Job 28:1-11
Hier toont Job:
1. Hoe ver het vernuft van de mens gaan kan door in te dringen in de diepten van de natuur en haar schatten te bemachtigen, van hoeveel kennis en rijkdom de mensen zich door hun vernuftige en naarstige nasporingen meester kunnen maken. Maar volgt hier nu uit, dat de mensen door hun verstand en vernuft de redenen kunnen begrijpen waarom sommige goddelozen voorspoedig zijn en anderen gestraft worden, waarom sommige Godvruchtigen voorspoed hebben, en anderen worden beproefd? Geenszins. De holen en spelonken van de aarde kunnen ontdekt worden, maar niet de raadsbesluiten des hemels.
2. Hoeveel zorg wereldse mensen hebben en hoeveel moeite zij doen om rijkdom te verkrijgen. Van de goddeloze had hij gezegd, Hoofdst. 27:16, dat hij zilver ophoopt als stof, nu toont hij hier vanwaar dat zilver kwam, en hoe hij er aan gekomen is, waar hij zo verzot op is, om aan te tonen dat goddeloze rijken weinig reden hebben om trots te zijn op hun rijkdom en pracht.
Merk hier op:
I. De rijkdom van deze wereld is verborgen in de aarde. Vandaar komen het zilver en het goud dat men daarna loutert, vers 1. Daar lag het vermengd met zeer veel slijk en schuim als iets, dat waardeloos is en van niet meer belang dan gewone aarde. En zeer veel ervan zal daar veronachtzaamd blijven liggen, totdat de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
IJzer en koper, minder kostbare, maar nuttiger metalen worden uit de aarde genomen, vers 2, en worden er in grote overvloed gevonden, waardoor wel de prijs ervan verminderd wordt maar voor de mens is dit een grote weldaad, want hij zou veel beter zonder goud kunnen dan zonder ijzer. Ja meer: uit de aarde komt het brood voort, dat is: broodkoren, het noodzakelijkste levensonderhoud, vers 5. Vandaar wordt des mensen onderhoud gehaald, om hem te herinneren aan zijn oorsprong, hij is uit de aarde en spoedt zich heen naar de aarde. Onder zich wordt zij veranderd alsof zij vuur ware, edelgesteenten, die schitteren en fonkelen als vuur, zwavel die licht ontvlambaar is, steenkool, die geschikt is om vuur te onderhouden. Evenals ons voedsel hebben wij ook onze brandstof uit de aarde. Daar zijn de saffieren en andere edelgesteenten en vandaar wordt stofgoud opgegraven, vers 6. De wijsheid van de Schepper heeft deze dingen geplaatst:
1. Buiten ons gezicht, om ons te leren "er onze ogen niet op te laten vliegen,' Spreuken 23:5.
2. Onder onze voeten, om ons te leren er niet ons hart op te zetten, maar ze veeleer met heilige minachting te vertreden. Zie "hoe vol de aarde is van Gods goederen," Psalm 104:24, en leid hieruit af, niet alleen hoe groot een God Hij is, "wiens de aarde is mitsgaders haar volheid," Psalm 24:1, maar ook hoe vol de hemel moet zijn van Gods schatten, die de stad is des groten Konings, in vergelijking waarmee deze aarde slechts een arm land is.
II. Het is slechts met zeer veel moeite, dat men bij de schatten kan komen, die in de aarde verborgen zijn. Het is moeilijk ze te ontdekken slechts hier en daar is er voor het zilver een uitgang, vers 1. De edelgesteenten, hoewel schitterend in zichzelf, worden echter, omdat zij in duisternis zijn begraven en buiten het gezicht zijn, het gesteente van de donkerheid genoemd en van de schaduw des doods. De mensen kunnen lang zoeken eer zij ze aantreffen, en zijn zij ontdekt, dan kost het nog grote moeite om ze tevoorschijn te brengen. Der mensen vernuft moet wegen en middelen bedenken om die schatten in handen te krijgen, zij moeten met hun lampen een einde maken aan de duisternis, en indien het een hulpmiddel mislukt, de ene methode tekort schiet, dan moeten zij het met een ander beproeven, totdat zij het uiterste onderzocht hebben en niets onbeproefd laten om tot het doel te geraken vers 2. Zij hebben te worstelen met onderaardse wateren, vers 4, 10, 11, moeten zich een weg banen door rotsen heen die, als het ware, de wortelen van de bergen zijn, vers 9. Nu heeft God het verkrijgen van goud, zilver en edelgesteenten zo moeilijk gemaakt:
a. Ten einde de ijver en de vlijt van de mensen op te wekken. Dii "laboribus omnia verdunt-Arbeid is de prijs, die de goden gesteld hebben voor alle dingen". Als men gemakkelijk aan kostbare dingen kon komen, dan zouden de mensen zich nooit moeite geven. Maar de moeilijkheid om de schatten van deze aarde te verkrijgen, kan er ons een denkbeeld van geven welk geweld het koninkrijk van de hemelen wordt aangedaan.
b. Ter beteugeling en beperking van pracht en weelde. Hetgeen noodzakelijk is, wordt met weinig arbeid van de oppervlakte van de aarde verkregen, maar hetgeen voor sieraad dient, dat moet met grote moeite uit de ingewanden van de aarde worden opgegraven. Gevoed te worden is goedkoop, maar zich fraai op te schikken kost veel moeite en geld.
III. Hoewel de onderaardse schatten aldus moeilijk te verkrijgen zijn, willen de mensen ze toch hebben. Hij, die zilver liefheeft, wordt van zilver niet verzadigd, maar is toch niet tevreden als hij het niet heeft, en zij, die veel hebben, moeten nog meer hebben. Zie hier:
1. Welke bedenkselen de mensen hebben om aan die schatten te komen. Zij onderzoeken al het uiterste, vers 3. Zij bezitten kunst en werktuigen om de wateren op te drogen en ze weg te voeren, als zij tot hen doorbreken in de mijnen en dreigen hun werk onder water te zetten, vers 4. Zij hebben pompen, buizen en kanalen om hun weg vrij te maken, en hindernissen weggeruimd zijnde, betreden zij het pad, dat de roofvogel niet heeft gekend, vers 7, 8, dat niet gezien wordt door het oog van de gier, hoe scherpziend ook, en onbetreden is door de leeuwenwelpen, die al de paden van de woestijn doorkruisen.
2. Welke moeite de mensen doen en welke onkosten zij zich getroosten om die schatten te verkrijgen. Zij banen zich een weg door de rotsen heen en ondermijnen de bergen, vers 10.
3. Aan welke gevaren zij zich blootstellen. Zij, die graven in de mijnen, stellen hun ziel, hun leven, in hun handen, want zij moeten de rivieren toebinden, opdat zij het omliggende land niet overstromen, vers 11, en zij zijn steeds in gevaar van door dampen bedwelmd of verstikt te worden, of verpletterd, of levend begraven te worden door het neerstorten van aarde. Zie hoe dwaselijk de mens nog toevoegt aan zijn lasten. Hij is veroordeeld om in het zweet zijns aanschijns zijn brood te eten, maar alsof dit niet genoeg ware wil hij nog met levensgevaar goud en zilver verkrijgen, ofschoon hoe meer er van verkregen wordt hoe minder de waardij ervan is, want in Salomo's tijd was het zilver als stenen. Maar: 4. Merk op wat het is, dat de mensen door al die gevaren heen helpt. Zijn oog ziet al het kostelijke, vers 10. Zilver en goud zijn voor hen kostelijke zaken, en die hebben zij bij al hun streven op het oog, zij menen ze te zien glinsteren voor hun ogen, en in het vooruitzicht van ze te bezitten achten zij de moeilijkheden niet, want zij verkrijgen er ten laatste iets van, hun arbeid en moeite worden beloond, het verborgene brengt hij uit in het licht, vers 11. Wat onder de grond verborgen lag, wordt op het talud gelegd, het metaal, dat in het erts was verborgen, wordt, gezuiverd van het schuim, rein uit de smeltkroes tevoorschijn gebracht, en dan denkt hij dat al zijn moeite ruim beloond is. Ga dan tot de mijnwerkers, gij luiaard in de Godsdienst, zie hun wegen en word wijs. Laat hun moed, hun vlijt en standvastigheid in het zoeken naar schatten die vergaan, ons wegschamen uit onze traagheid en flauwhartigheid in het arbeiden voor het najagen van de ware, blijvende schatten. Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen dan uitgegraven goud! Hoeveel gemakkelijker en veiliger! Toch wordt goud gezocht en genade veronachtzaamd. Zal de hoop om kostelijke dingen uit de aarde te verkrijgen (zo noemen zij ze, maar in werkelijkheid zijn het armzalige en vergankelijke dingen) zo'n prikkel zijn voor de industrie en zal dan het stellige vooruitzicht op wezenlijke, echte kostelijke dingen in de hemel dit niet nog veel meer zijn?