Handelingen 17:1-9
De twee brieven van Paulus aan de Thessalonicenzen-de eerste twee, die hij door Goddelijke ingeving geschreven heeft-geven zulk ene heerlijk getuigenis van die gemeente, dat het ons ene vreugde is, om hier in de geschiedenis een bericht te vinden van de eerste grondlegging van die gemeente aldaar.
I. Wij hebben hier Paulus' aankomst te Thessalonica, de hoofdstad van dat land, heden Saloniki, of Selanek, genoemd, in het Turkse gebied. Merk op:
1. Dat Paulus, in weerwil van de mishandeling, die hij te Filippi ondervonden had, voortging met zijn werk. Hij verflauwde niet in zijn ijver, en werd niet ontmoedigd. Hij wijst hier op in zijn eersten brief aan de gemeente aldaar, 1 Thessalonicenzen 2:2, Hoewel ons smaadheid aangedaan was te Filippi, zo hebben wij nochtans vrijmoedigheid gebruikt in onzen God, om het Evangelie van God tot u te spreken. De tegenstand, dien hij ontmoet heeft, en de vervolging, die hij geleden heeft, hebben hem slechts des te vastberadener gemaakt in zijn werk. Geen van deze dingen heeft hem bewogen, nooit zou hij aldus hebben kunnen volharden, volhouden en aanhouden, indien hij niet bezield ware geweest door een geest van kracht van Boven.
2. Amfipolis en Apollonia is hij slechts doorgereisd, het eerste was ene stad nabij Filippi, het laatste nabij Thessalonica. Ongetwijfeld was hij onder Goddelijke leiding, en werd hem gezegd door den Geest, die, gelijk de wind, blaast waarheen Hij wil, door welke plaatsen hij moest heengaan, en in welke plaatsen hij moest blijven. Apollonia was ene stad van Illyricum, hetgeen, naar sommigen denken, het gezegde van Paulus verklaart, dat hij van Jeruzalem af en rondom tot Illyricum toe het Evangelie had gepredikt, Romeinen 15:19, dat is: tot aan de grenzen van Illyricum, waar hij zich nu bevond. En wij kunnen onderstellen, dat hij, hoewel gezegd wordt, dat hij door deze steden slechts heenging, er toch lang genoeg in bleef, om er het Evangelie te verkondigen, en er den weg te banen voor de komst van andere leraren onder hen, die hij later zenden zou.
II. Hoe hij eerst voor de Joden gepredikt heeft in hun synagoge te Thessalonica. Hij vond er ene synagoge der Joden, vers 1, hetgeen te kennen geeft, dat ene reden, waarom hij door de andere genoemde steden slechts heengegaan is, en er niet lang in verwijlde, was, dat er gene synagogen waren. Maar ene vindende te Thessalonica, heeft hij daar zijne prediking begonnen.
1. Het was zijne gewoonte om altijd met de Joden te beginnen, hun het eerst het Evangelie aan te bieden, en zich niet tot de Heidenen te wenden, voordat zij het hadden afgewezen, opdat hun mond gestopt zou worden, als zij tegen hem riepen en schreeuwden, omdat hij voor de Heidenen predikte. Want, indien zij het Evangelie aannamen, dan zouden zij ook met blijdschap de nieuw bekeerden aannemen, maar indien zij het afwezen, dan hadden zij het zich zelven te wijten, dat de apostelen het brachten aan hen, die het welkom heetten. Het bevel: beginnende te Jeruzalem, werd met recht verklaard als ene aanwijzing, om overal, waar zij kwamen, te beginnen met de Joden.
2. Hij kwam met hen samen in hun synagoge op den sabbatdag, in hun plaats en op hun tijd der Godsverering, en zo wilde hij voor beiden eerbied betonen. Sabbatdagen en plechtige vergaderingen zijn altijd zeer dierbaar aan hen, aan wie Christus dierbaar is, Psalm 84:11. Het is goed om op dien dag in het huis des Heeren te zijn. Het was Christus' gewoonte, en het was Paulus' gewoonte, en het is de gewoonte geweest van al de heiligen, de goede oude paden, waarop zij wandelden.
3. Hij handelde met hen uit de Schriften. Zij stemden in met hem om de Schriften des Ouden Testaments aan te nemen, in zo verre waren zij het met elkaar eens. Maar zij namen de Schriften aan, en daarom dachten zij reden te hebben om Christus te verwerpen, Paulus nam de Schriften aan, en daarom zag hij grote reden om Christus aan te nemen. Zo was het dan nodig, dat hij door met hen te handelen uit de Schriften met de hulp en in de kracht des Heiligen Geestes, hen er van overtuigde, dat de gevolgtrekkingen, die Hij uit de Schrift afleidde juist, en die zij er uit afleidden, verkeerd waren. De prediking van het Evangelie moet beide Schriftuurlijk en rationeel zijn. Zo is die van Paulus geweest, want hij handelde, dat is: hij redeneerde met hen uit de Schriften. Wij moeten de Schrift tot onzen grondslag nemen, onze Godsspraak en toetssteen, en er dan uit en over redeneren, tegen hen, die, hoewel zij zeggen te ijveren voor de Schriften, zoals de Joden, ze echter verwringen, en dat wel tot hun eigen verderf. Het verstand moet niet in mededinging gesteld worden met de Schrift, maar er moet gebruik van worden gemaakt voor de verklaring en toepassing er van.
4. Hij deed dit op drie achtereenvolgende sabbatten. Kon hij hen op den eersten sabbat niet tot overtuiging brengen, hij wilde het dan op den tweeden en derden nog eens beproeven, want er moet gebod op gebod, regel op regel zijn. God wacht op de bekering van zondaren, en dat moeten Zijne dienstknechten ook doen. Al de arbeiders komen niet het eerste uur in den wijngaard, noch op de eerste roeping, niet in allen geschiedt zo plotseling ene werking als in den stokbewaarder.
5. Doel en strekking van zijne prediking was te bewijzen, dat Jezus is de Christus. Dat was het wat hij verklaarde en aantoonde, vers 3. Eerst verklaarde hij deze stelling, en toen stelde hij hun de zaak voor ogen, als hetgeen waar hij bij wilde blijven, en riep hen op in den naam van God, om er mede in te stemmen. Paulus had ene bewonderenswaardige methode voor zijne redevoeringen, en toonde beide, dat hij de leer, die hij predikte, kende en haar volkomen begreep, en dat hij ten volle overtuigd was van de waarheid er van, daarom opende hij haar als er volkomen mede bekend zijnde, en stelde haar voor ogen, als er volkomen in gelovende. Hij toonde hun:
a. Dat de Messias moest lijden, sterven en weder opstaan, dat de Oud-Testamentische profetieën betreffende den Messias dit duidelijk hebben voorzegd. Het grote bezwaar der Joden om te geloven, dat Jezus de Messias is, bestond in Zijn lijden en smadelijken dood. Het kruis van Christus was den Joden ene ergernis, omdat het gans niet overeenkwam met het denkbeeld, dat zij zich van den Messias hadden gevormd, maar Paulus toont aan, en maakt het onloochenbaar, niet alleen, dat het mogelijk was, dat Hij de Messias is, ofschoon Hij heeft geleden, maar dat Hij, de Messias zijnde, noodzakelijk heeft moeten lijden, Hij kon niet volmaakt worden dan door lijden, want indien Hij niet gestorven ware, dan zou Hij ook niet van de doden hebben kunnen opstaan. Hierop heeft Christus zelf met nadruk gewezen, Lukas 24:26 :Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijne heerlijkheid ingaan? En wederom, vers 46: Alzo is er geschreven, en alzo moest dus de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage. Hij moet voor ons hebben geleden, omdat Hij de verlossing niet anders op ons kon toepassen.
b. Dat Jezus de Messias is, "deze Jezus, dien ik u verkondig, en in wie ik u vermaan te geloven, is Christus, de Christus, de Gezalfde des Heeren, Hij is het, die komen moest, en gij hebt geen anderen te verwachten, want God heeft beide door Zijne woorden en Zijne werken, (de tweeërlei wijze waarop Hij tot de kinderen der mensen spreekt,) door de Schriften en door wonderen, en door de gave des Geestes om die beiden van kracht en uitwerking te doen zijn, Hem getuigenis gegeven." Evangeliedienaren moeten Jezus prediken, Hij moet hun voornaamste onderwerp zijn, het is hun werk en roeping de mensen met Hem bekend te maken. Wat wij betreffende Jezus hebben te prediken is, dat Hij is de Christus, en dat wij dus kunnen hopen door Hem behouden te worden, en dat wij gehouden zijn ons door Hem te laten besturen.
III. Het goede gevolg van zijne prediking aldaar, vers 4.
1. Sommigen uit de Joden geloofden in weerwil van hun ingewortelde vooroordelen tegen Christus en Zijne Evangelie, en zij werden aan Paulus en Silas toegevoegd, zij verkeerden met hen niet slechts als vrienden en metgezellen, maar zij gaven zich over aan hun leiding als hun geestelijke leidslieden, zij stelden zich in hun bezit als een erfdeel in het bezit van den rechtmatigen eigenaar, dat is de betekenis van het woord, zij gaven zich zelven eerst aan den Heere, en daarna aan ons, door den wil van God, 2 Corinthiërs 8:5. Zij hingen Paulus en Silas aan, vergezelden hen overal waar zij heengingen. Zij, die in Jezus Christus geloven, komen in gemeenschap met getrouwe leraren en worden hun toegevoegd.
2. Van de Godsdienstige Grieken en van de voornaamste vrouwen hebben zeer velen het Evangelie omhelsd. Dezen waren proselieten der poort, de Godvruchtigen onder de Heidenen, zoals de Joden hen noemden, de zodanige, die, hoewel zij zich niet aan de wet van Mozes onderwierpen, toch aflieten van afgoderij en onzedelijkheid, alleen den waren God aanbaden, en niemand onrecht deden. Dezen waren de hoi sebomenoi Hellênes -de aanbiddende Heidenen -zoals in Amerika diegenen uit de inboorlingen, die tot het geloof van Christus bekeerd zijn, de biddende Indianen genoemd worden. Dezen werden toegelaten om zich met de Joden te verenigen voor de Godsverering in hun synagoge. Van dezen geloofde ene grote menigte, meer van hen dan van hen, die volkomen Joden waren, en aan de ceremoniële wet verkleefd waren. En ook niet weinigen van de voornaamste vrouwen der stad, die een vroom gemoed hadden en enig besef van den Godsdienst, hebben het Christendom aangenomen. Hier wordt bijzonder notitie van genomen als een voorbeeld voor aanzienlijke vrouwen, en om haar aan te moedigen in de beoefening der Godsvrucht, en haar aan te sporen om zich te onderwerpen aan de macht van Christus' heiligen Godsdienst, want dit duidt aan hoe welbehaaglijk het zal zijn aan God, welk ene ere voor Christus en van hoe groten invloed het kan zijn op velen, behalve nog het nut en voordeel voor hare eigene zielen. Er wordt hier gene melding gemaakt van hun prediken van het Evangelie aan de Heidense afgodendienaars te Thessalonica, en toch is het zeker, dat zij het gedaan hebben, en dat zeer velen van hen bekeerd werden, het schijnt zelfs dat deze gemeente voornamelijk uit bekeerlingen uit de Heidenen bestond, hoewel daar hier gene nota van wordt genomen, want Paulus schrijft aan de Christenen aldaar als die bekeerd zijn van de afgoden, 1 Thessalonicenzen 1:9, en dat wel bij den eersten ingang van de apostelen onder hen.
IV. De moeite, die aan Paulus en Silas te Thessalonica werd aangedaan. Waar zij ook predikten, overal konden zij er zeker van zijn vervolgd te zullen worden, banden en verdrukking wachtten hun in elke stad. Merk op:
1. Wie de bewerkers waren van die moeilijkheden: de Joden, die ongehoorzaam waren, en gedreven werden door nijd, of afgunst, vers 5. Aan alle plaatsen waren de Joden de heftigste vijanden van de Christenen, inzonderheid van de Joden, die Christenen geworden waren, jegens hen koesterden zij een bijzonderen wrok, daar zij hen als afvalligen beschouwden. Christus is gekomen om verdeeldheid op de aarde te geven, en zie nu, waarin die verdeeldheid bestond: sommigen van de Joden geloofden het Evangelie, en hebben medelijden gehad met, en gebeden voor, hen, die niet geloofden, terwijl zij, die niet geloofden, hen, die geloofden, benijdden en haatten. In zijn brief aan deze gemeente spreekt Paulus van de woede en vijandschap der Joden tegen de predikers van het Evangelie, als van de zonde, die de mate hunner ongerechtigheid vol deed worden, 1 Thessalonicenzen 2:15, 16.
2. Wie de werktuigen waren voor de beroering. De Joden maakten gebruik van enige boze mannen uit de marktboeven, die zij bij elkaar wisten te krijgen, en het op zich moesten nemen om de stad vijandig te stemmen tegen de apostelen. Alle verstandige en gematigde lieden beschouwden hen met achting en waardeerden hen, en niemand wilde zich tegen hen stellen dan zij, die tot de heffe des volks behoorden, een troep van boze mannen, die zich aan allerlei slechtheid overgaven. Tertullianus voert dit aan bij hen, die het Christendom tegenstonden, nl. dat de vijanden er van over het algemeen de slechtsten der mensen waren: Tales semper nobis insecutores, injusti, impii, turpes, quos et ipsi damnare consuestis -Onze vervolgers zijn altijd onrechtvaardigen, goddelozen, eerlozen, die gij zelven gewoon waart te veroordelen. Apologia, cap. 5. Het is de ere van den Godsdienst, dat zij, die hem haten, over het algemeen ongebondene lieden zijn van de laagste soort , die alle gevoel voor gerechtigheid en deugd hebben afgelegd.
3. Op wat wijze zij tegen hen te werk gingen.
a. Zij beroerden de stad, maakten geschreeuw en geraas om den lieden schrik aan te jagen, en toen ging ieder zien wat er aan de hand was. Zij begonnen een oploop, en toen was natuurlijk terstond het grauw op de been. Zie, wie de beroerders zijn van Israël-niet de getrouwe predikers van het Evangelie, maar de vijanden er van. Zie, op wat wijze de duivel zijne raadslagen volvoert: hij beroert de stad, hij beroert de zielen, en dan vist hij in troebel water.
b. Zij vielen aan op het huis van Jason, waar de apostelen geherbergd waren, met het doel hen tot het volk te brengen, dat zij in woede tegen hen hadden ontstoken, en door hetwelk zij hoopten hen in stukken te zien scheuren. Dit alles was volstrekt onwettig. Indien er bij Jason een huiszoeking moet plaats hebben, dan behoort die te geschieden door daartoe bevoegde beambten, en niet zonder volmacht van de overheid. "Iemands huis" -zegt de wet-"is zijn kasteel", en als zij op gewelddadige wijze iemands huis aanvallen, om hem en zijn gezin vrees en angst aan te jagen, dan toont dit slechts tot welk ene beledigende gewelddadigheid de zucht tot vervolging den mens kan brengen. Als er personen zijn, die zich aan een misdrijf hebben schuldig gemaakt, dan zijn de magistraten daar om er een onderzoek naar in te stellen en er over te oordelen, maar het grauw aan te stellen tot rechters, en ook tot scherprechters (zoals dezen hier voornemens waren) dat is de waarheid te doen struikelen op de straat, dat is: knechten te paard, en vorsten gaande als knechten op de aarde, recht en billijkheid van den troon te stoten, om er woede en hartstocht op te plaatsen.
c. Toen zij de apostelen niet in handen konden krijgen, die zij als landlopers zouden behandeld hebben, het volk tegen hen opzettende als vreemdelingen, die het land kwamen bespieden, om deszelfs kracht te verteren, en hun het brood uit den mond te nemen, vielen zij aan op het huis van hun eigen medeburger, die de apostelen bij zich had ontvangen. Zijn naam is Jason, hij is een bekeerde Jood, dezen trokken zij met enige andere broeders voor de oversten der stad. Den apostelen was aangeraden, om zich terug te trekken, daar zij het meest gehaat waren en dus ook het meest aan gevaar bloot stonden.
Currenti cede furori -Ga den bergstroom uit den weg. Maar hun vrienden waren bereid zich aan het gevaar bloot te stellen, daar zij meer bij machte waren dien storm te doorstaan. Voor een goed man, voor zulke goede mannen als de apostelen waren, zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven.
d. Zij beschuldigden hen bij de oversten der stad, en stelden hen voor als gevaarlijke lieden, die niet geduld moesten worden. De misdaad, aan Jason ten laste gelegd, is, dat hij de apostelen heeft onthaald en geherbergd, vers 7, hen heeft gesteund en hun belangen heeft voorgestaan. En wat was dan de misdaad der apostelen, dat hun herberg te verlenen werd voorgesteld als een misdadig verzwijgen van verraad? Op tweeërlei wijze worden zij in een zeer slecht daglicht door hen gesteld, werd hun een karakter aangewreven, slecht genoeg om hen bij het volk gehaat te maken, en aan de oversten een doorn in het oog te doen zijn.
Ten eerste. Dat zij vijanden waren van den openbaren vrede, en overal, waar zij kwamen, alles in wanorde brachten: Dezen, die de wereld in beroering hebben gebracht, zijn ook hier gekomen. In een opzicht is het waar, dat, waar het Evangelie in zijne kracht komt tot ene plaats, tot ene ziel, het er zulk ene verandering werkt, aan den stroom ene richting geeft, zo tegenovergesteld aan die, welke hij gehad heeft, dat zij gezegd kunnen worden in die plaats, of in die ziel, de wereld in beroering te hebben gebracht, de wereld onderst boven te hebben gekeerd. De liefde voor de wereld is uitgeroeid uit dat hart, en de wijze der wereld tegengesproken in het leven, zodat dáár de wereld onderst boven is gekeerd. Maar in den zin, waarin zij het bedoelden, was het ten enenmale onwaar. Zij wilden, dat men de predikers van het Evangelíe voor oproermakers zou houden, die overal, waar zij kwamen, tweedracht stichtten, onenigheid teweegbrachten tussen bloedverwanten, naburen tegen elkaar ophitsten, den handel belemmerden, regel en orde omverwierpen. Omdat zij de mensen bewogen zich van de ondeugd tot de deugd te bekeren, van de afgoden tot den levenden God, van boosaardigheid en afgunst, tot liefde en vrede, worden zij beschuldigd de wereld in beroering te brengen, terwijl het slechts het rijk des duivels in de wereld was, dat zij aldus omver wierpen. Hun vijanden beroerden de stad, en toen gaven zij er hun de schuld van, zoals Nero Rome in brand stak, en toen zei, dat de Christenen het gedaan hadden. Als Christus' getrouwe dienstknechten, zelfs diegenen van hen, die de meest stillen zijn in het land aldus op hatelijke wijze verkeerd genoemd en verkeerd voorgesteld worden, laten zij dit dan niet vreemd vinden, of er verbitterd door worden, wij zijn niet beter dan Paulus en Silas, die aldus mishandeld en gescholden werden. Zij zijn ook hier gekomen, roepen de beschuldigers, "zij hebben in andere plaatsen alle mogelijke kwaad aangericht, en nu hebben zij de besmetting ook hier gebracht, het is dus tijd voor ons om alle krachten in te spannen ten einde hun het hoofd te bieden." Ten tweede. Dat zij vijanden waren van de regering, dat hun beginselen en praktijken verderfelijk waren voor de monarchie en onbestaanbaar met de constitutie van den staat, vers 7. Alle dezen doen tegen de geboden des keizers, niet tegen een bijzonder decreet of besluit, want er was toen nog gene rijkswet tegen het Christendom, maar tegen des keizers macht in het algemeen om wetten of geboden uit te vaardigen, want zij zeggen, dat er een andere koning is, namelijk Jezus, niet slechts een koning der Joden, dat was de beschuldiging tegen onzen Heiland zelven voor Pilatus ingebracht, maar Heere van allen, zoals Petrus Hem in zijne eerste leerrede voor de Heidenen genoemd heeft, Hoofdstuk 10:36. Het is waar, de Romeinse regering, zowel toen Rome nog ene republiek was, als toen het in de handen des keizers kwam, was zeer naijverig op iedere bestuurder onder hun heerschappij, die den titel van koning aannam, en er was ene afzonderlijke wet hier tegen uitgevaardigd. Maar Christus' koninkrijk was niet van deze wereld. Zijne volgelingen zeiden voorzeker wel: Jezus is Koning, maar geen aards koning, geen mededinger van den keizer, en Zijne ordinantiën bemoeien zich met de geboden des keizers niet, en Hij heeft het in Zijn koninkrijk tot wet gesteld om den keizer te geven wat des keizers is. Er was in de leer van Christus niets, dat de strekking heeft om vorsten te onttronen, of hen van hun voorrechten te beroven, dat wisten zij zeer wel, en het was tegen hun eigen geweten, dat zij deze beschuldiging tegen hen inbrachten. En van alle mensen betaamde het den Joden wel het minst om dit te doen, zij haatten den keizer en zijne regering, wensten verderf over hem te brengen en zijne regering omver te werpen, zij verwachtten een Messias, die een aards vorst zou zijn, die alle tronen neer zou werpen en alle rijken ten gronde zou richten, en zij hebben onzen Heere Jezus tegengestaan, omdat Hij niet als zodanig is opgetreden. Zo zijn ook zij allerboosaardigst geweest, die Gods getrouwe volk hebben voorgesteld als vijanden van den keizer, en koningen en landen schade aanbrengende. zij, die zelven imperium in imperio -een koninkrijk in een koninkrijk -hebben opgericht, ene macht, niet slechts in mededinging met die des keizers, maar er boven, namelijk die van de pauselijke suprematie.
4. De grote onrust, die dit in de stad heeft teweeggebracht, vers 8. Zij beroerden de schare en de oversten der stad, die dit hoorden. Zij hadden gene slechte mening van de apostelen of van hun leer, konden van hen geen gevaar duchten voor den staat, en daarom waren zij gezind hen oogluikend te laten begaan, maar als zij hun door de aanklagers voorgesteld worden als vijanden van den keizer, dan zullen zij verplicht zijn een onderzoek naar hen in te stellen, uit vrees voor de regering een verbod tegen hen uit te vaardigen, en dit ontrustte hen. Claudius, de toenmalige keizer wordt door Suetonius voorgesteld als een man, die bij den minsten volksoploop zeer achterdochtig was, en uiterst vreesachtig, hetgeen de bestuurders onder hem noodzaakte een wakend oog te houden op alles wat gevaarlijk scheen, of ook maar in het minst achterdocht opwekte, daarom ontrustte het hen in de noodzakelijkheid gebracht te wezen om goede mensen moeilijkheid aan te doen.
5. Het einde van deze lastige zaak, de oversten waren niet gezind de Christenen te vervolgen. Er werd zorg gedragen voor de veiligheid der apostelen. Zij hielden zich schuil, vluchtten, en bleven dus uit hun handen, zodat er niets te doen was dan Jason en zijne vrienden op borgtocht in vrijheid te stellen, vers 9. De oversten hier waren niet zo gemakkelijk in toorn te ontsteken tegen de apostelen als de hoofdmannen te Filippi. Zij waren bedachtzamer en meer gelijkmoedig, en zo namen zij dan genoegdoening-of borgtocht-aan van Jason en de anderen. Wellicht bleven zij ook borg voor Paulus en Silas, dat zij verschijnen zouden, als zij opgeroepen werden, indien later iets tegen hen gevonden werd. Gelijk er onder de vervolgers van het Christendom voorbeelden zijn geweest van de dolzinnigheid en woede van verdierlijkte lieden, zo zijn er ook voorbeelden geweest van de bedachtzaamheid en gelijkmoedigheid van mannen. Gematigdheid is ene deugd geweest.