Job 20:23-29
Zofar had de vele moeilijkheden en kwellingen beschreven, waarmee de boze praktijken van verdrukkers en wreedaards gewoonlijk gepaard gaan, en nu toont hij hoe ten laatste een algeheel verderf over hen komen zal.
1. Hun verderf zal voortkomen uit Gods toorn en wraak, vers 23. De hand van de bozen was over hem, vers 22, alle hand van de bozen. Zijn hand was tegen iedereen, en daarom zal ieders hand tegen hem zijn, evenwel, in zijn worsteling met hen zal hij zich nog kunnen verdedigen, maar zijn hart zal niet bestaan, en zijn handen zullen niet sterk zijn, "als God met hem zal handelen." Ezechiël 22:14, als God de grimmigheid Zijns toorns over hem uitstort, over hem regent. Elk woord spreekt hier verschrikking. Het is niet alleen Gods gerechtigheid, die tegen hem uitgaat, maar Zijn toorn wegens de tergingen Hem aangedaan, de hitte Zijns toorns, toorn in de hoogste mate. Die toorn wordt met kracht over hem uitgestort wordt overvloedig op hem geregend, hij daalt neer op zijn hoofd, zoals de zwavel en het vuur op Sodom, waarnaar ook de psalmist verwijst, "op de goddelozen zal God vuur en zwavel regenen." Daar is geen beschutting tegen dan in Christus, die de enige verberging is tegen de wind en de vloed, Jesaja 32:2. Deze toorn zal op hem uitgestort worden als hij zijn buik gaat vullen, zich gaat tegoed doen aan hetgeen hij verkregen heeft, en er zich groot genot van belooft. En dan, als hij eet, zal deze storm hem overvallen, als hij zich veilig en gerust waant en geen gevaar vreest, zoals het verderf over de oude wereld en over Sodom gekomen is, toen zij in de diepte waren van hun gerustheid en op de hoogte van hun zinnelijkheid, gelijk Christus opmerkt, Lukas 17:26 en verv. Misschien zinspeelt Zofar hier op de dood van Jobs kinderen, toen zij aten en dronken.
2. Hun verderf zal onvermijdelijk zijn, en er zal geen mogelijkheid wezen om er aan te ontkomen, vers 24. Hij zij gevloden van de ijzeren wapenen. Vlucht duidt schuld aan, hij wil zich niet vernederen onder de oordelen Gods, naar middelen uitzien om met Hem verzoend te worden, al zijn zorg is: te ontkomen aan de wraak, die hem vervolgt, maar tevergeefs, als hij ontkomt aan het zwaard, zal de stalen boog hem doorschieten. God heeft wapenen van iedere soort, Hij heeft beide "Zijn zwaard gewet en Zijn boog gespannen," Psalm 7:13, Psalm 7:13,14, Hij kan met Zijn vijanden handelen "cominus of eminus-van nabij of van verre." Hij heeft een zwaard voor hen, die het met Hem denken uit te vechten door hun kracht, en een boog voor hen die denken Hem te kunnen ontkomen door hun list. Zie Jesaja 24:17, 18, Jeremia 48:43, 44. Ofschoon hij, die getekend is voor het verderf, aan het een oordeel ontkomt, zal hij toch een ander gereed voor hem vinden.
3. Het zal een schrikkelijk, algeheel verderf zijn. Als de schicht, die hem doorschoten heeft (want als God schiet, zal Hij het doel treffen, Zijn slagen komen altijd goed neer), uit zijn lichaam getrokken wordt, als het glinsterend zwaard (de bliksem, aldus is het Hebreeuwse woord), het vlammende zwaard, het "zwaard, dat dronken is geworden in de hemel," Jesaja 34:5, als dit uit zijn gal komt, o welke verschrikkingen zijn er dan over hem! Hoe sterk zijn de stuiptrekkingen, hoe heftig is de doodsbenauwdheid! Hoe schrikkelijk zijn de banden des doods voor een goddeloze!
4. Soms is het een verderf, dat onmerkbaar over hem komt, vers 26..
a. De duisternis, die hem omhult, is een verborgen duisternis, het is alles duisternis, volslagen duisternis, zonder het minste schijnsel van licht er in, en zij is verborgen in zijn schuilplaats, waar hij zich teruggetrokken heeft, en waar hij hoopt zich te beschutten, nooit keert hij in tot zichzelf, of hij vindt zich in duisternis en in volslagen verlegenheid.
b. Het vuur, dat hem verteert, is een vuur, dat niet aangeblazen is, aangestoken zonder gerucht of geraas, een vertering, waarvan iedereen de uitwerking, maar niemand de oorzaak ziet. Het is duidelijk dat de wonderboom verdord is, maar de worm in de wortel, die hem heeft doen verdorren, is buiten het gezicht. Hij wordt verteerd door een zacht vuur, zeer stellig, maar zeer langzaam. Als de brandstof licht ontvlambaar is, dan behoeft het vuur niet aangeblazen te worden, en zo is het met hem, hij is rijp voor het verderf, "alle hoogmoedigen en al wie goddeloosheid doet zullen een stoppel zijn," Maleachi 4:1. Een onuitblusbaar vuur zal hem verteren, zo lezen het sommigen, en dat is gewis waar van het vuur van de hel.
5. Het is een verderf, niet alleen over hemzelf, maar ook over zijn geslacht, de overige in zijn tent zal het kwalijk gaan, want de vloek zal hem bereiken, en hij zal misschien door dezelfde smartelijke ziekte afgesneden worden, er is een erfenis van toorn in dat geslacht, die zowel de erfgenamen als het erfdeel zal verderven, vers 28..
a. Zijn nakomelingen zullen uitgeroeid worden. De inkomst van zijn huis zal weggevoerd worden, zal of ophouden door ontijdige sterfgevallen, of genoodzaakt zijn het land te verlaten. Talrijk aangroeiende gezinnen worden, als zij goddeloos zijn, spoedig verminderd, verstrooid en uitgeroeid door de oordelen Gods.
b. Zijn bezitting zal tenietgaan. Zijn goederen zullen even snel van zijn geslacht wegvloeien, als zij er ooit aan toegevloeid zijn, als de dag van Gods wraak komt voor welke dag hij gedurende al de tijd, die hij doorbracht om door list en verdrukking zijn bezitting te verkrijgen, zich toorn heeft vergaderd.
6. Het is een verderf, dat duidelijk zal blijken rechtvaardig te zijn, een verderf dat hij door zijn goddeloosheid zelf over zich gebracht heeft, want de hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, vers 27, dat is: de God des hemels, die al de verborgen goddeloosheid van de goddelozen ziet, zal door dit of dat middel aan de gehele wereld doen weten welk een laag, slecht man hij was, opdat zij de gerechtigheid Gods erkennen in alles wat over hem gebracht is. Ook de aarde zal tegen hem opstaan, zowel om zijn boosheid aan het licht te brengen als om haar te wreken. "De aarde zal haar bloed ontdekken," Jesaja 26:21. De aarde zal zich tegen hem opmaken en hem niet langer willen dragen, de hemel openbaart zijn ongerechtigheid en wil hem daarom niet opnemen, waarheen moet hij dus gaan? Waarheen anders dan naar de hel? Indien de God van hemel en aarde zijn vijand is, dan zal de hemel noch de aarde hem enigerlei vriendelijkheid betonen, maar alle heirscharen van beide zullen krijg tegen hem voeren.
Eindelijk. Zofar eindigt als een redenaar, vers 29. Dit is het deel des goddelozen mensen van God, dit is hem toebedeeld, voor hem bestemd als zijn lot. Hij zal het ten laatste hebben, zoals een kind zijn deel heeft, en hij zal het hebben tot in eeuwigheid, daar zal hij bij moeten blijven, dit is de erve van zijn uitspraak van God, het is de vastgestelde regel van Zijn oordeel, en er wordt behoorlijk voor gewaarschuwd. "O goddeloze gij zult de dood sterven!" Ezechiël 33:8. Hoewel onboetvaardige zondaren niet altijd onder zulke tijdelijke oordelen vallen, als hier beschreven zijn (daarin heeft Zofar zich vergist) blijft toch de toorn Gods op hen, en zij worden rampzalig gemaakt door geestelijke oordelen, die veel ontzettender zijn. Hun geweten zal of een verschrikking voor hen wezen, en dan zijn zij in voortdurende ontzetting, of het is toegeschroeid en tot zwijgen gebracht, en dan zijn zij overgegeven in een verkeerde zin, en aldus ten eeuwigen verderve gewijd. Nooit was een leer beter verklaard en toch slechter toegepast dan deze door Zofar, die met dit alles bedoelde te bewijzen dat Job een huichelaar was. Laat ons de goede verklaring aannemen, en haar beter toepassen, haar gebruiken als een waarschuwing voor onszelf om "beroerd te zijn en niet te zondigen."