Job 10:14-22
Hier hebben wij:
I. Jobs hartstochtelijke klachten. Die wanluidende snaar roert hij telkens opnieuw aan, waaromtrent hij niet gerechtvaardigd, maar wèl verontschuldigd kan worden. Hij klaagde niet voor niets, zoals de murmurerende Israëlieten, neen, hij had reden tot klagen. Als wij vinden dat het verkeerd van hem was en hem geheel niet voegde, zo laat het ons een waarschuwing zijn om in een betere gemoedsstemming te blijven, en ook onder zwaar lijden geduld en kalmte van geest te houden.
1. Hij. klaagt over het harde van Gods oordeel en de strengheid van Zijn handelingen met hem, en zou het wel "summum jus-het hoogste recht," (dat echter grenst aan onrecht), willen noemen. Hij klaagt:
A. Dat Hij alle voordelen tegen hem aanwendt: "Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, vers 14, als ik slechts een misstap doe, een verkeerd woord zeg, een ontevreden uitdrukking zou hebben op mijn gelaat, dan kan ik er zeker van zijn, dat ik ervan horen zal. Mijn geweten, Uw vertegenwoordiger zal er mij verwijten over doen, en mij zeggen dat deze smart, die kwelling, de straf is voor die verkeerdheid, deze zonde." Indien God aldus de ongerechtigheden zou gadeslaan, wij waren allen verloren, maar Hij slaat ze niet aldus gade, hoewel wij zondigen, gaat Hij toch niet met de uiterste strengheid tegen ons te werk.
B. Dat Hij van die voordelen tegen hem ten uiterste gebruik maakt, van mijn misdaad zult gij mij niet onschuldig houden. Terwijl zijn ellende aanhield, kon hij de troost niet smaken van zijn vergeving, kon hij de stem dier vreugde en blijdschap niet horen, zó moeilijk is het liefde te zien in Gods hart, als wij donkere, dreigende blikken ontwaren in Zijn oog, en een roede zien in Zijn hand.
C. Dat, hoedanig zijn karakter ook moge wezen, zijn tegenwoordige toestand uiterst treurig is vers 15.
a. Zo hij goddeloos is, dan voorzeker zal hij in de andere wereld verloren zijn: zo ik goddeloos ben, wee mij! Een zondige toestand is een toestand van wee en ellende. Evenals Job hier, moet ieder van ons dit geloven met toepassing op zichzelf. "Ben ik goddeloos, schoon ik voorspoed heb en in weelde leef wee mij." Sommigen hebben zeer bijzonder voor een dubbel wee te vrezen, als zij goddeloos zijn, "ik die kennis heb, in sterke bewoordingen de Godsdienst heb beleden, dikwijls onder krachtige overtuiging van zonde geweest ben, en zoveel schone beloften heb gedaan, ik, die uit zo Godvruchtige ouders ben geboren, met zo'n goede opvoeding werd bevoorrecht, in zo'n Godvruchtig gezin heb geleefd en gedurende zo lange tijd de middelen van de genade heb kunnen genieten, wee mij, ja duizend maal wee mij, zo ik goddeloos ben."
b. Zo hij rechtvaardig is, durft hij toch zijn hoofd niet opheffen, niet antwoorden zoals tevoren, Hoofdst. 9:15. Hij is zo gedrukt en overstelpt door zijn ellende, dat hij niet instaat is met vertroosting of vertrouwen op te zien. Van buiten was strijd, van binnen was vrees, zodat hij onder die beide zat was van schande. Hij was beschaamd om de oneer, waartoe hij gekomen was, en onder de afkeuring van zijn vrienden, beschaamd in zijn gemoed, hij was gejaagd en twijfelmoedig, schier buiten zichzelf, Psalm 88:15. 2. Hij klaagt over de strengheid van de straf. God (dacht hij) heeft hem niet slechts voor iedere feil gestraft, maar straft hem uiterst streng, vers 16, 17. Zijn beproeving was:
a. Smartelijk, smartelijk in de hoogste mate. God joeg hem als een leeuw, zoals een felle leeuw zijn prooi. God was niet alleen vreemd jegens hem, maar stelde zich wonderlijk tegen hem, door hem in geheel ongewone ellende te brengen, en hem aldus voor velen tot een wonder te maken. Allen verwonderden zich er over, dat God zoveel leed oplegde, en dat Job zoveel leed kon dragen. Het smartelijkste in zijn beproevingen was dat hij er Gods toorn in gevoelde, die was het, welke ze zo bitter deed smaken en zo zwaar deed drukken. Zij waren Gods getuigen tegen hem, tekenen van Zijn misnoegen, daardoor werden de zweren van zijn lichaam wonden voor zijn geest.
b. Toenemend, zij werd al erger en erger. Daar legt hij de nadruk op, als hij hoopte dat het getij zou verlopen en de eb zou aanvangen, dan rees de vloed al hoger en hoger. Zijn beproeving nam toe, en in de beproeving Gods toorn. Hij vond zich in geen enkel opzicht beter. Deze getuigen tegen hem werden vernieuwd, opdat, zo de een faalde om hem tot overtuiging te brengen, een ander het zou beproeven. Verwisselingen, ja een heirleger zijn tegen hem. Was er een verandering voor hem, het was geen verbetering, nog altijd was hij als in oorlogstoestand gehouden. Zolang wij hier in deze wereld zijn, moeten wij verwachten dat na de regen de wolken zullen weerkeren, en de zwaarste, scherpste beproevingen worden misschien bewaard voor het laatst. God voerde krijg tegen hem, en dat was wel een grote verwisseling of verandering. Hij placht zo niet tegen hem op te treden en dit verzwaarde het lijden, maakte het wonderlijk. Gewoonlijk betoont God zich vriendelijk jegens Zijn volk als Hij zich te eniger tijd anders betoont, dan is dit Zijn vreemd werk, Zijn vreemd handelen, maar Hij doet het om zich wonderlijk te tonen voor Zijn volk.
3. Hij klaagt over zijn leven, dat hij geboren was voor al die ellende, vers 18, 19. "Indien dit mijn lot moest wezen, waarom werd ik uit de baarmoeder voortgebracht, niet in de geboorte gesmoord?" Dat was de taal van zijn hartstocht, en het was een terugvallen in zijn vorige zonde. Zoëven had hij het leven een gunst genoemd, vers 12, nu noemt hij het een last, en twist met God, omdat Hij het hem gegeven heeft of liever, het hem opgelegd heeft. Ds. Caryl vat dit op ten gunste van Job. "Wij kunnen in de liefde veronderstellen", zegt hij, dat hetgeen Job beroerde, hierin bestond, dat hij in een levenstoestand was, die, naar hij meende, het voorname doel des levens voor hem in de weg stond, namelijk God te verheerlijken. Zijn harp was aan de wilgen gehangen en hij was geheel ontstemd voor het loven van God. Ja hij vreesde dat zijn lijden oneer zou brengen aan God, Zijn vijanden oorzaak zou geven om Hem te lasteren, en daarom zucht hij: Och dat ik de geest gegeven hadde! Een Godvruchtig mens acht dat hij doelloos leeft, als hij niet leeft tot lof en heerlijkheid van God." Maar, indien dit zijn mening is, dan berust zij op een vergissing, want wij kunnen de Heere eren in gevaren. Maar wij kunnen er dit gebruik van maken om geen al te grote liefde te hebben voor het leven, daar het van zodanige aard is, dat zelfs wijze en Godvruchtige mensen er soms over geklaagd hebben. Waarom zouden wij vrezen de geest te geven, of begeren door mensen gezien te worden, als toch de tijd kan komen wanneer wij bereid zijn te wensen dat wij de geest hadden gegeven en geen oog ons gezien had? Waarom zouden wij overmatig treuren over de dood van onze kinderen in hun vroege jeugd, die zijn alsof zij niet geweest waren, en van de baarmoeder naar het graf gebracht zijn, als wij toch soms kunnen wensen dat dit ons eigen lot geweest ware?
II. Jobs nederige beden. Hij bidt: 1. Dat God zijn ellende zal aanzien, vers 15 kennis zal nemen van zijn toestand, hem medelijden zal betonen. Zo bidt ook David: "Aanzie mijn ellende en mijn moeite" Psalm 25:18. Zo moeten wij ons in onze ellende tot God wenden, en ons hiermede troosten dat Hij onze ziel in benauwdheden gekend heeft.
2. Dat God hem enige verlichting mocht schenken. Als zijn ellende niet geheel weggenomen kan worden, zou hij dan toch niet een verpozing ervan kunnen hebben? "Heere, laat mij niet altijd op de pijnbank, niet altijd in de uiterste nood. Houd op, laat van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke! vers 20. Schenk mij een weinig verademing, enige ogenblikken van verkwikking." Dit zou hij als een grote gunst beschouwen. Zij, die niet recht denkbaar zijn voor een voortdurenden toestand van welvaren, moeten eens bedenken hoe welkom een enkel uur van rust en welzijn zou wezen, als zij in voortdurende pijn en smart waren. Twee dingen voert hij aan.
a. Dat het leven en het licht des levens zeer kort zijn. Zijn mijn dagen niet weinig? vers 20. Ja gewis, zij zijn zeer weinig, Heere, laat hen niet alle kwaad zijn, niet alle uiterst ellendig wezen. Ik heb slechts weinig tijd te leven, laat er mij, zolang het duurt, enig genot in smaken. Deze bede richt zich tot de goedheid van Gods aard waaraan te denken zeer troostrijk is voor hen die bedrukt zijn van gemoed. En zo wij dit willen gebruiken als een pleitgrond bij God om genade: Zijn mijn dagen niet weinig? Heere ontferm u mijner, dan moeten wij het ook gebruiken als een pleitgrond bij onszelf, om ons aan te sporen tot onze plicht. Zijn mijn dagen niet weinig? Dan is het zaak voor mij om de tijd uit te kopen, de gelegenheden te gebruiken, met al mijn macht te doen wat mijn hand vindt om te doen, teneinde gereed te zijn voor de dagen van de eeuwigheid, die veel zullen wezen.
b. Dat de dood en zijn duisternis zeer nabij waren, en zeer langdurig zullen zijn vers 21, 22. "Heere, schenk mij enige verlichting eer ik sterf", dat is: "opdat ik niet sterf van pijn." Zo pleit David "Verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape," Psalm 13:4, en dan zal het te laat zijn om verlichting te verwachten, want "zult Gij wonder doen aan de doden?" Psalm 88:11. Laat mij een weinig troost smaken eer ik sterf, opdat ik met kalmte afscheid zal kunnen nemen van deze wereld, en niet in zo'n verwarring, als waarin ik nu ben. Zo vurig moeten wij genade begeren, en zo moeten wij bidden: "Heere, vernieuw mij naar de inwendige mens, Heere, heilig mij eer ik sterf, want anders zal ik nooit geheiligd worden."
Zie, hoe hij hier spreekt van de staat van de doden.
A. Het is een bepaalde, vaste staat, vanwaar wij nooit terug zullen keren, om nogmaals zo'n leven te leiden, als wij nu leiden, Hoofdst. 7:10. Bij de dood moeten wij een laatst vaarwel zeggen aan deze wereld. Het lichaam moet dan neergelegd worden waar het lang zal blijven liggen, en de ziel verwezen worden naar de staat, waarin zij voor eeuwig moet blijven. Datgene moet goed gedaan worden, hetwelk slechts eenmaal gedaan wordt en gedaan wordt voor de eeuwigheid.
B. Het is een zeer treurige staat, zo schijnt hij ons toe. Heilige zielen gaan bij de dood naar een land van licht, waar geen dood is, maar hun lichaam laten zij in een land van duisternis en van de schaduw des doods. Hij hoopt hier allerlei uitdrukkingen op elkaar, die alle dezelfde strekking hebben, om aan te duiden dat hij een even grote afschrik heeft van de dood en het graf als andere mensen natuurlijkerwijze hebben, zodat het slechts de grote ellende was, waarin hij zich bevond, die er hem naar deed verlangen. Kom, en laat ons eens even in het graf zien, en wij zullen bevinden: Ten eerste. Dat daar geen orde is, het is zonder ordeningen, er heerst een bestendige nacht, zonder door de dag gevolgd te worden. Allen liggen daar gelijk, er is geen onderscheid tussen de vorst en de boer, maar de knecht is daar vrij van zijn heer, Hoofdst. 3:19. Geen orde wordt in acht genomen bij het heenbrengen van de mensen naar het graf, niet eerst de oudste niet de rijkste, niet de armste, en toch iedereen naar zijn orde, de orde door de God des levens gesteld.
Ten tweede. Dat daar geen licht is. In het graf heerst dikke duisternis, een duisternis, die wel niet gevoeld kan worden, maar toch door hen, die het licht des levens genieten wordt gevreesd. In het graf is geen kennis geen lieflijkheid, geen blijdschap, geen loven van God, geen werken van onze eigen zaligheid, en daarom geen licht. Job schaamde er zich zo voor, dat anderen zijn zweren zouden zien, en was zo bevreesd ze zelf te zien, dat hem de duisternis van het graf, die ze zou verbergen en ze door elkaar zou werpen dieswege welkom zou zijn. De duisternis komt over ons, zo laat ons dan werken en wandelen in het licht, terwijl het nog bij ons is. Het graf een land van duisternis zijnde, is het goed dat onze ogen gesloten zijn, als wij er heengebracht worden, want zo is het ons volkomen gelijk. Het graf is een land van duisternis voor de mens, onze vrienden, die derwaarts zijn heengegaan, achten wij in duisternis te zijn Psalm 88:18.. Maar dat het dit niet is voor God, zal hieruit blijken, dat er van het stof van de lichamen van de heiligen, hoewel het verstrooid is en vermengd met ander stof, niets teloor zal gaan, op ieder deeltje ervan is Gods oog, en in de grote dag zal het tevoorschijn komen.