Handelingen 12:20-25
In deze verzen hebben wij:
I. Den dood van Herodes. God rekende af met hem, niet alleen voor zijne terdoodbrenging, van Jacobus, maar voor zijne poging om ook Petrus te doden, want de zondaars zullen ter verantwoording worden geroepen, niet slechts voor de boosheid van hun daden, maar ook voor de boosheid van hun pogen, Psalm 28:4 1) voor het kwaad, dat zij gedaan hebben, en het kwaad, dat zij hadden willen doen. Het was slechts voor ene kleine wijle, dat Herodes hierna geleefd heeft. Met sommige zondaren gaat God snel te werk. Merk op:
1. Hoe de mate zijner ongerechtigheid vol werd, het was hoogmoed, die het deed, deze is het, die gewoonlijk voor de verbreking is, en hoogheid des geestes voor den val. Nebukadnezar was een zeer bloeddorstig man, en een grote vervolger, maar het woord dat in des konings mond was, toen het oordeel Gods hem trof, was een hoogmoedig woord: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb? Daniël 4:30, 31. Het is de heerlijkheid van God allen hoogmoedige te zien en hem te vernederen. Job 40:7. Het voorbeeld er van hier is zeer merkwaardig, en toont hoe God de hovaardigen wederstaat. De Tyriërs en Sidoniërs schijnen Herodes beledigd te hebben. Die steden waren nu onder Romeinse heerschappij. Zij hadden zich in het een of ander misdragen, en daardoor Herodes, toorn ten hoogste opgewekt, zodat hij besloot tegen hen te krijgen. Voor zulk een trots heerszuchtig man, als Herodes was, was de minste kleinigheid genoeg om zijn toorn gaande te maken, als hij twist wilde zoeken. Hij was dus zeer misnoegd op hen, en het moet hun bekend gemaakt worden, dat zijn toorn is als het brullen eens jongen leeuws, als de bode des doods. Overtuigd zijnde, indien al niet, dat zij werkelijk in iets misdreven hadden, dan toch wel, dat het ijdel was om met zulk een machtigen tegenstander in het strijdperk te treden, onderwierpen zij zich, en wilden tot elke prijs vrede met hem hebben. De reden, waarom zij de zaak bijgelegd wilden zien, was: dat hun land gespijzigd werd van des konings land. Tyrus en Sidon waren handelssteden, en bezaten slechts weinig land, zij werden dus altijd door het land Kanaän van koren voorzien, Judea en het land Israël's die waren uwe kooplieden, met tarwe van Minnith en Pannag, en honing, en olie, en balsem dreven zij onderlingen handel met u, Ezechiël 27:17. Indien nu Herodes ene wet maakte, die den uitvoer van koren naar Tyrus en Sidon verbood, (en zij wisten niet hoe spoedig zulk een wraakgierig man tot zulk een' maatregel zou besluiten, daar hij er zich niet om bekreunde hoe velen hierdoor hongersnood zouden lijden,) zou dit de ondergang wezen van hun land, zodat zij er het grootste belang bij hadden om vrede met hem te houden. En zullen wij dan niet wijs handelen, als wij vrede sluiten met God, ons voor Hem verootmoedigen, daar wij nog veel meer afhankelijk zijn van Hem, dan het ene land afhankelijk is van het andere? Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Om nu ene breuk te voorkomen, hebben zij zich Blastus, des konings kamerling, te vriend gemaakt, waarschijnlijk door hem om te kopen en hem fraaie geschenken te geven, want dat is de gewone manier, waarop men zich hovelingen te vriend maakt. En het is het harde lot van vorsten, dat niet alleen hun zaken, maar ook hun genegenheden, door zulke veile, inhalige lieden beheerst worden, maar toch is het beter, dat mannen, als Herodes, die zich niet door verstand of billijkheid willen laten regeren, door zulke mensen geregeerd worden, dan door hun hoogmoed en hun hartstochten. Blastus stond bij Herodes in gunst, en hij verstaat het zijn toorn tot bedaren te brengen, en zo wordt dan een tijd bepaald, wanneer de gezanten van Tyrus en Sidon moeten komen, om in het openbaar hun onderwerping uit te spreken, zijne majesteit om vergiffenis te vragen, en te beloven zich nooit meer aan iets dergelijks schuldig te zullen maken, en, hetgeen aldus zijn hoogmoed zal strelen, zal tevens strekken om zijn toorn tot bedaren te brengen. Herodes verschijnt in al zijne pracht en grootheid, hij had een koninklijk kleed aangedaan, vers 21, en zat op zijn troon. Josephus geeft ene beschrijving van de pracht en luister, waarin Herodes bij die gelegenheid verscheen. Antiquit. lib. 19 cap. 7. Hij zegt, dat Herodes toen een kleed droeg van zilverlaken, zo rijk geweven, en zo kunstig samengesteld dat, wanneer de zon er op scheen, het licht met zo hellen glans er op teruggekaatst werd, dat de ogen der toeschouwers er door verblind werden, en de lieden er door vervuld werden met ontzag. Dwaze lieden schatten de mensen naar hun uitwendig voorkomen, en diegenen zijn niet beter, die zich zelven naar de waardering van de zodanige schatten, er naar dingen, zo als Herodes gedaan heeft, die dacht het gebrek aan een koninklijk hart te kunnen vergoeden door een koninklijk gewaad, en op zijn troon zat, alsof dat hem het voorrecht gaf, om op allen, die hem omringden, te kunnen treden, alsof zij zijne voetbank waren. Hij hield ene toespraak tot de Tyriërs en Sidoniërs, ene fraaie redevoering, waarin hij waarschijnlijk, na zeer den nadruk gelegd te hebben op hun misdrijf en hun onderwerping te hebben geprezen, eindigde met de verzekering, dat hij hun misdrijf wilde voorbijzien, en hen weer in gunst zou aannemen, er trots genoeg op zijnde, dat hij de macht had, om dien hij wilde in het leven te behouden, en dien hij wilde te doden. Waarschijnlijk had hij hen in spanning en onzekerheid gelaten ten opzichte van hetgeen hun lot zou zijn, totdat hij deze rede voor hen hield, opdat de daad van genade hun des te meer ene aangename verrassing zou zijn. Het volk juichte hem toe, het volk, dat van hem afhankelijk was, en voordeel trok uit zijne gunst. Zij riepen hem toe, en dit was het wat zij riepen: Het is de stem eens gods, en niet eens mensen, vers 22. 1) God is groot en goed, en zij dachten de grootheid van Herodes in zijn gewaad en zijn troon, en zijne goedheid in hun vergeving te schenken zodanig, dat hij waardig was om niet minder dan een god genoemd te worden, en zijne rede werd misschien met zoveel gezag en majesteit uitgesproken, en met zulk ene vermenging van goedertierenheid, dat de hoorders er op die wijze door werden aangedaan. Het kan ook wezen, dat het niet was door een wezenlijken indruk bij hen teweeggebracht, of dat zij werkelijk zulke hoge en goede gedachten van hem koesterden, maar dat zij, hoe gering zij ook over hem dachten, besloten waren door vleierij zijne gunst te winnen, en den pas gesloten vrede tussen hem en hen aldus te versterken. Zo worden de groten tot ene gemakkelijke prooi gemaakt van vleiers, als zij hen aanmoedigen door naar hen te luisteren. Hugo de Groot merkt hier op dat hoewel magistraten, of rechters, goden genoemd worden, Psalm 82:1, koningen, of monarchen, dat is: afzonderlijke personen, echter niet aldus genoemd worden, opdat hierdoor geen steun zou worden gegeven aan de Heidenen, die goddelijke eer bewezen aan hun koningen, levend of dood, zoals wij dit hier zien, maar het is een college van senatoren, of ene rechtbank, waaraan de naam goden gegeven wordt. Zij, die leven naar hun zinnen, verkleinen God, alsof Hij ten enenmale was gelijk zij, en vergoden mensen, alsof zij goden waren, verwonderende zich over de personen om des voordeels wil. Dit is niet slechts ene grote belediging van God, daar zij aan anderen de ere geven, die Hem alleen toekomt, maar ook een groot onrecht jegens hen, die aldus gevleid worden, daar dit teweegbrengt, dat zij zich vergeten, hen opgeblazen maakt van hoogmoed, zodat zij in het grootst mogelijk gevaar zijn van in het oordeel des duivels te delen. Dezen onbetamelijken lof nam hij aan, hij schepte er behagen in en verhovaardigde zich er op, en dat was zijne zonde. Wij bevinden niet, dat hij aan zijne vertrouwelingen in stilte had bevolen zodanig een kreet aan te heffen, of deze woorden het volk in den mond te leggen, of dat hij hun dank zei voor dit compliment. Maar zijne fout was, dat hij niets zei, dat hij hen niet bestrafte om hun vleierij, noch den titel afwees, dien zij hem hadden gegeven, en Gode de ere niet gaf, vers 23. Neen, hij nam het alles aan, wilde zeer gaarne, dat het in hem zou eindigen, en dat hij als een god geacht zou worden, en goddelijke ere zou ontvangen. Si populus vult decipe, decipiatur Als de lieden bedrogen willen zijn, laat hen bedrogen zijn. En het was erger in hem, die een Jood was, en beleed in een enigen God te geloven, dan het in de Heidense keizers was, die vele goden en vele heren hadden.
2. Merk op: Hoe zijne goddeloosheid gestraft werd: Van stonde aan, vers 23, sloeg hem een engel des Heeren (op order van Christus, want aan Hem is al het oordeel overgegeven), daarom, dat hij Gode de eer niet gaf, (want God ijvert voor Zijne eer, en Hij zal verheerlijkt worden aan hen, door wie Hij niet verheerlijkt wordt,) en hij werd van de wormen gegeten, nog boven den grond, en gaf den geest. Nu werd er afgerekend met hem voor zijn kwalijk handelen van Christus' gemeente, zijn doden van Jacobus, zijne gevangenzetting van Petrus en al het ander kwaad, dat hij had aangericht. In het verderf van Herodes hebben wij op te merken:
a. Dat het niemand minder dan een engel was, die er de uitvoerder van was, een engel des Heeren, die engel, aan wie bevolen en opgedragen was het te doen, of de engel, die gewoonlijk voor werken van dien aard gebruikt wordt, de verderfengel, of wel, de engel, die Petrus uit de gevangenis had verlost-die engel sloeg Herodes. Want, deze gedienstige geesten zijn of de dienaren der Goddelijke gerechtigheid, of der Goddelijke barmhartigheid, al naar het God behaagt hen te gebruiken. De engel sloeg hem met ene zware ziekte juist op het ogenblik, toen hij trots daar heen ging onder de toejuiching des volks, en zijne eigene schaduw aanbad. Zo zei de koning van Tyrus in zijn hoogmoed: Ik ben God, ik zit in Gods stoel, en stelde zijn hart als Gods hart, maar hij zal een mens wezen, en geen God, een zwak, sterfelijk mens, in de hand degene die hem verslaat, Ezechiël 28:2, 9. Zo ook hier Herodes. Machtige vorsten moeten weten, niet alleen, dat God almachtig is, maar dat ook engelen groter zijn dan zij in kracht en macht. De engel sloeg hem, omdat hij Gode de eer niet gaf, engelen ijveren voor Gods eer, en zodra zij er slechts de opdracht toe ontvangen, zijn zij gereed en bereid hen te slaan, die inbreuk maken op Zijne kroonrechten, God van Zijne eer beroven. Het was slechts een worm, die het werktuig was voor Herodes' verderf, hij werd van de wormen gegeten, genomenos skoolêkobrootos hij werd wormstekig, moet het eigenlijk gelezen worden, verrot was hij, en hij werd als een stuk verrot hout. In het graf wordt het lichaam door wormen verteerd, maar het lichaam van Herodes verrotte reeds bij zijn leven, en teelde de wormen, die zich bij tijds met hem zullen voeden, en zo is ook Antiochus, die grote vervolger gestorven. Zie hieraan hoe nietig, hoe gering het lichaam is, dat wij met ons omdragen, het draagt het zaad in zich van zijne eigene ontbinding, waardoor het spoedig, zodra God slechts het woord spreekt, vernietigd zal worden. Zeer verrassende ontdekkingen zijn in den laatsten tijd door middel van het microscoop gedaan van de menigte van wormen in het menselijk lichaam, en hoeveel die bijdragen tot de krankheden er van, hetwelk ene goede reden is, waarom wij niet trots moeten zijn op ons lichaam, of op deszelfs gaven en hoedanigheden, alsmede waarom wij ons lichaam niet moeten vertroetelen of oververzadigen, want dat is slechts de wormen voeden, en het te voeden voor de wormen. Zie ook welke zwakke en verachtelijke wezens God kan gebruiken als de werktuigen van Zijne gerechtigheid. Farao wordt geplaagd door luizen en vliegen. Efraïm zal verteerd worden als ene mot, en Herodes wordt door wormen gegeten. Zie, hoe God er behagen in schept, niet slechts om hoogmoedigen naar beneden te brengen, maar hen op de meest vernederende wijze naar beneden te brengen, en verachting over hen uitstort. Herodes wordt niet slechts vernietigd, maar vernietigd door wormen, opdat de hovaardij van zijne heerlijkheid ten enenmale bevlekt worde, Jesaja 23:9. 2) Deze geschiedenis van den dood van Herodes wordt inzonderheid verhaald door Josephus, een Jood Antiquit. lib. 19. cap. 7. en wel in dier voege: "Dat Herodes afkwam naar Cesarea, om een feest te vieren ter ere van den keizer, dat hij op den tweeden dag van het feest des morgens naar den schouwburg ging, gekleed in het prachtig gewaad, boven vermeld, dat zijne vleiers hem begroetten als een god, en hem smeekten hun gunstig te zijn, dat zij hem tot nu toe geëerd hadden als een mens, maar dat zij nu willen bekennen, dat er in hem iets meer is, iets voortreffelijkers dan in de sterfelijke natuur. Dat hij deze goddeloze vleierij niet afwees, of bestrafte (aldus drukt de geschiedschrijver het uit,) maar terstond daarna opziende, zag hij een uil boven zijn hoofd zitten, en op hetzelfde ogenblik voelde hij ene hevige pijn in de ingewanden, gepaard met koliek pijnen, die van het eerste ogenblik af verschrikkelijk waren, dat hij zijne ogen richtte op zijne vrienden en tot hen zei: Nu zal ik, dien gij een god, en dus onsterfelijk hebt genoemd, bewezen worden mens, en dus sterfelijk te zijn. Dat zijne foltering onverpoosd voortduurde, zonder de minste verlichting, en dat hij toen stierf in het vier en vijftigste jaar van zijn ouderdom, en na zeven jaren koning geweest te zijn."
II. Den voortgang van het Evangelie daarna.
1. Het woord Gods wies en vermenigvuldigde, als gezaaid zaad, dat dertig-, zestig-, honderdvoudig opkomt. Overal waar het Evangelie gepredikt werd, hebben grote scharen het aangenomen, en dezen werden daardoor aan de gemeente toegevoegd, vers 24, Na den dood van Jacobus wies het woord Gods, want, evenals Israël in Egypte, hoe meer de kerk verdrukt werd, hoe meer zij toenam. De moed en de vertroosting der martelaren, en hun erkenning door God, deden meer om de mensen tot het Christendom te lokken, dan hun lijden deed om er hen van af te schrikken. Na den dood van Herodes heeft het woord Gods veld gewonnen. Dat zulk een vervolger door een ontzettend oordeel werd weggenomen heeft velen er van overtuigd, dat de zaak van het Christendom ongetwijfeld de zaak was van Christus, en daarom hebben zij het omhelsd.
2. Zodra Barnabas en Saulus de zending, die hun was opgedragen, volbracht hadden, keerden zij terug naar Antiochië, als zij den dienst volbracht hadden, het geld aan de daartoe aangewezene personen hadden afgedragen, en gezorgd hadden voor de uitdeling er van aan hen, voor wie het bijeengebracht was, keerden zij weer van Jeruzalem. Zij hadden daar wel vele vrienden, maar voor het ogenblik lag hun arbeidsveld te Antiochië, en waar ons werk is, daar moeten wij zijn, en er niet langer van afwezig blijven dan nodig is. Als een leraar tot enigen dienst weggeroepen wordt, dan moet hij, als hij dien dienst volbracht heeft, denken aan den arbeid, die hem te huis wacht en hem nodig heeft, en dus te huis roept. Barnabas en Saulus hebben, toen zij naar Antiochië gingen, Johannes medegenomen, die toegenaamd werd Marcus in wiens moeders huis zij samen waren gekomen voor het gebed, waarvan wij gelezen hebben in vers 12. Zij was de zuster van Barnabas. Het is waarschijnlijk, dat Barnabas daar zijn intrek genomen had, en wellicht Paulus met hem terwijl zij te Jeruzalem waren, en dat dit het was, dat aanleiding gaf tot deze samenkomst, want waar Paulus was, daar werd het een of ander goed werk gedaan, en hun bekendheid met dat gezin, en den gemeenzamen omgang, dien zij er mede hadden terwijl zij te Jeruzalem waren, was de oorzaak, dat zij een zoon uit dat gezin medenamen, toen zij terugkeerden, om onder hen opgeleid te worden, en door hen te worden gebruikt in den dienst van het Evangelie. Jonge mannen op te leiden tot den Evangeliedienst, en hen er toe in te leiden is een goed werk voor de oudere leraren, en van groot nut voor het opkomend geslacht.