezocht en op zeer hoge prijs werd gesteld. Hij, aan wie een groot vorst een kus gaf, werd benijd door iemand aan wie hij slechts een gouden beker had gegeven. Gemeenzaamheid brengt dikwijls minachting teweeg, maar als Job het eens gepast vond om voor zijn eigen vermaak gemeenzaam te zijn met de personen uit zijn omgeving, heeft dit toch volstrekt de eerbied niet verminderd, die zij voor hem koesterden: het licht zijns aangezichts deden zij niet nedervallen. Met zoveel wijsheid verdeelde hij zijn gunsten, dat hij ze niet goedkoop maakte, en met zoveel wijsheid hebben zij ze ontvangen dat zij er zich niet onwaardig voor maakten voor het vervolg.
C. Hij was de soeverein van het land, vers 25. Hij koos hun weg, zat aan het roer en stuurde het schip voor hen, allen stelden zich onder zijn leiding en onderwierpen zich aan zijn bevel. Misschien hadden in vele landen de monarchieën hieraan haar opkomst te danken. Een man als Job, die zijn naburen zover overtrof in wijsheid en oprechtheid van wandel, moest wel als hoofd onder hen nederzitten, en de dwaas zal als vanzelf de knecht zijn desgenen, die wijs van hart is, en zo die wijsheid slechts een wijle in het bloed zat dan gingen er eer en macht mee gepaard, en zo werden die eer en macht dan langzamerhand erflijk. Er waren twee dingen, die Job voor de soevereiniteit hebben aanbevolen.
a. Hij had het gezag van een bevelhebber of generaal, hij verbleef als een koning in het leger orders gevende, die niet betwist konden worden. Iedereen, die de geest van de wijsheid heeft, heeft daarom nog niet de geest van regering of bestuur, maar Job had beide en zo wist hij dan ook, waar het te pas kwam zijn macht te doen gelden, zoals de koning in zijn leger, en tot de ene te zeggen: Ga, en hij gaat, en tot de andere: Kom, en hij komt, Mattheus 8:9.
b. Maar dat hij toch ook de tederheid had van een vertrooster. Hij was even bereid om hen, die in nood waren, te helpen, alsof het zijn ambt ware de treurenden te vertroosten. Elifaz zelf had erkend dat hij in dat opzicht zeer goed is geweest, Hoofdst. 4:3. Gij hebt slappe handen gesterkt. En nu hij zelf een treurende was, was de gedachte hieraan hem lieflijk, maar wij vinden het gemakkelijker anderen te vertroosten met de vertroosting, waarmee wij vroeger zelf vertroost zijn geworden, dan onszelf te vertroosten met de vertroostingen, waarmee wij vroeger anderen vertroost hebben.
Ik denk dat wij op Job kunnen zien als een type en afschaduwing van Christus in Zijn macht en voorspoed, onze Heere Jezus is zo'n Koning als Job geweest is, des armen mans Koning, die gerechtigheid liefheeft en ongerechtigheid haat, en op wie de zegen rust van een wereld, die ten verderve gaat. Zie Psalm 72:2 en verv. Zo laat ons dan aandachtig naar Hem luisteren, en laat Hem als Koning heersen in ons hart.