Job 24:18-25
Aan het slot zijn rede:
I. Geeft Job nog nadere voorbeelden van de goddeloosheid van deze wrede, bloeddorstige mannen.
1. Sommigen van hen zijn zeerovers. Hierop passen vele geleerde uitleggers deze moeilijke uitdrukkingen toe van vers 18. Hij is snel op de wateren. Kapers kiezen de snelst zeilende schepen, daarin kruisen zij van het ene kanaal naar het andere, om vaartuigen prijs te maken, en hierdoor verkrijgen zij zo grote rijkdom, dat hun deel vervloekt is op aarde, en zij zich niet naar de weg van de wijngaarden wenden, dat is, gelijk bisschop Patrick het verklaart zij verachten het bedrijf van hen, die de grond bewerken en wijngaarden planten, als armzalig en onvoordelig. Maar anderen houden het voor een nog nadere beschrijving van het gedrag dier zondaren, die bevreesd zijn voor het licht, als zij ontdekt worden, maken zij zich zo spoedig als zij kunnen uit de voeten, en zien heen, niet naar de wijngaarden, uit vrees van ontdekt te worden, maar naar het een of ander gevloekt doel, een eenzame verlaten plaats, waar niemand naar ziet.
2. Sommigen zijn beledigend voor hen, die in moeilijkheid zijn en voegen nog smart toe aan hen, die reeds smart hebben. Onvruchtbaarheid werd voor grote schande gehouden en aan haar, die aldus beproefd zijn, wordt het verweten, zoals Peninna het Hanna verweten heeft met het doel haar te kwellen en aan het tobben te brengen, hetgeen zeer wreed is, het is de onvruchtbare, die niet gebaard heeft af te teren, vers 21, of hen, die kinderloos zijn, en gebrek hebben aan de pijlen, die anderen in hun pijlkoker hebben, en die hen instaatstellen om met de vijanden te spreken in de poort, Psalm 127:5. Hij maakt gebruik van dat voordeel tegen en is verdrukkend voor hen, evenals de vaderlozen zijn ook de kinderlozen in zekere zin hulpeloos. Om dezelfde reden is het wreed de weduwe te schaden, aan wie hij behoorde goed te doen: en geen goed te doen als het in onze macht is, dat is kwaad doen. Er zijn de zodanigen, die door zich te gewennen aan wreedheid, eindelijk zo onbesuisd en onstuimig worden dat zij de schrik van de helden zijn in het land van de levenden, vers 22. Door zijn macht of geweld trekt hij de machtigen in een strik, zelfs de grootsten zijn niet tegen hem bestand als hij zijn aanvallen heeft van woeste razernij, in zijn drift staat hij op en slaat met zoveel woede om zich heen, dat niemand zeker is van zijn leven, en tegelijkertijd is hij dan ook niet zeker van zijn eigen leven, want "zijn hand is tegen allen, en de hand van allen is tegen hem," Genesis 16:12. Men vraagt zich af, hoe iemand er behagen in kan scheppen om iedereen bevreesd voor zich te maken, toch zijn er de zodanigen, die dit doen.
II. Hij toont aan dat deze vermetele zondaars voorspoedig zijn, en voor een wijle gerust leven, ja dikwijls hun dagen eindigen in vrede, zoals Ismael, die hoewel hij een man was van tamelijk wel zo'n karakter als hier beschreven wordt, toch geleefd heeft en gestorven is voor het aangezicht van al zijn broederen, zoals ons bericht wordt in Genesis 25:18. Van deze zondaren wordt hier gezegd:
1. Dat God hen in gerustheid stelt, vers 23. Zij schijnen zich onder de bijzondere bescherming te bevinden van de Goddelijke voorzienigheid en men vraagt zich verwonderd af, hoe zij in al de gevaren, die zij zich op de hals halen, nog het leven kunnen behouden.
2. Dat zij daarop steunen, dat is, er zich door gemachtigd beschouwen voor al hun geweld, omdat niet haastiglijk het oordeel over de boze daad geschiedt, denken zij dat er geen groot kwaad in steekt, en dat God niet misnoegd op hen is, noch hen ooit ter verantwoording zal roepen. Hun voorspoed stelt hen gerust.
3. Dat zij voor een wijle verheven zijn, zij schijnen de gunstgenoten des hemels te wezen. Zij zijn in eer gesteld buiten het bereik van gevaar (naar zij denken) en in de hoogmoed huns harten verheffen zij zich.
4. Dat zij ten laatste stil en zacht uit de wereld weggenomen worden zonder enigerlei schande of verschrikking. "Zij dalen even gemakkelijk ten grave als sneeuwwater in de droge grond zinkt, als het door de zon is gesmolten." Aldus verklaart bisschop Patrick, vers 19. In dezelfde zin omschrijft hij vers 20. De baarmoeder vergeet hem, enz. "God stelt geen zodanig teken van Zijn misnoegen op hem of zijn moeder kan hem spoedig vergeten, de hand van de gerechtigheid hangt hem niet aan een galg om de vogelen tot spijze te wezen, maar evenals andere mensen wordt hij naar zijn graf gedragen, om zoet voedsel te wezen voor de wormen, daar ligt hij rustig en hij en zijn goddeloosheid worden niet meer herdacht dan een boom die tot splinters geslagen is." En vers 24. Gelijk alle anderen worden zij weggenomen, dat is: Zij worden als alle andere mensen besloten in hun graf, ja meer, zij sterven even gemakkelijk (zonder die moeizame pijnen, welke anderen verduren) als een korenaar door uw hand wordt afgesneden." Vergelijk dit met Salomo's opmerking, Prediker 8:10. "Ik heb gezien de goddelozen die begraven werden en degenen, die kwamen en uit de plaats des Heiligen gingen, die werden vergeten."
III. Hij voorziet echter hun val en dat hun dood, al sterven zij ook in eer en gerustheid, hun verderf zal zijn. Gods ogen zijn op hun wegen, vers 23. Hoewel Hij zwijgt en de ogen voor hen schijnt te sluiten, neemt Hij toch kennis en houdt Hij rekening van al hun goddeloosheid, en weldra zal Hij doen blijken dat hun geheimste zonden die, naar zij dachten, geen oog zien kon, vers 15, onder Zijn oog waren. Hier wordt geen melding gemaakt van de straf van deze zondaren in de andere wereld maar het wordt te kennen gegeven in de bijzondere nota, die genomen wordt van de gevolgen van zijn dood.
1. De vertering van het lichaam in het graf, hoewel aan allen gemeen, heeft voor hem toch de aard van een straf voor zijn zonde Het graf zal hen verteren, die gezondigd hebben, dat land van de duisternis zal het deel wezen van hen, die de duisternis liever gehad hebben dan het licht. Het lichaam, dat zij vertroeteld hebben, zal een feestmaal zijn voor de wormen, die er zich met evenveel genot op zullen vergasten, als zij zich vergast hebben op het vermaak en gewin van de zonde.
2. Hoewel zij gedacht hebben een grote naam te maken door hun rijkdom en macht en hun grote daden, is toch "hun gedachtenis met hen vergaan," Psalm 9:7. "Hij, die zoveel van zich deed spreken zal na zijn dood niet meer met ere herdacht worden, zijn naam zal verrotten," Spreuken 10:7. Zij, die bij zijn leven zijn waar karakter niet in het licht durfden stellen, zullen hem niet sparen als hij gestorven is, zodat de schoot die hem gebaard heeft, zijn eigen moeder, hem vergeet, dat is: het vermijdt om hem te noemen, denkende dat dit de grootste vriendelijkheid is, die zij hem kan bewijzen, daar er geen goeds van hem gezegd kan worden. De eer, die verkregen werd door zonde, zal spoedig in schande verkeren. 3. De goddeloosheid, die zij in hun geslacht dachten te bestendigen, zal verbroken worden als een boom al hun boze plannen zullen mislukken, en al hun goddeloze hoop vernietigd en met hen begraven worden.
4. Hun hoogmoed zal naar bereden gebracht en in het stof gelegd worden vers 24, en in barmhartigheid jegens de wereld zullen zij uit de weg worden geruimd, en al hun macht en voorspoed afgesneden worden, gij kunt hem zoeken en hij zal niet gevonden worden. Job erkent dat goddeloze mensen ten laatste rampzalig zullen zijn aan de andere kant van de dood, maar hij ontkent ten enenmale wat zijn vrienden staande hielden, namelijk dat zij gewoonlijk reeds in dit leven rampspoedig zijn.
Eindelijk. Ten besluite tart hij allen, die tegenwoordig zijn, om wat hij gezegd heeft te wederleggen, zo zij het konden, vers 25. Indien het nu zo niet is als ik het gezegd heb en indien dan daar niet uit volgt, dat ik onrechtvaardig veroordeeld en geblameerd ben, zo laat hen, die het kunnen, bewijzen dat mijne rede of:
1. Op zichzelve onwaar is, en dat ik dus een leugenaar ben, of:
2. Dat mijn rede niet ter zake is, en dus ook beuzelachtig is en nietswaardig. Datgene is inderdaad beuzelachtig en nietswaardig, waar geen waarheid in is, hoe kan er iets goeds zijn in hetgeen waar geen waarheid in is? Maar zij, die woorden spreken van waarheid en van een gezond verstand, behoeven niet te vrezen dat hetgeen zij gezegd hebben onderzocht en getoetst zal worden, maar zullen zich, evenals Job hier, goedsmoeds aan ieder onderzoek onderwerpen.