Handelingen 24:22-27
Wij hebben hier den uitslag van Paulus' verhoor voor Felix, en wat er het gevolg van was.
I. Felix verdaagde de zaak, en nam tijd van beraad er voor, vers 22. Hij had nadere wetenschap van dien weg , dien de Joden ketterij noemden, dan de hogepriester en de ouderlingen dachten. Hij begreep iets van den Christelijken Godsdienst, want, wonende te Cesarea, waar ook Cornelius, een Romeins overste over honderd, die een Christen was, woonde, had hij van hem en van anderen het een en ander van het Christendom gehoord, zodat hij wist, dat het niet zo slecht ene zaak was als men het voorstelde. Hij zelf kende sommigen van dien weg als eerlijke, brave lieden, van een zeer nauwgezetten levenswandel, en daarom zond hij de vervolgers heen onder een voorwendsel: "Als de overste Lysias zal afgekomen zijn, zo zal ik volle kennis nemen van uwe zaken, of, dan zal ik de waarheid weten, of deze Paulus al of niet gepoogd heeft oproer te verwekken. Gijlieden zijt partij in de zaak, hij is een onpartijdig persoon. Of Paulus verdient gestraft te worden wegens het aanstoken van oproer, of gijlieden omdat gij het zelf gedaan hebt, en het hem ten laste legt. Ik zal horen wat hij zegt, en dienovereenkomstig tussen ulieden beslissen."
1. Het was ene teleurstelling voor den hogepriester en de ouderlingen, dat Paulus niet veroordeeld was, of aan hun oordeel overgeleverd, dat zij hadden gewenst en verwacht. Maar aldus zal God de grimmigheden van de vijanden Zijns volks somwijlen opbinden, door bemiddeling, niet van hun vrienden, maar van hen, die vreemdelingen voor hen zijn. En hoewel zij vreemdelingen voor hen zijn, kunnen zij toch niet anders dan ter hunner bescherming optreden, zo zij slechts enige kennis hebben van hun weg.
2. Het was onrecht jegens Paulus, dat hij niet in vrijheid werd gesteld. Felix had hem recht behoren te doen van zijne tegenstanders, toen hij zo duidelijk zag, dat er voor deze vervolging geen andere grond of rede was dan hun kwaadwilligheid, en hij had hem overeenkomstig den plicht van een rechter uit der goddelozen hand moeten rukken, Psalm 82:4. Maar hij was een rechter, die God niet vreesde en geen mens ontzag, welk goeds was er dan van hem te verwachten? Het is onrecht niet slechts om recht te weigeren, maar ook om het uit te stellen.
II. Hij hield den gevangene in bewaring, en wilde hem niet op vrije voeten stellen, ook niet tegen borgtocht, want anders zouden te Cesarea vrienden genoeg borg voor hem gebleven zijn. Felix dacht, dat een man van zo algemene bekendheid en nuttigheid als Paulus, vele vrienden moest hebben, zowel als vele vijanden, en hij zou nu de gelegenheid hebben dezen aan zich te verplichten, of zijn voordeel met hen te doen, indien hij hem niet terstond ontsloeg, maar hem wel enige gunst betoonde, en daarom:
1. Liet hij hem gevangen blijven, en beval een centurion, of kapitein, hem te bewaren, vers 23. Hij heeft hem niet naar de gewone gevangenis gezonden, maar daar hij een gevangene van het leger was, liet hij hem dit blijven.
2. Heeft hij er echter zorg voor gedragen, dat hij een gevangene op vrije voeten zou zijn-in libera custodia. Zijn bewaarder moest hem verlichting geven, dat is: hij moest hem vrijheid laten, hem niet binden, noch hem opsluiten, maar hem zijne gevangenschap zo draaglijk mogelijk maken. Hij moet zich vrij kunnen bewegen in het kasteel, en wellicht bedoelt hij, dat hij vrijheid moet hebben om in de lucht te gaan, of om, op zijn woord, uit te gaan, en Paulus was zulk een eerlijk man, dat hij staat kon maken op zijn woord van terug te zullen keren. De hogepriester en de ouderlingen gunden hem zijn leven niet, maar Felix staat hem edelmoediglijk zekere vrijheid toe, want hij had tegen hem en zijn weg de vooroordelen niet, die zij hadden. Hij gaf ook bevelen, dat aan niemand van zijne vrienden belet zou worden om tot hem te komen. De centurion moet geen zijner vrienden verbieden hem te dienen, en iemands gevangenis wordt, als het ware, zijn eigen huis, zo hij er slechts zijne vrienden om zich heen heeft.
III. Hij had daarna herhaaldelijk gesprekken met hem in het bijzonder, inzonderheid eens kort na zijn openbaar verhoor, vers 24, 25. Merk op:
1. Met welke bedoeling Felix Paulus ontboden heeft. Hij wenste een onderhoud met hem over het geloof in Christus, den Christelijken Godsdienst. Hij had enige kennis van dien weg, maar hij wenste er over te horen van Paulus, die meer dan de anderen een beroemd prediker was van dat geloof. Zij, die hun kennis willen vermeerderen, moeten spreken met hen, die in de zaken bedreven zijn, waaromtrent zij meer willen weten. Daarom wenst Felix met Paulus te spreken, meer vrijelijk dan hij dit in de publieke rechtszaal kon, over het geloof in Christus, en dit alleen ter bevrediging van de nieuwsgierigheid van Drusilla, zijne vrouw, die ene Jodin was, dochter van Herodes Agrippa, die door de wormen werd gegeten. Opgevoed zijnde in den Joodsen Godsdienst, was zij nieuwsgierig naar den Christelijken Godsdienst, die er de vervolmaking van genoemd werd, en zij wenste er Paulus over te horen spreken. Maar het deed er niet heel veel aan toe van welken Godsdienst zij was, want welke die ook geweest zij, zij was er de schande en de ergernis van, ene Jodin, maar ene overspeelster. Zij was de vrouw eens anderen, toen Felix haar ter vrouwe nam, en met hem leefde zij in hoererij, en zij stond bekend als ene schaamteloze vrouw, en toch begeert zij te horen van het geloof in Christus. Velen zijn verzot op nieuwe denkbeelden en nieuwe bespiegelingen omtrent den Godsdienst, en kunnen er met genoegen over horen spreken, maar zij haten het om er onder de kracht en den invloed van te komen, zij willen wel, dat hun verstand zal worden verlicht, maar niet, dat hun leven zal worden verbeterd.
2. Wat Paulus hem van den Christelijken Godsdienst te verstaan gaf. Door het denkbeeld, dat hij er van had, verwachtte hij vermaakt te worden met een mystiek stelsel van Godsdienst, maar zoals Paulus het hem voorstelt, wordt hij in plaats daarvan verschrikt door een praktisch beginsel van Godsdienst. Paulus ondervraagd zijnde omtrent het geloof in Christus, handelde hij (want Paulus was altijd een verstandig prediker) van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel. Waarschijnlijk heeft hij hem de bijzondere leerstellingen van het Christendom genoemd be- treffende den dood en de opstanding van den Heere Jezus, er hem mede bekend gemaakt, dat Hij de Middelaar is tussen God en den mens, maar hij haastte zich om tot de toepassing te komen, waarin hij zich tot het geweten zijner hoorders kon richten, en met helderheid en warmte kon spreken van rechtvaardigheid en matigheid en van het toekomend oordeel, en daarin toonde hij:.
A. Dat het geloof in Christus bestemd is om bij de kinderen der mensen met kracht aan te dringen op de naleving van de grote wetten van rechtvaardigheid en matigheid. De genade Gods leert ons matig en rechtvaardig te leven, Titus 2:12. Rechtvaardigheid en matigheid waren onder de Heidense moralisten gevierde deugden, indien de leer door Paulus gepredikt, waarvan hij heeft gehoord, dat zij vrijheid verkondigt, hem van de verplichting daarvan wil ontheffen, dan zal hij haar zeer gaarne aannemen. "Neen," zegt Paulus, "verre van dien, integendeel, zij versterkt juist de verplichtingen van deze heilige wetten, zij legt ons allen, onder bedreiging van straf, de verplichting op, eerlijk te zijn in al onze handelingen, aan ieder het zijne te geven, ons zelven te verloochenen, het lichaam te bedwingen en het tot dienstbaarheid te brengen." Daar wij in onzen doop de wereld en het vlees met al zijne lusten en begeerlijkheden verzaakt hebben, behoren wij ons in al ons doen en laten onder de regelen van den Godsdienst te stellen. Paulus handelde van rechtvaardigheid en matigheid ten einde Felix te overtuigen van de onrechtvaardigheid en onmatigheid, waaraan hij, zoals algemeen bekend was, zich schuldig had gemaakt, opdat hij de hatelijkheid er van inziende, en ook inziende hoe hij er zich aan den toorn Gods er door blootstelde, Efeze 5:6, naar het geloof in Christus zou vragen met het vaste besluit om het te omhelzen.
B. Dat ons door de leer van Christus het toekomende oordeel ontdekt is, door welk oordeel de eeuwige staat van al de kinderen der mensen onherroepelijk en voor altijd bepaald wordt. De mensen hebben thans hun dag, Felix heeft den zijne, maar Gods dag komt, wanneer een iegelijk voor zich zelven rekenschap zal geven aan God, den Rechter van allen. Paulus handelde hiervan, hij toonde aan hoeveel reden wij hebben om te geloven, dat er een toekomend oordeel is, en welke reden wij hebben om, in overweging daarvan, Godsdienstig te zijn. Uit deze punten nu van Paulus' rede kunnen wij opmaken:
a. Dat Paulus in zijne prediking geen aanzien des persoons had, want het woord Gods, dat hij predikte, heeft dit niet. Bij den Romeinsen stadhouder dringt hij aan op dezelfde beginselen, als bij andere mensen.
b. Dat Paulus in zijne prediking tot het geweten der mensen sprak, rechtstreeks en onomwonden, dat hij er niet naar streefde om hun naar den mond te spreken, of hun nieuwsgierigheid te bevredigen, maar wel om hen er toe te brengen hun zonden in te zien, en hen tot het besef te brengen van hun plicht en van hun belang.
c. Dat Paulus den dienst van Christus en de redding der zielen hoger stelde dan zijne eigene veiligheid. Hij was overgeleverd aan Felix, die macht had (zoals Pilatus zei) hem te kruisigen, (of hetgeen even erg was, hem weer over te leveren aan de Joden) en macht had hem los te laten. Nu had Paulus zijn oor, had hij hem in ene goede stemming, en dus ene schone gelegenheid om zich hem aangenaam te maken en aldus zijne vrijheid te verkrijgen, ja zelfs hem in toorn te doen ontsteken tegen zijne vervolgers, terwijl hij daarentegen, als hij onvriendelijk voor hem is, hem vertoornt, zich zelven een groten ondienst zal doen, maar al die overwegingen slaat hij in den wind, hij is er slechts op uit om goed te doen, of ten minste zich van zijn plicht te kwijten.
d. Dat Paulus bereid was zich moeite te geven in zijn werk, er zich aan gevaar voor bloot te stellen, zelfs daar, waar niet veel waarschijnlijkheid bestond, dat hij goed zou kunnen doen. Felix en Drusilla waren zulke verharde zondaren, dat het volstrekt niet waarschijnlijk was, dat zij door Paulus' prediking tot bekering zouden komen, inzonderheid onder zulke ongunstige omstandigheden, en toch heeft Paulus met hen gehandeld als iemand, die ook aan hen niet wanhoopte. Laat de wachter waarschuwen, dan heeft hij zijne eigene ziel bevrijd, al heeft hij dan ook niet bij hen overmocht om hun ziel te bevrijden.
3. Welken indruk Paulus' rede op den groten, doch slechten, man heeft gemaakt. Felix was zeer bevreesd geworden -emphobos genomenos -hij was als een schrik voor zich zelven, een magor- missabib, zoals Pashur, Jeremia 20:3, 4, Paulus heeft nooit voor hem gesidderd, is nooit bevreesd geweest voor zijn aangezicht, maar hij sidderde voor Paulus. "Indien het is, zoals Paulus zegt, wat zal er in ene andere wereld dan van mij worden? Indien de onrechtvaardigen en onmatigen in het toekomend oordeel veroordeeld worden, dan ben ik verloren, voor eeuwig verloren, tenzij ik een nieuw leven ga leiden." Wij bevinden niet, dat Drusilla bevreesd was, ofschoon zij even schuldig was, want zij was ene Jodin, en steunde op de ceremoniële wet, welker verordeningen zij waarnam, om er door gerechtvaardigd te worden, maar Felix kon zich voor het ogenblik aan niets vastklemmen, dat zijn geweten bevredigde, en daarom was hij zeer bevreesd. Zie hier:
a. De kracht van het woord Gods. Het is hartdoorgrondend, het kan verschrikking brengen in het hart van den hoogmoedigsten en stoutmoedigsten zondaar, door hem zijne zonden ordelijk voor te stellen, en hem den schrik des Heeren te tonen.
b. De werkingen van het natuurlijk geweten, als het opgeschrikt en wakker geschud wordt, dan wordt de ziel vervuld met afgrijzen en verbaasdheid over hare eigene wanstaltigheid en gevaar. Zij, die zelven de schrik waren geweest van de machtigen in het land der levenden, worden hierdoor ene verschrikking gemaakt voor zich zelven. Het vooruitzicht op het toekomend oordeel kan het kloekmoedigste hart doen beven, gelijk ook als het zal gekomen zijn, het de machtigen, en de oversten te vergeefs zal doen roepen tot de rotsen en de bergen om hen te beschutten en te verbergen.
4. Hoe Felix worstelde om zich van die indrukken los te maken, en die verschrikking van zich af te schudden. Hij deed daarmee, wat hij met de vervolgers van Paulus gedaan had, vers 25, hij stelde ze uit, voor ditmaal ga henen, zei hij, als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen. Hij beefde, en dat was alles. Paulus' beven, en het beven van den stokbewaarder, Hoofdstuk 9:6, 16:29, eindigden in hun bekering, maar niet alzo dit beven van Felix. Velen worden verschrikt door het woord Gods, die er toch niet werkelijk door veranderd worden. Velen vrezen voor de gevolgen der zonde, maar blijven haar toch aanhouden. Hij heeft niet gestreden tegen zijne overtuiging, was niet vertoornd op het woord, of op den prediker er van, hij wilde zich niet op hem wreken, omdat hij zijn geweten zo had verschrikt, hij heeft niet tot Paulus gezegd wat Amazia zei tot den profeet: Houd gij op, waarom zouden zij u slaan? Hij heeft hem niet gedreigd met ene strengere gevangenis, of met den dood, omdat hij hem, (zoals Johannes de Doper Herodes) op de tere plek had aangeraakt. Maar hij heeft zijne overtuiging van zonde listig ontweken, door de vervolging er van uit te stellen tot een ander maal. Hij heeft niets aan te merken op hetgeen Paulus gezegd heeft, het is belangrijk en wel waard om er over na te denken, maar als een armzalige schuldenaar vraagt hij om een dag uitstel. Paulus had zich afgemat, en heeft hem en zijne vrouw vermoeid, en daarom: "Voor ditmaal ga henen, breek hier uwe rede af, zaken van aanbelang roepen mij elders, maar als ik gelegenen tijd zal bekomen hebben, en niets anders te doen heb, zal ik u tot mij roepen, en horen wat gij mij nog verder te zeggen hebt." Velen verliezen al het nut en voordeel van hun overtuigingen, omdat zij het ijzer niet smeden terwijl het heet is. Indien Felix, nu hij beefde, gevraagd had, wat Paulus en de stokbewaarder gevraagd hebben, toen zij beefden: Wat zal ik doen? dan zou hij wellicht tot het geloof in Christus gebracht zijn, en inderdaad een Felix, een gelukkige geworden zijn, een voor eeuwig gelukkige, maar door thans zijne overtuiging van zich af te schuiven, heeft hij ze voor altijd verloren, en daarmee ook zich zelven. In de zaken, die onze ziel betreffen, is alle uitstel gevaarlijk, niets heeft noodlottiger gevolgen dan der mensen verschuiven van hun bekering van den enen dag naar den anderen. Zij zullen wel berouw hebben van hun zonden en zich tot God wenden, maar nu nog niet, de zaak wordt verwezen naar een meer gelegenen tijd, als deze of die zaak of aangelegenheid tot een goed einde is gebracht, als zij wat ouder zullen zijn, maar dan verzwakken en verflauwen de indrukken, goede voornemens blijken te vergeefs genomen te zijn, daar zij niet ten uitvoer worden gebracht, en dan zijn zij meer dan ooit verhard in hun bozen weg. Felix stelde de zaak uit tot een meer gelegenen tijd, maar wij bevinden niet, dat die meer gelegene tijd ooit gekomen is, want de duivel bedriegt ons en berooft ons van allen tijd, door ons te misleiden omtrent den tegenwoordigen tijd. De tegenwoordige tijd is ongetwijfeld de meest gelegene tijd. Ziet, nu is het de welaangename tijd. Heden, zo gij Zijne stem hoort.
IV. En met dat al hield hij hem gevangen, en liet hem gevangen blijven, toen hij twee jaren daarna van zijn stadhouderschap werd weggeroepen, vers 26, 27. Hij was er in gemoede van overtuigd, dat Paulus niets gedaan had, dat den dood of banden waardig is, en toch was hij niet eerlijk genoeg om hem los te laten. Weinig baatte het, dat Paulus met hem gehandeld heeft over rechtvaardigheid, daar hij, hoewel hij zeer bevreesd was geworden bij de gedachte aan zijne eigene ongerechtigheid, toch heeft kunnen volharden in zo grote onrechtvaardigheid. Maar hier wordt ons gezegd door welke beginselen hij hierin geleid werd, en die waren van zulk een aard, dat de zaak er nog veel erger door werd.
1. De liefde tot het geld. Hij wilde Paulus niet uit de gevangenis ontslaan, omdat hij hoopte gewin van hem te hebben, dat zijne vrienden eindelijk geld bijeen zouden brengen om zijne vrijheid te kopen, en dan eerst zal hij zijn geweten bevredigen door hem los te laten, als hij er tevens aan zijne geldgierigheid mede kan voldoen. Hij kan het niet over zich verkrijgen zijn plicht te doen als rechter, tenzij hij er geld voor krijgt. Hij hoopte, dat hem van Paulus geld gegeven zou worden, of van iemand anders voor hem, en dan zou hij hem loslaten, hem in vrijheid stellen. In die hoop houdt hij hem gevangen, waarom hij hem ook dikmaals ontbood en met hem sprak, niet meer over het geloof van Christus, (daarvan had hij genoeg, evenals van het toekomend oordeel, Paulus moet op die zaken niet meer terug komen, daar niet verder over spreken) maar over zijne loslating of liever over zijn losgeld, om uit zijne tegenwoordige gevangenschap te geraken. Hij schaamt zich wel om aan Paulus rechtstreeks te vragen hoeveel hij hem wil geven, maar hij laat hem bij zich komen om hem hierover te polsen. En nu zien wij wat er geworden is van zijne belofte aan Paulus en aan zich zelven, dat hij meer van Christus zal horen, als hij gelegenen tijd zal hebben bekomen. Er was genoeg gelegene tijd om verder en grondig over die zaak te spreken, maar er wordt niet meer van gerept. Alles wat hij nu te doen heeft is van Paulus geld te krijgen, niet om door hem kennis van Christus te verkrijgen. Het is rechtvaardig in God omtrent hen, die beuzelen met hun overtuiging, en denken, dat hun Gods genade wel ten dienste zal staan, als dit hun belieft, te zeggen: Mijn Geest zal niet meer met hen twisten. Als de mensen Gods stem heden niet willen horen, zolang als het heden genaamd wordt, zal het hart gewoonlijk verhard worden door de verleiding der zonde. Paulus zelf was arm, zilver en goud had hij niet te geven om zijne vrijheid te kopen. Maar Felix wist, dat er personen waren, die hem wèl wilden, hem genegen waren, en die wèl in staat waren hem te helpen. Daar Paulus nog onlangs veel geld gecollecteerd had voor de arme Christenen om hun te hulp te komen, kon men wel verwachten, dat de rijke Christenen bijdragen zouden geven om hem te bevrijden, en ik vraag mij af, waarom dit niet geschied is. Hoewel het Paulus tot eer verstrekt, dat hij Felix geen geld wilde bieden, en ook aan de gemeenten geen geld wilde vragen (zijne grote, edele ziel versmaadde dit) weet ik toch niet of het zijnen vrienden tot eer verstrekte, ja, of zij er wel in gerechtvaardigd konden worden, dat zij het niet voor hem deden. Zij hadden bij den stadhouder even dringend moeten aanhouden om zijne vrijheid te verkrijgen, als zijne vijanden bij hem aanhielden om hem te doden, of aan hen uit te leveren, en indien, gelijk Salomo zegt, ene gift nodig was om hun ruimte te maken, en hen voor het aangezicht der groten te geleiden, dan zouden zij die wettig hebben kunnen brengen. Ik mag niemand omkopen om iets onrechtvaardigs te doen, maar als iemand gene rechtvaardige daad wil doen, of hij moet er geld voor krijgen, dan doe ik slechts mij zelven recht door het hem te geven, en als zij het mochten doen, dan is het schande, dat zij het niet gedaan hebben. Ik schaam mij over hen, dat zij zulk een voortreffelijk en nuttig man als Paulus was, in de gevangenis lieten, terwijl een weinig geld er hem uit had kunnen bevrijden, en hem aan zijn zegenrijken arbeid had kunnen geven. De Christenen hier in Cesarea hebben hun tranen gegeven om te voorkomen, dat hij in de gevangenis zou komen, Hoofdstuk 21:13, maar zij hebben geen lust gehad om hun geld te geven ten einde hem er uit te helpen bevrijden. Maar er kan ook ene bedoeling van Gods voorzienigheid in zijn geweest, Paulus' banden moeten dienen ter bevordering van het Evangelie van Christus, en daarom moet hij in banden blijven. Dit zal echter niet tot verontschuldiging strekken van Felix, die een onschuldig man uit de gevangenis had moeten ontslaan, zonder er enigerlei beloning voor te eisen of aan te nemen. De rechter, die zonder steekpenningen te ontvangen geen recht wil doen, zal voor een steekpenning stellig bereid worden gevonden om onrecht te doen.
2. Het behagen van mensen. Ongeveer twee jaren na deze gebeurtenissen werd Felix van zijn stadhouderschap teruggeroepen, en werd Porcius Festus in zijne plaats gesteld. En nu zou men verwacht hebben, dat hij zijn stadhouderschap zou eindigen met ene daad van gerechtigheid, nl. de vrijlating van Paulus, maar hij heeft het niet gedaan, hij liet Paulus gevangen, en de reden, die hiervoor gegeven wordt, is, dat hij den Joden gunst wilde bewijzen. Hoewel hij hem niet, om hen te behagen, wilde laten doden, wil hij hem toch gevangen laten blijven, veeleer dan hen te mishagen, en hij deed het in de hoop van hiermede veel kwaad goed te maken dat hij hun gedaan had. Hij dacht niet, dat Paulus invloed, of ook zelfs maar neiging, had om aan het hof over hem te klagen, dat hij hem, tegen alle recht en billijkheid, in zo langdurige gevangenschap hield, maar hij was bevreesd, dat de hogepriester en de ouderlingen zijne beschuldigers zullen zijn bij den keizer wegens het kwaad, dat hij hun gedaan heeft, en daarom hoopt hij, door hun in deze zaak genoegen te doen, hen te doen zwijgen. Aldus worden zij, die slechte dingen doen, in verzoeking gebracht om nog meer slechte dingen te doen ten einde zich te beschutten. Indien Felix de Joden niet geschaad en beledigd had, dan had hij dit niet behoeven te doen om hen te behagen. Hij schijnt echter zijn doel toch hiermede niet bereikt te hebben, de Joden hebben hem, in weerwil van dit gunstbetoon, toch bij den keizer aangeklaagd en sommige geschiedschrijvers zeggen, dat Festus hem gebonden naar Rome gezonden heeft. Indien dit zo is, dan moet voorzeker de gedachte, hoe hij Paulus' banden licht geacht heeft, hem zijn eigen keten zeer zwaar gemaakt hebben. Zij, wier doel het is God te behagen door goed doen zullen hun doel bereiken, maar zo zal het niet wezen met hen, die mensen zoeken te behagen door kwaad te doen.