Filippenzen 1:21-26
Wij hebben hier een beschrijving van hetgeen even en dood voor den gezegenden Paulus was: zijn leven was Christus, zijn sterven gewin. Merk op:
1. Het is een ontwijfelbaar kenmerk van iedere waren Christen, dat het leven hem Christus is. De heerlijkheid van Christus behoort zijn levensdoel te zijn, de genade van Christus het beginsel van zijn leven, en het woord van Christus zijn regel. Het Christelijk leven komt van Christus en gaat naar Hem uit. Hij is beginsel, regel en doel ervan.
2. Allen, voor wie het leven Christus is, weten dat de dood hun gewin zal zijn, hij is een groot gewin, een dadelijk gewin, een eeuwig gewin. De dood is een groot verlies voor een vleselijk-gezinden, wereldsen mens, want hij verliest daardoor al zijn gemak en al zijn hoop, maar voor een waar Christen is hij gewin, want hij is het einde van al zijn zwakheid en ellende, en de vervulling van al zijn hoop, de volmaking van al zijn vertroosting, hij verlost hem van alle kwaad des levens en brengt hem in bezit van het hoogste goed.
Voor mij is het sterven gewin. Voor het Evangelie zowel als voor mij zelven, want dat zal nader bevestigd worden wanneer het met mijn bloed bezegeld wordt, gelijk het tijdens mijn leven bevestigd werd door mijn arbeid. Zo zal Christus groot gemaakt worden door zijn dood, vers 20. Sommigen lezen den gehelen zin aldus: Voor mij is, levend of stervend, Christus gewin, dat is: Ik begeer niet anders, hetzij ik leef hetzij ik sterven zal, dan Christus te gewinnen en in Hem gevonden te worden. Het zou begrijpelijk zijn, indien de dood voor hem gewin ware, dat hij afkeer van het leven en ongeduldig verlangen naar den dood had. Neen: zegt hij,
I. Maar of te leven in het vlees, hetzelve mij oorbaar zij, en wat ik verkiezen zal weet ik niet, vers 22. 1) Dat is de vrucht van mijn arbeid, dat is: Christus is de vrucht van mijn arbeid. Hij achtte zijn arbeid wèl besteed, indien hij het werktuig mocht zijn om de eer en het belang van het koninkrijk van Christus in de wereld te bevorderen. Dat is de vrucht van mijn arbeid, karpos ergoe. Het is voor een waar Christen en een getrouw dienaar de moeite waard om in de wereld te leven zolang als hij God verheerlijken en Zijne gemeente goed doen kan. Maar wat ik verkiezen zal weet ik niet, want ik word van deze twee gedrongen. Paulus was in een gezegenden tweestrijd, niet tussen twee kwade dingen, maar tussen twee goede dingen. David was in tweestrijd tussen drie oordelen: zwaard, honger en pestilentie. Paulus was in tweestrijd tussen twee zegeningen: leven voor Christus en bij Hem zijn. Hier horen wij hem bij zich zelven daarover overleggen.
1. Hij verkoos den dood. Het zien van de macht des geloofs en der goddelijke genade kan verzoenen met den dood, gewillig maken om te sterven, ofschoon de dood de grootste verwoesting van ons tegenwoordig bestaan en het grootste natuurlijke onheil is. Van nature hebben wij een afkeer van den dood, maar hij verlangde er naar, vers 23. Hebbende begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn. Merk op:
A. Het met Christus te zijn maakt ontbinding begeerlijk voor den gelovige. Het is niet het sterven op zich zelven, het afleggen van het lichaam, dat is op zich zelven geen begeerlijke zaak, maar het moet noodzakelijk in verband staan met iets anders, dat het waarlijk begeerlijk maakt. Indien ik niet met Christus kan zijn zonder ontbonden te worden, dan acht ik daarom het ontbonden worden begeerlijk.
B. Zodra de ziel ontbonden wordt, is zij onmiddellijk met Christus. Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn, Lukas 23:43. Uitwonen uit het lichaam en inwonen bij den Heere, 2 Corinthiërs 5:8, zonder enige tussenpoos. Dat is zeer verre het beste, polloi gar mollon kreisson, veel meer uitnemend, of verreweg verkieslijker. Zij, die de waarde van Christus en van den hemel kennen, zullen geredelijk toestemmen dat het veel beter is in den hemel dan op de aarde te zijn, veel beter met Christus dan met enig schepsel te zijn, want in deze wereld worden wij verzocht tot zonden, zijn geboren tot moeite, worden wedergeboren tot moeite, maar door tot Christus te komen, laten wij alle zonden, verzoeking, leed en dood voor eeuwig achter.
2. Maar hij zou liever nog in de wereld willen blijven leven voor den dienst der gemeente, vers 24. Maar in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil. Het is nodig voor de gemeente dienaren te hebben, en getrouwe dienaren kunnen moeilijk gemist worden, wanneer de oogst groot is en de arbeiders weinige zijn. Zij, die de meeste reden hebben om ontbinding te begeren, moeten gewillig zijn om in de wereld te blijven, zolang God enig werk voor hen te doen heeft. Paulus' strijd was niet tussen leven in de wereld en leven in den hemel, tussen die bede is geen vergelijking van pas, maar tussen Christus dienen in deze wereld en met Hem te zijn in de andere wereld. Maar in elk geval was zijn hart met Christus, doch om de belangen van Christus en Zijne gemeente te bevorderen, koos hij liever hier te blijven, ofschoon hem hier tegenstand en moeilijkheden wachtten, en zich de voldoening van zijne beloning nog te ontzeggen.
II. En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven en met u allen zal verblijven tot uwe bevordering en blijdschap des geloofs, vers 25, Merk hier op:
1. Hoe groot vertrouwen Paulus heeft in de goddelijke Voorzienigheid, die alles ten beste voor hem schikken zal. Daar ik overtuigd ben, dat het voor u nodig is dat ik in het vlees blijf, zo weet ik dat ik zal blijven.
2. Wij kunnen er zeker van zijn, dat God altijd doen zal hetgeen voor Zijne gemeente het best is. Indien wij weten wat nodig is voor de opbouwing van het lichaam van Christus, dan weten wij ook zeker dat het gebeuren zal, want Hij draagt zorg voor haar belangen en doet altijd wat met het oog op alle omstandigheden voor haar het beste is.
3. Merk op waartoe dienaren blijven: tot uwe bevordering en blijdschap des geloofs, of tot uw toenemen in heiligmaking en blijdschap.
4. Wat ons geloof en onze blijdschap des geloofs bevordert, is zeer bevorderlijk voor ons op den weg naar den hemel. Hoe meer geloof des te meer blijdschap, en hoe meer geloof en blijdschap des te meer vorderingen in onze Christelijke loopbaan.
5. Er is behoefte aan een gevestigden dienst des Woords, niet alleen ter overtuiging en bekering van zondaren, maar ook voor opbouwing der heiligen en hun vorderingen in geestelijke deugden. III. Opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij, door mijne tegenwoordigheid wederom bij u, vers 26. Zij verheugden zich in de hoop van hem te zullen weerzien en van zijn verderen arbeid te genieten.
1. De tegenwoordigheid van dienaren in de gemeente behoort allen, die het met de gemeente en haar belangen wèl menen, te verheugen.
2. Al onze blijdschap moet zich verenigen in Christus Jezus. Onze blijdschap over goede dienaren moet zijn blijdschap in Christus Jezus over hen, zij zijn slechts de vrienden van den bruidegom en moeten aangenomen worden in Zijn naam en om Zijnentwille.