Handelingen 16:1-5
Paulus was een geestelijk vader, en als zodanig zien wij hem hier Timotheus aannemen als zijn zoon, en zorg dragende voor de opvoeding van vele anderen, die door zijne bediening Christus geboren waren, en in dit alles bleek hij een wijs en teder vader geweest te zijn.
I. Wij hebben hier zijne kennismaking met Timotheus, en hoe hij hem onder zijne leiding neemt. Een der dingen, die in het boek der Handelingen bedoeld zijn, is, ons te helpen om Paulus' brieven goed te verstaan, waarvan twee aan Timotheus gericht zijn. Het was dus nodig, dat wij in de geschiedenis van Paulus enig bericht omtrent hem hebben. Zo wordt ons hier dan meegedeeld:
1. Dat hij een discipel was, iemand, die Christus toebehoorde en gedoopt was, waarschijnlijk in zijne kindsheid, toen zijne moeder ene gelovige werd, zoals Lydia's huisgezin gedoopt werd toen zij geloofde, vers 15. Hem, die een discipel was van Christus, nam Paulus aan tot zijn discipel, ten einde hem verder op te leiden in de kennis en het geloof van Christus, hij nam hem aan, om hem op te voeden voor Christus.
2. Dat zijne moeder ene Joodse vrouw was, maar ene, die in Christus geloofde. Haar naam was Eunice, de naam zijner grootmoeder was Lois. Van beide deze vrouwen spreekt Paulus met grote achting, als uitmuntende in deugd en Godsvrucht, inzonderheid prijst hij ze om haar ongeveinsd geloof, 2 Timotheus 1:5, haar oprecht aannemen van, en blijven in, de leer van Christus.
3. Dat zijn vader een Griek was, een Heiden. Het huwelijk van ene Joodse vrouw met een man uit de Heidenen was (hoewel sommigen enig verschil aannemen) evenzeer verboden als het huwelijk van een Joodsen man met ene vrouw uit de Heidenen, Deuteronomium 7:3. Gij zult uwe dochter niet meer geven aan zijn' zoon, dan zijne dochter nemen voor uwen zoon. Dat schijnt echter beperkt te zijn tot de volkeren, die onder hen woonden in Kanaän, die het grootste gevaar van besmetting voor hen opleverden. Daar nu zijn vader een Griek was, was Timotheus niet besneden, want het overgangsrecht van het verbond en het zegel daarvan, ging evenals andere overgangsrechten bij dat volk door den vader, niet door de moeder, zodat hij, zijn vader geen Jood zijnde, niet verplicht was besneden te worden, en er ook geen recht op had, tenzij hij, volwassen geworden zijnde, het zelf begeerde. Merk echter op, dat zijne moeder, hoewel zij hem niet als kind kon laten besnijden, omdat zijn vader van een ander gevoelen, en een anderen weg was, hem toch in de vreze Gods heeft opgevoed, zodat, hoewel hij het teken des verbonds niet had, hij toch wel de zaak had, die door het teken werd aangeduid.
4. Dat hij een zeer goeden naam had onder de Christenen. Hem werd goede getuigenis gegeven van de broederen te Lystra en Iconium. Hij had niet slechts een onbevlekten naam, was niet slechts zonder ergernis te geven, maar hij had een eervollen naam, er werd hem grote lof gegeven als een jonge man van buitengewoon karakter, en van wie men grote dingen kon verwachten. Niet slechts de mensen in zijne geboorteplaats, maar die in de naburige steden, bewonderden hem, en spraken van hem met groten lof. Hij had een goeden naam onder goede mensen.
5. Dat Paulus wilde, dat hij met hem zou reizen, hem zou vergezellen, om hem van dienst te zijn, onderricht van hem te ontvangen en zich met hem te verenigen in den arbeid des Evangelies, voor hem te prediken, als dit nodig was, en achtergelaten te worden in plaatsen, waar hij gemeenten had gesticht. Paulus heeft hem zeer bemind, niet alleen omdat hij een edele, eervolle jonge man was en grote gaven had, maar omdat hij een ernstige jonge man was van een teder en Godvruchtig gemoed, want Paulus gedacht steeds aan zijne tranen, 2 Timotheus 1:4.
6. Dat Paulus hem nam en hem besneed, of bevel gaf om dit te doen. Dit was vreemd! Had Paulus zich dan niet met alle macht verzet tegen hen, die den bekeerlingen uit de Heidenen de besnijdenis wilden opleggen? Had hij toen dan niet de ordonnantiën van de synode te Jeruzalem bij zich, die er tegen getuigden? Voorzeker! en toch heeft hij Timotheus besneden, niet, zoals deze leraren bedoeld hadden met het opleggen der besnijdenis, n.l. om ook geheel de ceremoniële wet te houden, maar alleen om zijn dienstwerk, zo mogelijk ingang te doen vinden bij vele Joden aan die plaatsen. Hij wist dat Timotheus een man was, die waarschijnlijk veel goed onder hen kon doen, daar hij zeer bekwaam was voor den Evangeliedienst, indien zij niet onoverkomelijk tegen hem bevooroordeeld waren. Opdat zij hem nu niet zouden mijden als een onreine, wijl hij niet besneden was, nam hij hem en besneed hem. Aldus is hij den Joden geworden als een Jood, opdat hij de Joden winnen zou, is hij allen alles geworden, opdat hij enigen behouden zou. Hij was tegen hen, die de besnijdenis voorstelden als noodzakelijk voor de zaligheid, maar hij zelf maakte er gebruik van, als het bevorderlijk kon zijn tot stichting, en hij was ook niet zo stijf en streng in zijn' tegenstand, als zij waren in het verplichtend stellen er van. Hoewel hij dus bij deze gelegenheid niet gehandeld heeft naar de letter van het besluit der synode, heeft hij toch wèl naar den geest er van gehandeld, die een geest was van tederheid voor de Joden, en begeerte om hen trapsgewijze van hun vooroordelen terug te brengen. Paulus had geen bezwaar om hem tot zijn metgezel aan te nemen, al was hij nog onbesneden, maar de Joden zouden niet naar hem willen luisteren, indien hij nog in de voorhuid was, daarom wil Paulus hen hierin tegemoet komen. Het was waarschijnlijk op dat tijdstip, dat Paulus Timotheus de handen heeft opgelegd, ter mededeling van de gave des Heiligen Geestes, 2 Timotheus 1:6.
II. Wij hebben hier zijne bevestiging van de gemeenten, die hij had gesticht, vers 4, 5. Hij doorreisde de steden, waar hij het woord des Heeren had verkondigd, zoals hij bedoeld had, Hoofdstuk 15:36, om naar hun toestand te vernemen. En er wordt ons gezegd:
1. Dat zij hun de ordonnantiën overgaven van de synode te Jeruzalem, om hun ten leidraad te wezen in het bestuur over zich zelven, en opdat zij in staat zouden zijn de leraren, die het onderhouden der ceremoniële wet verplichtend stelden, te kunnen antwoorden, alsmede om zich te rechtvaardigen wegens hun staan in de vrijheid, waarmee Christus hen vrijgemaakt heeft. Al de gemeenten hadden belang bij deze ordonnantiën, en daarom was het nodig, dat zij hun allen behoorlijk betuigd en bevestigd werden. Hoewel Paulus om bijzondere reden Timotheus had besneden, wilde hij dit toch niet als een precedent stellen, en daarom heeft hij de ordonnantiën aan de gemeenten overgegeven, om nauwgezet gevolgd te worden, want zij moeten zich houden aan den regel, en er niet door een bijzonder voorbeeld van afgetrokken worden.
2. Dat dit hun van goeden dienst was.
a. De gemeenten werden hierdoor bevestigd in het geloof, vers 5. Zij werden inzonderheid bevestigd in hun mening tegen het verplichtend stellen van de ceremoniële wet voor de Heidenen. De grote stelligheid en heftigheid, waarmee deze voor de wet ijverende leraren het noodzakelijke betoogden van de besnijdenis, en de schoonschijnende redenen, die zij er voor aanvoerden, had hen geschokt, zodat zij begonnen te wankelen in hun tegenstand. Maar toen zij het getuigenis er tegen zagen, niet alleen van de apostelen en ouderlingen, maar van den Heiligen Geest in hen, waren zij bevestigd en niet langer wankelend hieromtrent. Getuigenissen voor de waarheid kunnen, al zullen de tegenstanders er niet door overtuigd worden, toch zeer nuttig zijn, om diegenen te bevestigen, die er over in twijfel waren. Ja meer, daar het de bedoeling dezer ordonnantiën was de ceremoniële wet af te schaffen met de vleselijke verordeningen daarvan, werden zij bevestigd in het Christelijk geloof in het algemeen, en er des te vaster van verzekerd, dat het uit God was, omdat het ene geestelijke wijze van God te dienen instelde, als meer voegzaam voor den aard, beide van God en de mensen. De geest van tederheid en inschikkelijkheid, die in deze brieven ademde, heeft daarenboven duidelijk aangetoond, dat de apostelen en ouderlingen hierin onder de leiding waren van Hem, die Liefde is.
b. Zij werden dagelijks overvloediger in getal. De oplegging van het juk der ceremoniële wet op de bekeerlingen was genoeg om de mensen van hen af te schrikken. Als zij Joden hadden willen worden, dan hadden zij dit reeds voor lang kunnen doen, voordat de apostelen onder hen kwamen, maar als zij in de Christelijke voorrechten niet kunnen delen zonder zich aan het juk der Joden te onderwerpen, dan zullen zij blijven wat zij zijn. Maar indien zij bevinden, dat er geen gevaar is, van aldus onder het juk gebracht te worden, zijn zij bereid het Christendom te omhelzen, en zich bij de gemeente te voegen. En aldus is de gemeente dagelijks overvloediger geworden in getal: geen dag ging voorbij zonder dat dezen of genen kwamen om zich voor Christus te laten inschrijven. En voor hen, die van harte de eer en heerlijkheid van Christus begeren, en de welvaart der kerk en van de zielen der mensen is het ene vreugde om zulk toenemen te zien.