Job 10:1-7
I. Hier is een hartstochtelijk besluit om in zijn klagen te volharden, vers 1. Ontmoedigd zijnde door het ontzag voor Gods majesteit, zodat hij zijn zaak niet voor Hem kon bepleiten, besluit hij zich enige verlichting te verschaffen, door lucht te geven aan zijn gevoel. Hij begint met een heftig woord: "Mijne ziel is verdrietig over mijn leven, ik ben mijn leven, mijn lichaam moede, verlang met ongeduld om er van bevrijd te worden, het leven mishaagt mij, ik heb er een afkeer van, en ik smacht naar de dood." Door de zwakheid van de genade ging hij in tegen hetgeen de natuur zelf voorschrijft. Wij zouden meer als mannen handelen, indien wij meer als heiligen handelden, geloof en lijdzaamheid zouden ons beletten om het leven moede te zijn (er wreed tegen te zijn, zoals sommigen het lezen), zelfs als de voorzienigheid Gods het zeer moeizaam voor ons gemaakt heeft, want dat zou wezen Gods bestraffing moede te zijn. Job is zijn leven moede, en op geen andere wijze verlichting hebbende, besluit hij te klagen, besluit hij te spreken, hij wil zich niet met geweld het leven benemen, maar aan de bitterheid van zijn ziel wil hij lucht geven door geweldige woorden. Zij, die verliezen lijden, denken verlof te hebben tot spreken, en voor ongebreidelde hartstochten zowel als voor ongebreidelde lusten, denkt men allicht tot verontschuldiging te kunnen aanvoeren, dat men het niet kan helpen, maar waartoe hebben wij anders wijsheid en genade, dan om onze mond met een breidel te bewaren? Hier spreekt Jobs bederf, maar ook de genade spreekt een woord.
1. Hij wil klagen, maar hij zal zijn klacht op zich laten. Hij wil God niet aanklagen, Hem niet van ongerechtigheid of onvriendelijkheid beschuldigen, maar schoon hij niet in het bijzonder de grond kent van Gods twist met hem, noch de oorzaak van Zijn handelen, zal hij toch in het algemeen onderstellen, dat die oorzaak in hemzelf ligt, en dus wil hij gaarne al de schuld op zich nemen.
2. Hij wil spreken, maar het zal de bitterheid van zijn ziel zijn, waaraan hij uitdrukking geeft, niet zijn bepaald oordeel. Indien ik kwalijk spreek, ik ben het niet, maar de zonde die in mij woont, niet mijn, maar haar bitterheid is het.
II. Een nederige bede tot God. Hij wil spreken, maar het eerste woord zal een gebed wezen, en, zoals ik het gaarne versta, is het een goed gebed, vers 2.
1. Dat hij verlost mocht worden van de prikkel van zijn beproeving, welke is: zonde. " Verdoem mij niet, scheid mij niet voor eeuwig van U af. Ik lig onder het kruis, maar laat mij toch niet onder de vloek liggen, hoewel ik lijd onder de roede eens Vaders, zo laat mij toch niet gedood worden door het zwaard eens Rechters. Gij tuchtigt mij, ik zal dit dragen zo goed als ik kan, maar ach, verdoem mij niet !" Het is de troost van hen, die in Christus Jezus zijn, dat er, hoewel zij beproefd worden, "geen verdoemenis is" voor hen, Romeinen 8:1. Ja meer: zij worden "van de Heere getuchtigd, opdat zij met de wereld niet zouden veroordeeld worden," 1 Corinthiers 11:32. Dit is het dus, dat wij, als wij in beproeving zijn, boven alles hebben af te bidden: "Hoe het U ook moge behagen met mij te handelen, Heere, verdoem mij niet, mijn vrienden verdoemen mij, maar ach, Heere! verdoem Gij mij niet."
2. Dat hij bekend gemaakt mocht worden met de ware oorzaak van zijn beproeving, en ook deze bestaat in zonde: Heere, doe mij weten waarover Gij met mij twist. Als God ons beproeft, dan twist Hij met ons, als Hij met ons twist, dan is daar altijd een reden voor. Hij is nooit toornig zonder oorzaak, ofschoon wij dit wel zijn, en het is wenselijk om te weten wat die reden is, opdat wij van de zonde, om welke God een twist met ons heeft, aflaten, er ons van bekeren, en laat bij het vragen er naar de consciëntie verlof hebben om haar ambt te vervullen, en getrouwelijk met ons te handelen, zoals in Genesis 42:21.
III. Een gemelijk spreken met God betreffende Zijn handelingen met hem. Nu voorwaar, spreekt hij in de bitterheid van zijn ziel, en niet zonder enige boze aanmerkingen op de gerechtigheid van zijn God.
1. Hij denkt dat het van de goedheid van God en van de barmhartigheid van Zijn natuur niet betaamt, om zo hard te handelen met Zijn schepsel, de mens, door hem meer op te leggen dan hij dragen kan, vers 3. Is het U goed, dat Gij verdekt? Neen, gewis niet, wat Hij afkeurt in mensen, Klaagliederen 3:34-36, zal Hij zelf niet doen. "Heere, in Uw handelingen met mij schijnt Gij Uw onderdaan te verdrukken, Uw eigen maaksel te verachten, en Uw vijanden te steunen. Welaan, Heere, wat is de betekenis, de bedoeling, hiervan? Dit kan toch geen genoegen, geen eer voor U zijn waarom handelt Gij dan aldus met mij? Wat gewin is er in mijn bloed?" Verre zij het van Job te denken dat God hem onrecht deed, maar hij weet niet hoe de beschikkingen van Gods voorzienigheid overeen te brengen met Zijn gerechtigheid, een raadsel, waar Godvruchtige mensen dikwijls voor gestaan hebben en hebben moeten wachten totdat de grote dag het hun verklaren zal. Laat ons dan nu geen harde gedachten koesteren van God, want wij zullen dan zien, dat er geen reden voor was.
2. Hij denkt dat het aan de oneindige kennis van God niet betaamt, Zijn gevangene aldus op de pijnbank te leggen, om hem, als het ware, door foltering een bekentenis te ontwringen, vers 4-6.
A. Hij houdt er zich van overtuigd, dat God de dingen niet ontdekt, of er over oordeelt zoals de mensen, Hij heeft geen vleselijke ogen, vers 4, want Hij is een geest. Vleselijke ogen kunnen in duisternis niet zien, maar de duisternis verbergt niets voor God. Vleselijke ogen zijn slechts aan een plaats op een tijd, en kunnen slechts weinig voor zich uitzien, m aar de ogen des Heren zijn aan alle plaatsen, doorlopen de gehele aarde. Vele dingen zijn verborgen voor vleselijke ogen, zelfs voor de scherpstzienden: Er is een pad, dat het oog van de kraai niet heeft gezien, maar niets is verborgen voor het oog van God, voor wie alle dingen naakt en geopend zijn. Vleselijke ogen zien slechts het uitwendige, en kunnen bedrogen worden door "een deceptio visus-een illusie van de zinnen," een zinsbegoocheling, maar God ziet alle dingen zoals zij zijn, Zijn gezichtsvermogen kan niet misleid worden, want Hij beproeft het hart, en is een getuige van de gedachten en bedoelingen ervan. Vleselijke ogen ontdekken de dingen langzamerhand, trapsgewijze, en als wij het gezicht van het een winnen, verliezen wij het gezicht van het andere, maar God ziet alles tegelijk. Vleselijke ogen zijn spoedig moede, moeten zich elke nacht sluiten, teneinde weer verfrist te worden, en weldra worden zij verduisterd door ouderdom, en gesloten door de dood, maar de Bewaarder Israëls sluimert noch slaapt, en Zijn gezichtsvermogen neemt nooit af. God ziet niet zoals de mens ziet, dat is: Hij oordeelt niet, zoals de mens oordeelt op zijn best "secundum allegata et probata-naar hetgeen beweerd en bewezen is," veeleer naar de zaak schijnt dan naar de zaak is, en maar al te dikwijls naar zijn genegenheden en hartstochten, zijn vooroordelen en zijn belang hem leiden, maar wij zijn er zeker van, dat God naar waarheid oordeelt, en dat Hij de waarheid kent, niet door inlichting van anderen, maar door Zijn eigen aanschouwing. De mensen ontdekken verborgen dingen door onderzoek en door het verhoor van getuigen, door het vergelijken van getuigenissen maken zij gissingen en door overreding of dwang trachten zij aan de betrokken partijen bekentenissen te ontlokken. Maar God heeft deze middelen om de waarheid te ontdekken niet nodig, Hij ziet niet zoals de mens ziet.
B. Hij is er zeker van dat God, gelijk Hij niet zoals de mens kortzichtig is, ook niet evenals hij kort van dagen is, vers 5. "Zijn Uwe dagen als de dagen van een mens, weinig en kwaad? Zijn zij onderhevig aan verandering, zoals die van de mens? Geenszins." De mensen worden wijzer door ervaring, en door dagelijkse waarneming doen zij meer kennis op, bij hen is waarheid de dochter van de tijd, en daarom moeten zij de tijd nemen voor hun onderzoek, en zo de ene proefneming faalt, moeten zij een andere in het werk stellen. Maar zo is het niet met God, voor Hem is niets verleden, niets toekomend, maar alles tegenwoordig. De dagen van de tijd, naar welke het leven van de mens afgemeten wordt zijn als niets voor de dagen van de eeuwigheid van God.
C. Daarom vindt hij het vreemd dat God aldus zijn marteling laat voortduren, hem onder de gevangenschap van zijn beproeving laat blijven hem niet tot rust en verademing laat komen alsof Hij de tijd moet nemen om onderzoek te doen naar zijn ongerechtigheid, en middelen moet aanwenden om naar zijn zonde te vernemen, vers 6. Niet alsof Job dacht dat God hem aldus pijnigde om gelegenheid tegen hem te vinden, maar Zijn handelingen met hem hadden daar de schijn van, hetgeen een oneer was voor God, en de mensen in verzoeking zou kunnen brengen om te denken dat Hij een harde meester is. "Welnu, Heere indien Gij niet te rade wilt gaan met mijn geluk en welzijn, zo ga te rade met Uw eigen eer, doe iets voor de eer van Uw naam, en werp de troon Uwer heerlijkheid niet neer," Jeremia 14:21.
3. Hij denkt dat het de schijn heeft van een misbruik maken van Zijn almacht, om een arme gevangene zolang opgesloten te houden, die Hij toch wist onschuldig te zijn, alleen maar omdat er niemand is, die hem uit Zijn hand kan verlossen, vers 7. Het is in Uwe wetenschap, dat ik niet goddeloos ben. Hij had zich reeds als zondaar bekend, erkend schuldig te zijn voor God, maar hier blijft hij er bij dat hij niet goddeloos is, zich niet aan de zonde heeft gewijd, geen vijand is van God, geen geveinsde in zijn Godsdienst, dat hij "niet goddelooslijk van zijn God is afgegaan," Psalm 18:22. "Nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse, en daarom is het niet te verhelpen, ik moet tevreden wezen om daar neer te liggen, wachtende op Uw tijd, mij overgevende aan Uw genade, in onderworpenheid aan Uw vrijmachtige wil." Zie hier:
a. Wat ons tot kalmte moet brengen onder onze rampen, namelijk dat het nutteloos is om met de Almacht te strijden.
b. Wat ons grotelijks zal vertroosten, als wij instaat zijn om, evenals Job hier, tot God te zeggen: Heere, het is in Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben. Ik kan niet zeggen dat ik niet in veel tekort kom, of dat ik niet zwak ben, maar door genade kan ik wel zeggen: ik ben niet goddeloos, Gij weet dat ik dat niet ben, want Gij weet dat ik U liefheb.