Job 13:23-28
I. Job vraagt naar zijn zonden, en bidt dat zij hem ontdekt zullen worden: Hoevele misdaden en zonden heb ik? Wat zijn er de bijzonderheden van? Maak mijn overtreding en mijn zonde mij bekend, vers 23. Zijn vrienden waren maar al te bereid hem te zeggen hoe talrijk en hoe snood zij waren, Hoofdst. 22:5. "Maar, Heere", zegt hij, maat het mij van U bekend worden, want Uw oordeel is naar waarheid, het hunne niet." Dit kan genomen worden, hetzij:
1. Als een hartstochtelijke klacht over harde behandeling, daar hij gestraft was voor zijn fouten, terwijl hem toch niet gezegd was waarin die fouten bestonden. Of:
2. Als een wijs beroep op God van de afkeuringen en bestraffingen van zijn vrienden. Hij begeerde dat al zijn zonden aan het licht gebracht zullen worden, wetende dat zij dan niet zo talrijk zullen blijken te zijn noch zo zwaar als waaraan zijn vrienden hem verdachten schuldig te zijn. Of,
3. Als een vrome bede van dezelfde strekking als die, waarnaar Elihu hem verwees, Hoofdst. 34:32. Wat ik niet zie, leer Gij mij. Een waar boetvaardige wil gaarne het ergste van zichzelf weten, en allen moeten wij begeren te weten wat onze overtredingen zijn, opdat wij nauwkeurig kunnen zijn in het belijden ervan en er in het vervolg op onze hoede tegen kunnen zijn.
II. Hij klaagt er bitterlijk over dat God zich aan hem onttrekt, vers 24. Waarom verbergt Gij Uw aangezicht? Dit moet bedoeld zijn van iets meer dan zijn uitwendige beproevingen, want het verlies van bezitting, van kinderen en gezondheid kan bestaanbaar zijn met Gods liefde, toen hij dat alles verloren had, heeft hij de naam des Heeren geloofd, maar zijn ziel was ook zeer verschrikt, en dat is het, waarover hij hier treurt.
1. Dat de gunsten van de Almachtige hadden opgehouden, God verborg Zijn aangezicht als een vreemde voor hem, was misnoegd op hem, onverschillig voor hem.
2. Dat de verschrikkingen des Almachtigen over hem waren, God hield hem voor Zijn vijand, schoot Zijn pijlen op hem af, Hoofdst. 6:4, stelde hem zich tot een doelwit, Hoofdst. 7:20. De heilige God ontzegt soms Zijn gunst en ontdekt Zijn verschrikkingen aan de besten en dierbaarsten van Zijn heiligen en dienstknechten in deze wereld. Dit komt voor, niet slechts in het teweegbrengen, maar ook in de voortgang van het Goddelijk leven, blijken en bewijzen van de hemel zijn verduisterd, merkbare gemeenschapsoefeningen afgebroken, vrees voor de toorn Gods wordt waargenomen en aan de terugkeer van vertroosting wordt voor het ogenblik gewanhoopt, Psalm 77:8-10, 88:8, 16,17. Dat zijn zware lasten voor een Godvruchtige ziel, die Gods goedertierenheid beter acht dan het leven, Spreuken 18:14. Een verslagen geest, wie zal die opheffen? Door hier te vragen Waarom verbergt Gij Uw aangezicht? Leert Job ons dat het ons, als wij te eniger tijd de bewustheid hebben dat God zich van ons terugtrekt, zeer nodig is te vragen wat er de reden van is, wat de zonde is, waarvoor Hij ons straft, en wat het goede is dat er voor ons mee bedoeld wordt. Jobs lijden was een type van het lijden van Christus, voor wie niet alleen mensen hun aangezicht verborgen, maar ook God het Zijne verborg, getuige de duisternis, die Hem omgaf aan het kruis toen Hij uitriep: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Indien dit nu aan dit groene hout geschiedde, wat zal aan het dorre geschieden? Het zal voor eeuwig worden verlaten. III. Nederig pleit hij bij God op zijn volstrekte onmacht om voor Hem te bestaan, vers 25. "Zult Gij een gedreven blad verbrijzelen, zult Gij een droge stoppel vervolgen? Heere, is het U tot eer iemand te vertreden, die reeds ter aarde is geworpen, iemand te verpletteren, die de macht niet heeft, en ook niet voorgeeft te hebben, om U te weerstaan?" Wij moeten zo'n besef hebben van de goedheid en het mededogen Gods, dat wij geloven dat Hij "het gekrookte riet niet zal verbreken," Mattheus 12:20.
IV. Hij klaagt droevig over Gods strenge handelingen met hem. Hij erkent dat het vanwege zijn zonden was, dat God aldus met hem twistte, maar vindt het hard:
1. Dat zijn vroegere zonden, voorlang bedreven, nu tegen hem gedacht werden, die oude schulden nu in rekening tegen hem werden gebracht, vers 26. Gij schrijft tegen mij bittere dingen. Beproevingen zijn bittere dingen, het schrijven ervan duidt overleg en beslistheid aan geschreven als een bevel om tot de volvoering van de straf over te gaan, het geeft ook de voortduur te kennen van zijn beproeving, want wat geschreven is, blijft, en "hierin doet Gij mij de misdaden mijner jonkheid erven" dat is: Gij straft er mij voor en daarmee brengt Gij ze terug in mijn herinnering en noodzaakt Gij mij om er opnieuw berouw van te hebben. God schrijft soms zeer bittere dingen tegen de besten en dierbaarsten van Zijn heiligen en dienstknechten, zowel in uitwendige beproevingen als in inwendige onrust, in moeite en ellende voor het lichaam en de ziel, ten einde hen te verootmoedigen en op de proef te stellen en hun ten laatste goed te doen. De zonden van de jeugd zijn dikwijls de pijn en smart van de ouderdom, zowel ten opzichte van inwendige smart, Jeremia 31:18, 19, als van uitwendig lijden, Job 20:11. De tijd doet de schuld van de zonde niet uitslijten. Als God bittere dingen tegen ons schrijft, dan is het Zijn bedoeling ons onze ongerechtigheden te doen beërven of bezitten, vergeten zonden in de herinnering te brengen, en ons aldus tot berouw er over te doen komen en er ons van weg te breken, als het ware. Dit is al de vrucht: onze zonde weg te nemen.
2. Dat er op zijn tegenwoordige fouten en dwalingen zo streng gelet wordt en dat zij zo streng worden beoordeeld, vers 27. Gij legt ook mijn voeten in de stok, niet slechts om mij te tuchtigen en aan schande bloot te stellen, niet slechts om te beletten dat ik aan de slagen Uws toorns ontkom, maar om nauwkeurig op al mijn bewegingen te letten, op al mijn paden acht te geven, mij te straffen voor iedere misstap, ja voor een zure blik of een verkeerd woord. Ja Gij drukt U in de wortelen mijner voeten, tekent op alles wat ik verkeerd doe, om met mij er voor af te rekenen, niet zodra heb ik misgestapt, of terstond lijd ik er voor, de straf volgt de zonde op de hielen. Schuld wegens vroegere zonden wordt samen gevoegd met die wegens pas bedreven overtredingen, om tezamen mijn rampen te veroorzaken. Nu was het:
a. Niet waar, dat God aldus iets tegen hem zocht, Hij is niet zo uiterst streng om te letten op wat wij verkeerds doen, indien Hij dit wel ware, wij zouden voor Zijn aangezicht niet kunnen bestaan, Psalm 130:3. Dit is zó verre van Hem, dat Hij volstrekt niet met ons handelt naar dat wij het verdiend hebben, neen, zelfs niet voor onze openbare zonden, "die niet met opgraven gevonden zijn," Jeremia 2:34, niet gevonden zijn door een geheim onderzoek. Dit was dus de taal van Jobs droefgeestigheid, bij sober nadenken heeft hij zich nooit God als een harde Meester voorgesteld. b. Maar wij behoren een streng en waakzaam oog te houden over onszelf zowel tot ontdekking van zonden in het verledene, als om ze te voorkomen in het vervolg. Het is voor ons allen goed de gang onzes voets te wegen.
V. Hij ziet zich onder de zware hand van God wegkwijnen, vers 28. Hij, dat is de mens, veroudert als een verrotting, het beginsel van de verrotting is in hemzelf, en zo verteert en vergaat hij als een kleed, dat de mot opeet en dat al erger en erger wordt. Of wel, Hij, dat is God, verteert mij als verrotting en zoals de mot. Vergelijk dit met Hosea 5:12, "Ik zal Efraïm zijn als een mot en de huize van Juda als een verrotting, " en zie Psalm 39:12 :De mens, op zijn best genomen, verslijt snel maar onder Gods bestraffingen inzonderheid is hij spoedig weg. Daar er zo weinig gezondheid is in de ziel, is het niet te verwonderen dat er zo weinig gezondheid is in het vlees Psalm 38:4.