Ezra 4:6-16
Cyrus is de belangen van de Joden altijd toegedaan gebleven en heeft zijn schenking gesteund en gehandhaafd, het was nutteloos hem er tegen te willen innemen, wat hij deed, deed hij uit een goed beginsel van de vreze Gods, en daarom bleef hij er bij. Maar hij heeft naar sommigen denken, na zijn verovering van Babel en zijn decreet voor de vrijlating van de Joden nog slechts drie jaren- volgens anderen, zeven jaren-geregeerd, en toen is hij of gestorven of hij heeft dit deel van zijn regering opgegeven, waarin hij Ahasveros tot opvolger had vers 6, die ook Artahsastha genoemd wordt, vers 7, dezelfde, die door de heidense schrijvers Cambyses wordt genoemd, die nooit zoveel acht had geslagen op de verachte Joden, om belangstelling in hen te koesteren of zorg voor hen te hebben. Ook had deze de kennis niet van de God Israëls, die zijn voorganger gehad heeft, en was een woeste dwingeland, en tot hem nu hebben de Samaritanen zich per brief gewend om een order voor het doen ophouden van de tempelbouw. Zij deden het in het begin van zijn regering, besloten zijnde geen tijd te verkiezen toen zij dachten een koning te hebben die hun hierin ter wille zou zijn. Zie hoe de vijanden van de kerk op de loer liggen om de eerste gelegenheid, die zich voordoet, aan te grijpen om haar kwaad te doen Iaat haar vrienden dan niet minder ijverig zijn om haar vriendelijkheid te bewijzen.
I. Hun brief aan de koning heeft tot algemene strekking hem van deze zaak te verwittigen. Hij wordt "een aanklacht" genoemd "tegen de" "inwoners van Juda en Jeruzalem." De duivel "is de aanklager van de" "broederen," Openbaring 12:10. En hij volvoert zijn boze plannen tegen hen niet alleen door zelf hen te beschuldigen bij onze God, zoals hij Job gedaan heeft maar door als een leugengeest te handelen in de mond van zijn werktuigen, die hij gebruikt om hen aan te klagen bij magistraten en koningen en hen bij velen verdacht en gehaat te maken en aanstotelijk bij de machtigen. Verwonder u niet zo ook nog heden dezelfde kunstgrepen in het werk worden gesteld om ernstige Godsvrucht tegen te staan.
II. De personen, die betrokken waren bij het schrijven van deze brief. In vers 7 worden de ontwerpers, en in vers 8 de schrijvers ervan genoemd, en in vers 9 de ondertekenaars die er mee instemden, medegedaan hebben in deze voorstelling-verkeerde voorstelling had ik moeten zeggen- van de zaak. Zie nu hier:
1. Hoe de vorsten samen beraadslagen tegen de Heere en Zijn tempel, de vorsten met hun gezelschap. Het bouwen van de tempel zou hun geen kwaad doen, toch treden zij er met de uiterste boosaardigheid tegen op, misschien wel omdat de profeten van de God Israëls het uithongeren en vergaan voorzegd hebben van al de goden van de heidenen Zefanja 2:11, Jeremia 10:11.
2. Hoe het volk met hen instemde in dit bedenken van ijdelheid. Zij volgden de roep, hoewel het wezen van de zaak hun onbekend was. Al de verschillende koloniën van dat gewest-er worden hier negen genoemd-die hun namen ontleenden aan de steden of landen van Assyrië, Chaldea, Perzië enz. vanwaar zij gekomen zijn, hebben door haar vertegenwoordigers deze brief ondertekend. Misschien waren zij aldus vertoornd op deze teruggekeerde Joden omdat er velen uit de tien stammen onder hen waren, van wier eigendommen zij bezit genomen hadden, en van wie zij duchtten dat zij later zouden beproeven ze weer in hun eigen bezit te krijgen. III. Een afschrift van de brief zelf, dat Ezra hier inlast uit het archief van het koninkrijk Perzië, waarin hij bewaard werd. En het is goed dat wij hem hebben, om te zien welke methode nog gevolgd wordt om Godvruchtige mensen aan haat en vervolging prijs te geven en goede plannen tegen te werken.
1. Zij stellen zichzelf voor als zeer getrouwe onderdanen, aan wie de eer en het belang van de regering ter harte gaat, zij willen het doen voorkomen dat de koning nergens in geheel zijn rijk zulke trouwe onderdanen had, die zich zo bewust waren van hun verplichtingen jegens hem, vers 14, Omdat wij met het zout van het paleis gezouten zijn-zo is het in de kanttekening-."Wij hebben onze bezolding van het hof, en wij zouden zonder dit evenmin kunnen leven, als men vlees zou kunnen bewaren zonder het te zouten", of, gelijk sommigen denken, hun bezolding of pensioen werd hun in zout gezonden, of "omdat wij opgevoed zijn in het paleis en opgebracht werden aan des konings tafel", zoals wij bevinden in Daniël 1:5. Dezen waren het, die hij bedoelde te verhogen, zij aten hun deel van des konings spijze. Uit aanmerking nu hiervan betaamt het ons niet des konings oneer te zien, en daarom dringen zij er bij hem op aan om de bouw des tempels te doen staken, want deze zou gewis meer dan iets anders tot des koning oneer zijn. Een geheime vijandschap tegen Christus en Zijn Evangelie wordt dikwijls verguld met een voorgewende liefde voor de keizer en zijn macht. De Joden haatten de Romeinse regering, maar konden toch als het hun oogmerk diende roepen: Wij hebben geen koning dan de keizer. Maar indien nu zij, die leefden van de kroon, zich aldus uit dankbaarheid verplicht achtten om er de belangen van te steunen, hoeveel temeer reden hebben wij dan niet om aldus een Godvruchtige liefde te hebben voor Gods eer, zeggende: Wij hebben onze leeftocht van de God des hemels en zijn gezouten met Zijn zout, wij leven van Zijn milddadigheid, zijn de zorg van Zijn voorzienigheid, en daarom betaamt het ons niet Zijn oneer te zien zonder er toorn over te gevoelen en te doen wat wij kunnen om haar te voorkomen.
2. Zij stellen de Joden voor als trouweloos en gevaarlijk voor de regering, zeggen dat Jeruzalem de boze en oproerige stad was, vers 12, de koningen en landschappen schade aanbrengende, vers 15. Zie hoe Jeruzalem "de" "vreugde van de gehele aarde," Psalm 48:3, hier gesmaad wordt als de ergernis van de gehele aarde. De vijanden van de kerk zouden de slechte daden niet kunnen doen, die zij tegen haar beramen, indien zij haar niet eerst een slechte naam en een slecht voorkomen gaven. Jeruzalem is een getrouwe stad geweest voor haar rechtmatige vorsten en haar toenmalige inwoners waren de koning en zijn regering even goed gezind als wèlke andere provincie ook van zijn gebied. Daniël, die een Jood was, had zich nu onlangs zo trouw bewezen aan zijn vorst, dat zijn ergste vijanden "geen gelegenheid noch misdaad konden vinden in zijn bestuur van de zaken", Daniël 6:5. Maar aldus is Elia onrechtvaardig beschuldigd Israël te beroeren, de apostelen dat zij de wereld in roer hebben gesteld, en Christus zelf van het volk te verkeren, en te verbieden de keizer schatting te geven, en wij moeten het niet vreemd achten indien ook thans nog datzelfde spelletje gespeeld wordt. Nu is:
A. Dit ophalen van het vroeger gebeurde was hatelijk, namelijk dat zij daarbinnen afval gesticht hebben van oude tijden af, en dat daarom die stad verwoest is, vers 15. Het kan niet ontkend worden dat er wel een schijn van waarheid was in deze inblazing, in de pogingen van Jojakim en Zedekia om het juk van de koning van Babel af te werpen, waaronder zij, indien zij zich trouw aan de Godsdienst hadden gehouden, die nu hersteld wordt, nooit gekomen zouden zijn. Maar men moet in aanmerking nemen: a. Dat zij en hun voorvaderen zelf vrijmachtige vorsten geweest zijn, en dat hun pogingen om in hun rechten hersteld te worden, indien er geen eedverbreking in geweest was voorzoveel ik weet, te rechtvaardigen zouden geweest zijn, en ook wel geslaagd zouden zijn indien zij er de rechte methode bij gevolgd hadden en zich eerst met God hadden verzoend.
b. Ofschoon deze Joden en hun vorsten oproerig geweest waren, was het toch onrechtvaardig om dit als een onuitwisbaar schandmerk in te drukken op deze stad, alsof zij nu voortaan altijd de naam moet dragen van oproerige en boze stad. in hun gevangenschap hadden de Joden zulke blijken gegeven van goed gedrag, als voor alle redelijke mensen voldoende waren om die smaad van hen af te wentelen, want hen was geleerd (en-wij hebben reden te hopen, dat zij naar dit onderricht gehandeld hebben) "de vrede te zoeken van de stad, waar zij" "gevankelijk heengevoerd waren, en tot de Heere voor haar te bidden," Jeremia 29:7. Het was dus wel zeer onbillijk, hoewel geheel niet ongewoon, om aldus de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen toe te schrijven.
B. Het bericht nopens hetgeen zij nu deden was volkomen onwaar. Zij dragen er zeer bijzonder zorg voor om de koning te berichten dat zij de muren voltrekken van deze stad, ja ze hadden voltrokken en de fundamenten samenvoegden, vers 12, toen dit nog verre was van het geval te zijn. Zij hadden slechts begonnen de tempel te bouwen, hetgeen Cyrus hun geboden had te doen, maar wat de muren betreft, daar was niets aan gedaan, ook geen plan gemaakt om ze te herstellen, hetgeen blijkt uit de toestand waarin zij nog vele jaren daarna zijn geweest, Nehemia. 1:3, namelijk geheel in puin. Wat zal aan "deze bedrieglijke tongen," aan deze valse pennen, "gegeven, wat er aan gedaan worden? Scherpe pijlen eens machtigen" ongetwijfeld, "mitsgaders gloeiende jeneverkolen," Psalm 120:3, 4. Indien zij niet volkomen ontbloot waren geweest van alle deugd en eer, zij zouden de koning niet hebben kunnen schrijven wat al hun naburen wisten vals te zijn, en als zij niet zeer gerust waren geweest ten opzichte van des konings steun, zij zouden het niet gedurfd hebben. Zie Spreuken 29:12.
C. Hun voorspellingen van wat er de gevolgen van zijn zullen, hadden hoegenaamd geen grond en waren ongerijmd. Zij zijn er van overtuigd en willen dat de koning het op hun woord geloven zal dat, zo die stad gebouwd wordt, niet alleen de Joden de cijns, ouden impost en tol niet zouden geven, vers 13, maar (daar een grote leugen even gauw gezegd is als een kleine) dat de koning dan geen deel zou hebben aan deze zijde van de rivier, vers 16, dat al de landen aan deze zijde van de Eufraat terstond in opstand zouden komen, hiertoe gebracht door hun voorbeeld, en zo de regerende vorst dit oogluikend zou toelaten, dan zou hij niet slechts zichzelf, maar ook zijn opvolgers benadelen, gij zult de inkomsten van de koningen schade aanbrengen. Zie hoe iedere regel van deze brief zowel de arglistigheid als de boosaardigheid van de oude slang ademt.