Job 17:1-9
Jobs rede is hier enigszins afgebroken, hij gaat plotseling van het een op het andere over, zoals dit gewoonlijk gaat met mensen, die in benauwdheid en beroering verkeren, maar hetgeen hier gezegd is, kunnen wij onder drie hoofdpunten beschouwen.
I. De treurige toestand, waarin Job zich nu bevond, die hij beschrijft om de grote onvriendelijkheid van zijn vrienden jegens hem te verzwaren en zijn eigen klachten te rechtvaardigen. Laat ons zien wat zijn toestand was.
1. Hij was een stervende, vers 1. Hij had gezegd, hoofdst. 16:22. "Wanneer nog weinige jaren in getale zullen aangekomen zijn, dan zal ik die lange reis ondernemen." Maar nu verbetert hij dit gezegde. "Waarom spreek ik van jaren, die nog komen moeten? Helaas, ik heb die reis reeds aanvaard, ik ben nu gereed om geofferd te worden en de tijd mijner ontbinding is aanstaande, mijn adem is verdorven, vers 1, of afgebroken, mijn moed is gezonken, ik ben al als iemand, die heengegaan is. Het is voor een ieder van ons goed, om op onszelf te zien als stervenden en inzonderheid om daaraan te denken als wij ziek zijn. Wij zijn stervende, dat is:
a. Ons leven gaat heen, want de adem des levens gaat heen. Hij gaat voortdurend heen, want hij is in onze neus, Jesaja 2:22, de deur door welke hij binnenkwam, Genesis 2:7, daar is hij op de drempel, gereed om heen te gaan. Misschien heeft Jobs kwaal zijn ademhaling belemmerd en bij kortademigheid zal de adem weldra geheel ophouden. Laat de Gezalfde des Heeren de adem van onze neuzen zijn, laat er geestelijk leven in ons geblazen worden, die adem zal nooit verdorven wezen.
b. Onze tijd spoedt ten einde, mijn dagen worden uitgeblust, gelijk een kaars, die van dat zij werd aangestoken, voortdurend verteert en afbrandt en langzamerhand vanzelf zal uitgaan, maar door duizenderlei omstandigheden plotseling uitgaan kan. Zodanig is het leven. Daarom moeten wij zorgvuldig de dagen des tijds uitkopen en die doorbrengen in voorbereiding van de dagen van de eeuwigheid, die noodt uitgeblust zullen worden.
c. Wij worden verwacht in ons langdurig tehuis: de graven zijn voor mij. Maar was dan een graf niet genoeg? Ja, maar hij spreekt van de graven van zijn vaderen, tot welke hij vergaderd moet worden. "De graven, in welke zij gelegd zijn, zijn ook voor mij", waar wij ook heengaan, er is maar een schrede tussen ons en het graf. Wat ook niet gereed moge zijn, dat is gereed, het is een bed, dat spoedig gespreid is. Zijn de graven gereed voor ons, dan voegt het dat wij gereed zijn voor de graven. De graven voor mij, zo luiden de woorden, aanduidende, niet alleen dat hij de dood verwachtte, maar dat hij er naar verlangde. "Ik heb afgedaan met de wereld en verlang nu maar niets anders de naar het graf."
2. Hij was een veracht man, vers 6. "Hij", (dat is Elifaz, volgens sommigen, of liever God, die hij voortdurend erkent de werker te zijn van zijn rampen) "heeft mij tot een spreekwoord van de volkeren gesteld, van wie ieder spreekt, een bespottelijk voorwerp voor velen, een voorwerp van verachting voor allen, en tevoren, of, voor het aangezicht van de mensen in het openbaar, was ik een trommel, vers 6, waarop ieder, die lust had, kon spelen." Zij maakten balladen op hem, zijn naam werd tot een spreekwoord, een spotrede, hij is het nog: Zo arm als Job. Hij heeft mij nu tot een spreekwoord gesteld, een smaad van mensen, terwijl ik tevoren in mijn voorspoed als een trommel was, "Delicice humani generis-De lieveling van het menselijk geslacht," in wie allen behagen vonden. Het is iets geheel gewoons dat zij, die geëerd waren toen zij rijk waren, veracht worden als zij arm zijn.
3. Hij was een man van smarten, vers 7. Hij heeft zoveel geweend, dat hij er schier het gezicht door verloren had. Mijn aangezicht is geheel bemodderd van wenen, daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd. De droefheid van de wereld werkt aldus duisternis en de dood. Hij kwelde zich zozeer, dat zijn vlees er schier door weggeknaagd was, en hij als een geraamte was geworden, er was niets dan vel en been van hem over "al mijne ledematen zijn gelijk een schaduw. Ik ben zó vermagerd dat ik niet een man, maar de schaduw van een man genoemd moet worden."
II. Het slechte gebruik, dat zijn vrienden maakten van zijn ellende, zij vertraden hem, beledigden hem, veroordeelden hem als een geveinsde, omdat hij zo zwaar en zo smartelijk beproefd was. Een harde behandeling voorwaar! Merk hier nu op:
1. Hoe Job dit beschrijft en welke uitlegging hij gaf aan hun redenen. Hij beschouwt zich als laaghartig door hen mishandeld.
a. Zij mishandelden hem door hun beledigende bestraffingen en bedillingen, veroordeelden hem als een slecht man, die terecht aldus naar beneden was gebracht en aan verachting was blootgesteld, vers 2. "Zij zijn bespotters, die mijn rampen belachen en mij honen, omdat ik aldus naar de diepte ben gebracht. Zij zijn dit bij mij, mij beledigende in mijn aangezicht, met hun bezoek vriendschap voorwendende maar kwaad bedoelende. Ik kan hen niet kwijtraken, voortdurend scheuren zij mij, en rede noch medelijden heeft enige invloed op hen om hen te bewegen de vervolging op te geven."
b. Zij mishandelden hem ook door hun fraaie beloften, want daarin staken zij slechts de draak met hem. Hij rekent hen vers 5, te behoren tot hen, die met vleiing de vrienden wat aanzeggen. Zij allen kwamen om met hem te treuren, Elifaz begon met een lofspraak van hem, Hoofdst. 4:3. Zij hadden hem allen beloofd dat hij nog gelukkig zijn zal, indien hij hun raad wilde volgen. Dit alles beschouwde hij nu als vleierij en als bedoeld om hem zoveel te meer te kwellen. Dit alles noemt hij verbittering, vers 2. Zij deden wat zij konden om hem te verbitteren, te prikkelen en te tergen, en als hij dan zijn gevoeligheid hierover toonde, dan veroordeelden zij hem dieswege. Maar hij denkt dat hij te verontschuldigen is, als zijn oog overnacht in hun verbittering, die nooit ophield, en hij kon er zijn oog nooit van afwenden. De onvriendelijkheid van hen, die hun vrienden vertreden in hun beproeving, is genoeg om zelfs het geduld van een Job op de proef te stellen, zooal niet uit te putten.
2. Hoe hij het veroordeelt.
a. Het was een teken dat God hun hart voor kloek verstand had verborgen, vers 4, dat zij omtrent deze taak verdwaasd waren, en hun wijsheid van hen geweken was. Wijsheid is een gave Gods, die Hij aan sommigen schenkt en aan anderen onthoudt, schenkt op de ene tijd en op andere tijden onthoudt. Zij, die ontbloot zijn van mededogen, zijn inzoverre ook ontbloot van verstand. Waar de tederheid van een mens ontbreekt, is het zeer de vraag of niet ook het menselijk verstand ontbreekt. b. Het zei een eeuwige versmaadheid en vermindering voor hen zijn. Daarom zult Gij hen niet verhogen. Diegenen worden gewis van eer onthouden wier hart voor verstand verborgen is. Als God de mensen verdwaast, zal Hij hen verlagen. Gewis, zij die zo weinig bekendheid tonen te hebben met de methoden van de Goddelijke voorzienigheid, zullen de eer niet hebben om dit twistgeding tot beslissing te brengen. Die eer is weggelegd voor een man van een beter verstand en een betere gemoedsstemming, iemand zoals Elihu later bleek te zijn.
c. Het zal een vloek brengen over hun geslachten. Hij, die aldus de heilige wetten van de vriendschap schendt, verbeurt er het voorrecht van niet alleen voor hemzelf, maar ook voor zijn nakomelingen. Ook zijner kinderen ogen zullen versmachten, en als zij hulp en vertroosting verwachten van hun eigen vrienden of van de vrienden huns vaders, zullen zij ze tevergeefs verwachten, zoals ik ze tevergeefs van u heb verwacht, en evenzeer teleurgesteld zijn als ik in u teleurgesteld ben. Zij, die onrecht doen aan hun naasten, zullen in het einde, meer dan zij weten, onrecht doen aan hun eigen kinderen.
3. Hoe hij zich van hen op God beroept, vers 3. Zet toch bij, stel mij een borg bij U, dat is: "Laat mij ervan verzekerd zijn dat God het horen, het onderzoeken en de beslissing van de zaak in Zijn eigen handen zal nemen, en ik zal niets meer begeren. Laat iemand het op zich nemen om die zaak voor God te brengen." Aldus hebben zij, wier hart hen niet veroordeelt, vrijmoedigheid tot God en kunnen met nederige en gelovige vrijmoedigheid Hem vragen hen te doorgronden en te toetsen. Sommigen denken dat Job hier een blik heeft op het middelaarschap van Christus, want hij spreekt van een borg bij God, zonder wie hij niet voor God durfde verschijnen of zijn zaak voor Zijn rechterstoel durfde brengen, want hoewel de beschuldigingen van zijn vrienden volkomen vals waren, kon hij zich voor God toch niet anders dan in een middelaar rechtvaardigen. De Engelse aantekeningen geven deze lezing van het vers: "Stel toch mijn borg aan bij U, namelijk Christus, die bij U in de hemel is en het op zich genomen heeft om mijn borg te zijn, laat Hem mijn zaak bepleiten en voor mij in de bres staan, en wie zal hij dan zijn, die op mijn hand zal slaan?" dat is: "Wie durft dan met mij twisten? Wie zal beschuldiging tegen mij inbrengen, indien Christus mijn voorspraak is?" Romeinen 8:32, 33. Christus is de borg van een beter verbond, Hebreeën 7:22, een borg door God aangesteld, en zo Hij onze zaak op zich neemt, dan behoeven wij niet te vrezen wat tegen ons gedaan kan worden.
III. Het goede gebruik, dat de rechtvaardigen behoren te maken van de ellende, die Job te verduren had van God, van zijn vijanden en van zijn vrienden, vers 8, 9.
Merk hier op:
1. Hoe de heiligen beschreven worden.
a. Zij zijn oprecht en eerlijk, en handelen naar een vast beginsel met een eenvoudig oog. Dat was Jobs eigen karakter, Hoofdst. 1:1, en waarschijnlijk spreekt hij inzonderheid van zulke oprechten, die zijn vertrouwde vrienden en metgezellen zijn geweest.
b. Zij zijn de onschuldigen, niet volkomen schuldeloos, maar er naar strevende om het te zijn. Oprechtheid is Evangelische onschuld, en zij die oprecht zijn, worden gezegd "rein te wezen van grote overtreding," Psalm 19:14. c. Zij zijn de rechtvaardigen, die wandelen in de weg van de gerechtigheid.
d Zij hebben reine handen, rein gehouden van de grove verontreiniging van de zonde, en als zij bevlekt zijn door zwakheden, "gewassen in onschuld," Psalm 26:6
2. Hoe zij aangedaan behoren te worden door het verhaal van Jobs lijden. Er zal ongetwijfeld een groot onderzoek naar hem worden ingesteld, iedereen zal spreken van hem en zijn zaak, en welk gebruik zullen de Godvruchtigen ervan maken?
A. Het zal hen verbazen. De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, het zal hen verwonderen dat zo goed een man als Job was, zo zwaar beproefd werd in zijn lichaam, in zijn goede naam en in zijn vermogen, dat de hand Gods zo zwaar op hem zou drukken, en dat zijn vrienden, die hem hadden behoren te vertroosten, nog hebben toegedaan aan zijn smart, dat zo merkwaardig een heilige zo merkwaardig een lijder zou zijn, zo nuttig een man temidden van zijn nuttige arbeid ter zijde werd gelegd. Wat zullen wij tot deze dingen zeggen? Oprechte mensen zijn er in het algemeen van overtuigd dat God wijs en heilig is in alles wat Hij doet, maar kunnen toch niet anders dan verbaasd zijn over zodanige beschikkingen van Zijn voorzienigheid, paradoxen, die niet verklaard zullen worden voordat de verborgenheid Gods vervuld zal worden.
B. Het zal hen opwekken, aanvuren, bezielen. Inplaats van door de harde behandeling, die deze trouwe dienstknecht Gods ondervonden heeft, afgehouden te worden van of ontmoedigd te worden in de dienst van God, zullen zij zoveel te meer er door aangemoedigd worden om er in voort te gaan, er in te volharden. Hetgeen Paulus zorg was, 1 Thessalonicenzen 3:3, T was ook Jobs zorg, dat geen Godvruchtige door deze beproevingen bewogen worde, hetzij van zijn heiligheid, of van zijn vertroosting, dat niemand om de wille daarvan van het werk en de wegen Gods te erger zal denken. En wat Paulus' vertroosting was, was ook de zijne, dat "de broederen in de Heere door zijn banden vertrouwen gekregen hebben," Filipp. 1:14. Zij zullen er door aangemoedigd worden:
a. Om de zonde te weerstaan, en de verdorven en verderflijke gevolgtrekkingen, die slechte mensen uit Jobs lijden zouden afleiden, het hoofd te bieden, zoals bijvoorbeeld dat God de aarde heeft verlaten, dat het tevergeefs is Hem te dienen en dergelijke meer. "De onschuldige zal zich tegen de huichelaar opmaken," zal het niet dragen dit te horen, Openbaring 2:2, maar hem in het aangezicht weerstaan, zal zich aansporen om de betekenis te zoeken van zodanige leidingen van Gods voorzienigheid, deze moeilijke hoofdstukken bestuderen, teneinde ze vlot en gemakkelijk te kunnen lezen, zal zich opwekken om de rechtmatige, maar benadeelde zaak van de Godsdienst tegenover alle tegenstanders te handhaven. De stoutheid van de aanvallen van de goddelozen tegen de Godsdienst moet de moed en de vastberadenheid van zijn vrienden en voorstanders aanwakkeren. Het is tijd om zich aan te gorden ten strijde als van de poort des legers het geroep uitgaat "Wie is er voor de Heere?" Als de ondeugd stoutmoedig het hoofd opsteekt, dan is het voor de deugd geen tijd om zich uit vrees te verbergen.
b. Om te volharden in de Godsdienst. De rechtvaardige zal, instede van terug te deinzen op het gezicht van dit ontzettend toneel of van stil te staan om te overwegen of hij al of niet zal voortgaan, 2 Samuël 2:23, S met te meer standvastigheid en vastberadenheid zijn weg vervolgen en voorwaarts streven. Hoewel hij in mij voorziet dat hem banden en verdrukkingen aanstaande zijn, acht hij toch op geen ding, Handelingen 20:23, 24, wordt hij er niet door bewogen. Zij, die hun oog gericht houden op de hemel als hun doel, zullen hun voeten houden in de paden van de Godsdienst als hun weg, welke ook de moeilijkheden en ontmoedigingen zijn, die zij er in ontmoeten.
c. Om te die einde toe te nemen in genade. Hij zal niet slechts volharden in zijn weg, maar al sterker en sterker worden, en door het zien van de beproevingen van andere Godvruchtigen en de ervaring van zijn eigene, zal hij krachtiger en meer opgewekt worden in plichtsbetrachting, warmer zijn en meer liefdevol, meer vastberaden en onversaagd, hoe slechter anderen zijn, hoe beter hij zal wezen, wat anderen versaagt zal hem aanmoedigen. De bulderende wind maakt dat de reiziger zich dichter in zijn mantel hult, hem te vaster aansnoert. Zij, die waarlijk wijs en Godvruchtig zijn, zullen gestadig toenemen in wijsheid en Godsvrucht. Vordering in de Godsdienst is een goed teken van oprechtheid erin.