Handelingen 4:15-22
Wij hebben hier den uitslag van het verhoor dat Petrus en Johannes voor den raad ondergingen. Zij zijn er nu met ere afgekomen, omdat zij trapsgewijze tot lijden moeten bereid worden, en door de kleinere beproevingen voorbereid moeten worden op de grotere. Thans lopen zij nog met voetgangers, later zullen zij zich hebben te mengen met de paarden, Jeremia 12, 5.
I. Hier is de beraadslaging en het besluit van het hof omtrent deze zaak en de maatregelen door hen genomen.
1. Den gevangenen werd gelast buiten te staan, vers 15. Zij geboden hun uit te gaan buiten den raad, daar zij wel gaarne van hen ontslagen willen wezen (zij spraken zo op den man af en tot hun geweten) en niet wensende, dat zij de bekentenis zouden horen, die hun afgedwongen was, maar, hoewel zij haar niet mochten horen, is zij hier toch voor ons te boek gesteld. De plannen van Christus' vijanden worden in het geheim beraamd, en zij graven diep, alsof zij hun raadslagen voor den Heere zouden willen verbergen.
2. Er werd nu ene bespreking van de zaak gehouden: zij overlegden met elkaar, ieder wordt verzocht zijne mening vrij uit te zeggen, en zijn advies te geven in deze gewichtige aangelegenheid. Nu werd de Schrift vervuld, dat de oversten te zamen beraadslagen tegen den Heere en tegen Zijn gezalfde, Psalm 2:2. De vraag was: Wat zullen wij dezen mensen doen? vers 16. Indien zij zich hadden willen onderwerpen aan de overtuigende, gebiedende kracht der waarheid, het zou gemakkelijk zijn geweest te zeggen, wat zij dezen mensen doen moeten. Zij zouden hen aan het hoofd van hun raad moeten stellen, hun leer hebben moeten aannemen, en zich door hen moeten laten dopen in den naam van den Heere Jezus, en zich bij hun gemeenschap hebben moeten voegen. Maar als de mensen niet bewogen willen worden om te doen, wat zij behoren te doen, dan is het niet te verwonderen, dat zij zo dikwijls niet weten wat te doen. De waarheid van Christus zou de mensen, indien zij haar slechts wilden ontvangen, zoals zij moesten, generlei last of onrust bezorgen, maar, als zij haar in ongerechtigheid ten onder houden, Romeinen 1:18, dan zullen zij haar een lastigen steen vinden te zijn, waarmee zij niet weten wat te doen. Zacheria 12:3.
3. Zij kwamen eindelijk tot een besluit ten opzichte van twee zaken.
A. Dat het niet veilig was de apostelen te straffen voor hetgeen zij gedaan hadden. Zeer gaarne zouden zij hen gestraft hebben, maar zij durfden niet, omdat het volk hun zaak omhelsd had en het wonder roemde, en zij hadden thans evenveel ontzag voor het volk als te voren, toen zij de handen niet durfden te slaan aan Christus uit vrees voor het volk. Hieruit blijkt, dat het geschreeuw der volksmenigte tegen onzen Zaligmaker niet natuurlijk was, maar door ophitsing ontstond, en nu keerde de stroom in zijne vorige bedding terug. Nu konden zij niets verzinnen als reden, of schijnreden, om Petrus en Johannes te straffen vanwege het volk. Zij wisten dat het onrechtvaardig zou zijn hen te straffen, en dus hadden zij er door de vreze Gods van teruggehouden moeten worden, maar zij beschouwden het slechts als gevaarlijk, en daarom heeft alleen de vrees voor het volk hen er van teruggehouden. Het volk was overtuigd van de waarheid van het wonder, het was een bekend wonder -gnooston sêmeion. Het was bekend, dat zij het gedaan hadden in den naam van Christus, en dat Christus zelf gelijke wonderen had gedaan. Dit was een bekend voorbeeld van de macht van Christus, en een bewijs Zijner leer. Dat het een groot wonder was, gewrocht ter bevestiging van de leer, die zij predikten (want het was een teken) was openbaar voor allen, die te Jeruzalem wonen, het was ene mening, die bij iedereen ingang had gevonden, en daar het wonder bij de poort des tempels was geschied, werd er algemeen kennis van genomen. Zij zelven met al hun listigheid en al hun onbeschaamdheid, konden niet loochenen, dat het een waar wonder was. De bewijzen van het Evangelie waren onloochenbaar. Zij gingen verder. Zij waren niet slechts overtuigd van de waarheid van het wonder, maar zij verheerlijkten God over hetgeen er geschied was. Zelfs zij, die er niet door bewogen werden om in Christus te geloven, waren er zo door getroffen, als ene barmhartigheid jegens een armen mens en ene ere voor hun land, dat zij niet anders konden, dan er lof voor toe te brengen aan God, zelfs de natuurlijke Godsdienst leerde hun dit. En indien de priesters Petrus en Johannes hadden gestraft wegens ene daad, waarvoor allen God verheerlijkten, dan zouden zij al hun invloed op het volk verloren hebben, en men zou hen hebben verzaakt als vijanden van God en mensen. Daarom zal hun grimmigheid Gode loffelijk maken, en het overblijfsel der grimmigheden zal Hij opbinden.
B. Dat het echter noodzakelijk was hun voor het vervolg het zwijgen op te leggen, vers 17, 18. Zij konden niet bewijzen, dat zij iets verkeerds gezegd of gedaan hadden, en toch mogen zij niet meer zeggen wat zij gezegd, en niet meer doen wat zij gedaan hadden. Al hun zorge gaat daarover, dat de leer van Christus niet meer en meer onder het volk verspreid worde, alsof die geneesinrichting het begin was ener pestilentie, waarvan de besmetting tegengegaan moest worden. Zie hoe de boosaardigheid der hel strijdt tegen de raadsbesluiten des hemels. God wil, dat de kennis van Christus over geheel de wereld verspreid zal worden, maar de overpriesters willen, dat zij niet verspreid zal worden, waarover Hij, die in den hemel zit, lacht. Om nu de verdere verspreiding dezer leer tegen te gaan, gebieden zij den apostelen haar nooit meer te prediken. Door hun gezag (waaraan, zij denken, dat ieder Israëliet verplicht is zich te onderwerpen), wordt vastgesteld, dat niemand zou spreken noch leren in den naam van Jezus, vers 18. Wij bevinden niet, dat zij hun enigerlei reden hebben gegeven, waarom de leer van Christus verboden moet worden. Zij kunnen niet zeggen, dat zij vals, of gevaarlijk is, of van ene verkeerde strekking, en zij schamen zich om er de ware reden van op te geven, nl. dat zij getuigde tegen hun geveinsdheid en boosheid, en indruiste tegen hun tirannie. Maar, Stat pro ratione voluntas -Zij kunnen gene andere reden opgeven dan hun wil. "Wij gebieden u ten stelligste en ten strengste, niet alleen, dat gij deze leer niet in het openbaar zult prediken, maar dat gij voort- aan tot niemand spreekt in dezen naam, zelfs niet in het bijzonder", vers 17. Er wordt geen groter dienst bewezen aan het rijk des duivels dan door de getrouwe predikers en leraren tot zwijgen te brengen, en diegenen onder ene korenmaat te zetten, die de lichten der wereld zijn. Zij dreigen hen, dreigen hen scherpelijk, als zij dit doen, doen zij het op hun eigen gevaar en risico. Het hof zal zich ten hoogste beledigd achten, indien zij het doen, en dan zullen zij onder deszelfs misnoegen vallen. Christus had hun niet slechts geboden het Evangelie te prediken aan alle creaturen, maar hun beloofd hen er in te steunen en door te helpen, en er hen voor te belonen. Nu verbieden deze priesters de prediking van het Evangelie niet slechts, maar dreigen die prediking te zullen straffen als ene goddeloze misdaad, maar zij. die Christus' belofte naar waarde weten te schatten, weten ook de dreigementen der wereld te verachten, naar zij het verdienen, al zijn die dreigementen dan ook "een blazen van moord", Hoofdstuk 9:1.
II. Wij hebben hier het kloekmoedige besluit van de gevangenen, om voort te gaan met hun werk, en hun uitspreken van dit besluit, vers 19, 20. Petrus en Johannes hadden het niet nodig samen te overleggen, om elkanders gevoelen te kennen (want beiden werden zij door een en dezelfden Geest geleid), maar terstond hebben zij hetzelfde gevoelen, en geven te zamen hun antwoord: "Wij beroepen ons op u zelven, of het recht is voor God, aan wie gij, zowel als wij, verantwoording zult hebben af te leggen, ulieden meer te horen dan God, oordeelt zelven. Want wij kunnen niet laten te spreken, tot iedereen, hetgeen wij gezien en gehoord hebben, waarvan wij gans vervuld zijn, en dat ons bevolen is te verkondigen". De voorzichtigheid der slang zou hen er toe geleid hebben te zwijgen, en hoewel zij niet in gemoede konden beloven, dat zij het Evangelie niet meer zouden prediken, behoefden zij den oversten niet te zeggen dat zij het wèl zouden doen. Maar de stoutmoedigheid van den leeuw leidde hen er toe om beide het gezag en de boosaardigheid hunner vervolgers te trotseren. Zij zeggen hun, dat zij besloten zijn voort te gaan met hun prediking en rechtvaardigen er zich in door twee zaken:
1. Het gebod van God: "Gij beveelt ons het Evangelie niet te prediken, Hij heeft ons geboden het te prediken, Hij heeft het ons toebetrouwd, van ons eisende op onze trouw, om het getrouwelijk uit te delen. Wie moeten wij nu gehoorzamen, God of ulieden?" Hier beroepen zij zich op ene van de communes notitiæ -een erkend grondbeginsel -in de wet der natuur, dat zo geboden van mensen in strijd zijn met Gods geboden, de geboden van God de overhand moeten hebben. Het is een regel in de rijkswet van Engeland, dat, zo er ene wet gemaakt wordt, die in strijd is met de wet van God, zij van nul en gener waarde is. Niets kan ongerijmder wezen dan meer te horen naar zwakke, feilbare mensen, die onze medeschepselen en mede-onderdanen zijn, dan God, die oneindig wijs en heilig is, onze Schepper en Opperheer is, de Rechter, aan wie wij ons hebben te verantwoorden. De zaak is zo duidelijk, zo onbetwistbaar en als van zelf sprekend, dat wij het wagen om het aan u over te laten er over te oordelen, hoewel gij bevooroordeeld zijt. Acht gij dat het recht is voor God een Goddelijk gebod te overtreden om te gehoorzamen aan een bevel van mensen? Datgene is waarlijk recht, dat recht is voor God, want wij zijn er zeker van, dat Zijn oordeel overeenkomstig de waarheid is, en daarom moeten wij ons daarnaar laten regeren.
2. De overtuiging van hun geweten. Zelfs indien zij niet zulk een onmiddellijk bevel van den hemel hadden om de leer van Christus te prediken, zouden zij toch niet kunnen nalaten te spreken, in het openbaar te spreken, hetgeen zij gezien en gehoord hadden. Evenals Elihu waren zij der woorden vol, gans vervuld van deze zaak, zij moeten spreken, opdat zij lucht krijgen, Job 32:18, 20. Zij ontwaarden er den invloed van op hen zelven. Welk ene gezegende verandering heeft zij in hen teweeggebracht! Zij waren er in ene nieuwe wereld door gekomen, en daarom konden zij niet nalaten er van te spreken, en diegenen spreken het best over de leer van Christus, die er zelf de kracht van hebben gevoeld, er het zoete van hebben gesmaakt, er zelf diep door zijn getroffen, zij is in hun hart als een brandend vuur besloten in hun beenderen, Jeremia 20:9. Zij kenden er het gewicht en belang van voor anderen. Zij zien met bekommering op de zielen, die omkomen, en weten, dat zij het eeuwig verderf niet kunnen ontkomen dan door Jezus Christus, en daarom willen zij hen getrouwelijk waarschuwen, en hun den rechten weg tonen. Het is hetgeen wij gezien en gehoord hebben, en waarvan wij dus zelven volkomen verzekerd zijn, het is hetgeen wij alleen hebben gezien en gehoord, indien wij het dus niet bekend maken, wie zal het dan doen? Wie kan het doen? Wetende de gunst, zowel als de schrik des Heeren, bewegen wij de mensen, want de liefde van Christus, en de liefde tot de zielen dringt ons, 2 Corinthiërs 5:11, 14.
III. Wij hebben hier de invrijheidstelling der gevangenen, vers 21. Zij dreigden hen nog meer, en dachten hen te verschrikken, en toen lieten zij ze gaan. Er waren velen, die zij, door hen te verschrikken, tot gehoorzaamheid brachten aan hun onrechtvaardige verordeningen, zij wisten de mensen in ontzag te houden met hun ban, hun uitwerpen uit de synagoge, Johannes 9:22, en zij dachten dezelfden invloed uit te oefenen op de apostelen, dien zij op andere mensen hadden, maar zij vergisten zich, want zij-de apostelen-waren met Jezus geweest. Zij dreigden hen, en dat was alles wat zij nu deden, toen zij dit gedaan hadden, lieten zij ze gaan.
1. Omdat zij het volk niet durfden tegenspreken, die God verheerlijkten over hetgeen er geschied was, en bereid waren (dat dachten zij ten minste) hen van hun zetels te rukken, indien zij de apostelen er voor gestraft hadden. Gelijk heersers door Gods bestel tot een schrik en bedwang gemaakt zijn voor goddelozen, zo is soms het volk door Gods voorzienigheid tot een schrik en bedwang gemaakt voor goddeloze heersers.
2. Omdat zij het wonder niet konden tegenspreken want, vers 22, de mens was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit teken der genezing geschied was. En daarom was
A. Het wonder des te groter, daar hij kreupel was van zijner moeders lijf, Hoofdstuk 3:2. Hoe ouder hij werd, hoe meer ingeworteld de kwaal was, en hoe moeilijker de genezing. Indien zij, die op jaren zijn gekomen, en lang gewoon waren aan kwaad, genezen worden van hun geestelijke onmacht tot goed, en daardoor van hun kwade gewoonten, dan is de kracht der Goddelijke genade er zo veel te meer in verheerlijkt.
B. De waarheid er van was zo veel te beter gestaafd, want de mens, meer dan veertig jaren oud zijnde, was hij, evenals de blinde, dien Christus had genezen, in staat, om, toen hij ondervraagd werd, van zich zelven te spreken, Johannes 9:21.