Job 14:7-15
Wij hebben gezien wat Job te zeggen had van het leven, Iaat ons nu zien wat hij te zeggen heeft van de dood, waarbij zijn gedachten, nu hij ziek was en pijn leed, zeer dikwijls verwijlden. Het is, als wij gezond en welvarend zijn, niet ontijdig om aan de dood te denken maar het is een onverschoonlijke gedachteloosheid indien wij, als wij reeds in de bewaring zijn van de boden des doods, hem beschouwen als nog zeer ver af zijnde. Job had reeds aangetoond dat de dood komen zal en dat zijn ure reeds vastgesteld is. Nu toont hij hier:
I. Dat de dood een voor altijd heengaan is van deze wereld. Daar had hij tevoren van gesproken, Hoofdst. 7:9, 10, en nu maakt hij er weer melding van, want hoewel het een waarheid is, die niet bewezen behoeft te worden, is het wel nodig haar veel te overdenken, opdat men er nut en voordeel uit zal trekken.
1. Een mens, neergeveld door de dood, zal niet weer herleven, zoals een boom die men afhouwt weer uitspruit. Sierlijk toont hij aan welke hoop er is voor een boom, vers 7-9. Als het lichaam van de boom afgehouwen wordt en alleen de tronk in de aarde blijft staan, kan hij wel dor en dood schijnen, maar hij zal toch nieuwe loten uitzenden, alsof hij pas geplant was. De vochtigheid van de aarde en de regen des hemels worden, als het ware, door de boomstam geroken en zij hebben de invloed om hem te doen herleven. Maar het dode lichaam van een mens zou ze niet bespeuren, noch er in het minst door aangedaan worden. In Nebukadnezars droom, waarin zijn beroofd worden van zijn verstand aangeduid werd door het neervallen van een boom, wordt het terugkeren van zijn verstandelijke vermogens te kennen gegeven door het laten van de tronk in de aarde "met een ijzeren en koperen band om in de dauw des hemels nat gemaakt te worden," Daniël 4:15. Maar de mens heeft zodanige hoop niet om tot het leven weer te keren. Het plantenleven is goedkoop en gemakkelijk, de reuk van water zal het opwekken, dat is ook in sommige insecten en vogels, het dierenleven, de warmte van de zon zal het herstellen, maar de redelijke ziel, als zij eens uit het lichaam uitgegaan is, is te groot, te edel, om door enigerlei natuurkracht teruggeroepen te worden, zij is bulten het bereik van zon en regen en kan niet hersteld worden dan door de onmiddellijke werkingen van de almacht zelf, want, vers 10 een man sterft als hij verzwakt is en de mens geeft de geest en waar is hij dan? Twee woorden worden hier gebruikt voor man, of mens "gever", een sterk of machtig man, sterft, hoewel hij machtig is, "adam", een mens uit de aarde, omdat hij aards is, geeft de geest. De mens is een stervend schepsel, hij wordt hier beschreven naar hetgeen geschiedt:
a. Vóór de dood. Hij verzwakt, wordt gedurig zwakker, dagelijks stervende, terende op zijn levensvoorraad, die gedurig afneemt, ziekte en ouderdom zijn vernielende zaken voor het vlees, voor de kracht en schoonheid.
b. In de dood. Hij geeft de geest, de ziel verlaat het lichaam en keert weer tot God, die haar gegeven heeft, tot God. de Vader van de geesten.
c. Na de dood. Waar is hij? Hij is niet waar hij was, zijn plaats kent hem niet meer, maar, is hij nergens? Zo lezen het sommigen. En het is iets aangrijpends, iets ontzaglijks te denken waar zij zijn, die de geest hebben gegeven, en waar wij zullen zijn als wij de geest geven. Hij is heengegaan naar de wereld van de geesten, heengegaan naar de eeuwigheid, heengegaan om in deze wereld niet weer te keren.
2. Een mens, in het graf gelegd, zal niet weer opstaan, vers 11, 12. Iedere avond leggen wij ons te slapen, en in de morgen ontwaken wij en staan weer op, maar bij de dood moeten wij neerliggen in het graf om niet meer op te staan, niet meer te ontwaken in zo'n wereld, zo'n toestand, als waarin wij ons nu bevinden, niet te ontwaken of op te staan totdat de hemelen, de getrouwe maten van de tijd, niet meer zijn en bijgevolg de tijd zelf een einde zal nemen en verzwolgen wordt in de eeuwigheid, zodat het leven van de mens gevoegelijk vergeleken kan worden bij de wateren van een overstroming, die zich ver en wijd verspreiden en een grote vertoning maken, maar ondiep zijn en, als zij afgesneden worden van de zee of de rivier, wier zwelling en overvloeiing hen veroorzaakt hebben, zullen zij spoedig vervallen en opdrogen en hun plaats kent hen niet meer. De wateren des levens zijn spoedig verdampt, uitgewasemd, en zij verdwijnen, evenals sommigen van die wateren zinkt het lichaam in de aarde, wordt er door opgezogen, is er in begraven, de ziel, evenals anderen van die wateren, wordt opwaarts getrokken, om zich met de wateren boven het uitspansel te vermengen.
II. Toch zal er een terugkeren van de mens tot het leven zijn in een andere wereld aan het einde van de tijd als de hemelen niet meer zijn. Dan zullen zij opwaken, opgewekt worden uit hun slaap. De opstanding van de doden was ongetwijfeld een artikel van Jobs geloofsbelijdenis, zoals blijkt uit Hoofdst. 19:26 en daarop schijnt hij hier het oog te hebben. In vers 12 en verv. hebben wij op drie dingen te letten.
1. Een nederige bede om een schuilplaats in het graf, vers 13. Het was niet alleen wegens een hartstochtelijk moede zijn van dit leven dat hij wenste te sterven, maar vanwege een vrome verzekerdheid van een beter leven, tot hetwelk hij ten laatste zal opstaan. Och of Gij mij in het graf verstaakt! Het graf is niet slechts een rustplaats, maar ook een schuilplaats voor het volk van God. God heeft de sleutel van het graf, om thans in te laten en bij de opstanding uit te laten. Hij verbergt mensen in het graf zoals wij onze schat in een geheime en veilige plaats verbergen en Hij, die hen verbergt, zal hen wedervinden en geen hunner zal verloren zijn. Och of Gij mij verbergdet, niet alleen voor de stormen en het leed van dit leven, maar ook om mij te bewaren tot de zaligheid en heerlijkheid van een beter leven, laat mij in het graf liggen, bewaard, weggelegd voor de onsterflijkheid, verborgen voor de gehele wereld maar niet voor U, niet voor de ogen, die mijn ongevormden klomp gezien hebben, toen hij zo kunstig gewrocht werd in de nederste delen van de aarde," Psalm 139:15, 16. Laat mij daar liggen:
a. Totdat Uw toorn zich afkeert. Zolang de lichamen van de heiligen in het graf liggen, zolang zijn er nog overblijfselen van die toorn waarvan zij van nature kinderen zijn geweest zo lang zijn zij nog onder de gevolgen, de uitwerkselen van de zonde, maar als het lichaam opgewekt is, dan is de toorn geheel afgekeerd, de dood, de laatste vijand, zal dan geheel teniet gedaan zijn.
b. Totdat de bestemde tijd gekomen is om gedacht te worden, zoals Noach gedacht werd in de ark, Genesis 8:1, waarin God hem verborgen had, niet alleen voor de verwoesting van de oude wereld, maar hem bewaard had voor de herstelling van een nieuwe wereld. De lichamen van de heiligen zullen niet vergeten worden in het graf. Er is een tijd vastgesteld om er onderzoek naar te doen. Wij kunnen er niet zeker van zijn, dat wij door de duisternis van onze tegenwoordige ellende heen kunnen zien op betere dagen in deze wereld, maar als wij goed naar het graf gaan, dan kunnen wij met het oog des geloofs door de duisternis daarvan heenzien, zoals Job hier doet, en betere dagen zien aan de andere kant ervan in een betere wereld.
2. Een heilig besluit om geduldig de wil van God te verbeiden, beide in zijn dood en in zijn opstanding, vers 14. Als een man gestorven is, zal hij weer leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijne verandering komen zou. Jobs vrienden ellendige vertroosters blijkende te zijn, stelde hij er zich te meer toe om zijn eigen vertrooster te wezen, zijn toestand was nu slecht en treurig, maar hij troost zich met de verwachting van een verandering. Ik denk dat dit niet bedoeld kan zijn van zijn terugkeren tot een staat van voorspoed in deze wereld. Zijn vrienden vleiden hem wel met de hoop daarop, maar hij zelf heeft er al die tijd aan gewanhoopt. Vertroostingen, die op iets onzekers gegrond zijn, moeten wel onzekere vertroostingen wezen, en daarom is het ongetwijfeld iets zekerders, waarvan de verwachting hem steunt en staande houdt. De verandering, waarop hij hoopt, moet dus verstaan worden, hetzij:
A. Van de verandering van de opstanding, als ons vernederd lichaam veranderd zal worden, Filipp. 3:21, en een grote, heerlijke verandering zal dat wezen! En dan moet de vraag, Als een man gestorven is, zal hij weer leven? niet als vraag, maar als uitroep van bewondering genomen worden. "Vreemd! Zullen deze dorre beenderen leven! Zo ja, dan zal mijn van het lichaam gescheiden ziel al de tijd, vastgesteld voor de scheiding van lichaam en ziel, wachten totdat die verandering komt en zij weer met het lichaam verenigd zal worden, en dan "zal ook mijn vlees rusten in hope," Psalm 16:9.
B. Of, van de verandering bij de dood. "Als een man gestorven is, zal hij weer leven? Neen, niet zo'n leven als hij nu leeft, en daarom zal ik geduldig wachten totdat die verandering komt, die een einde zal maken aan mijn rampen en mijn ellende, en die tijd niet ongeduldig vooruitlopen of wensen te verhaasten zoals ik dit gewenst heb."
Merk hier op
a. Dat sterven een ernstige zaak is, het is een werk op zichzelf. Het is een verandering, er is een zichtbare verandering in het lichaam, zijn voorkomen ondergaat een verandering, zijn werking houdt op. Maar een nog grotere verandering is het voor de ziel, die het lichaam verlaat en heengaat naar de wereld van de geesten, haar proeftijd eindigt en ingaat tot de staat van vergelding. Deze verandering zal komen, en het is een finale verandering, niet zoals de verandering van de elementen, die tot hun vorige staat terugkeren. Neen, wij moeten sterven, niet om aldus weer te leven. Het is slechts eenmaal dat wij sterven, en wat slechts eenmaal gedaan wordt, moet nodig goed gedaan worden. Een dwaling hierin is noodlottig en niet te herstellen.
b. Dat het dus de plicht is van een ieder van ons om op die verandering te wachten, en al de dagen van de voor ons bestemde tijd te blijven wachten. De tijd des levens is een bestemde tijd, die tijd moet berekend worden bij dagen, en die dagen moeten doorgebracht worden wachtende op onze verandering. Dat is:
Ten eerste. Wij moeten verwachten dat zij zal komen, en er veel aan denken. Ten tweede. Wij moeten wensen dat zij zal komen, als degenen, die verlangen om met Christus te zijn.
Ten derde. Wij moeten gewillig zijn te blijven totdat zij komt, als die geloven dat Gods tijd de beste tijd is.
Ten vierde. Wij moeten ons benaarstigen om bereid te zijn als zij komt, opdat het een gezegende verandering voor ons zij.
3. Een vreugdevolle verwachting van zaligheid en voldoening hierin, vers 15. Dan zult Gij roepen, en ik zal U antwoorden, vers 15. Thans was hij onder zo'n wolk, dat hij niet kon, niet durfde, antwoorden, Hoofdst. 9:15, 35, 13:22, maar hij troost er zich mee dat er een tijd komen zal, als God zal roepen en hij zal antwoorden, dan, dat is:
a. Bij de opstanding, "Gij zult mij uit het graf roepen door de stem des archangels, en ik zal antwoorden en op die roepstem komen." Het lichaam is het werk van Gods handen, en Hij zal er een begeerte toe hebben, daar Hij er heerlijkheid voor bereid heeft. Of,
b. Bij de dood. "Gij zult mijn lichaam roepen naar het graf en mijn ziel tot U, en ik zal antwoorden: ik ben bereid, Heere, ik kom, ik kom, hier ben ik." Godvruchtige mensen kunnen blijmoedig antwoorden op de oproep des doods. Hun geest wordt niet met geweld van hen afgeëist, (zoals Lukas 12:20), maar gewillig door hen overgegeven, de aardse tabernakel wordt niet met geweld neergeworpen, maar gewillig afgelegd, met deze verzekerdheid: Gij zult tot het werk Uwer handen begerig zijn, Gij hebt genade voor mij weggelegd, niet slechts als gemaakt door Uw voorzienigheid, maar als vernieuwd, opnieuw gemaakt door Uw genade. Genade in de ziel is het werk van Gods handen, en daarom zal Hij het niet laten varen in deze wereld, Psalm 138:8, maar zal er naar begerig zijn, om het te voleinden in de andere wereld, en het met eeuwige heerlijkheid te kronen.